ECLI:NL:RBOBR:2026:1246

ECLI:NL:RBOBR:2026:1246

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 01.296782.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak poging doodslag. Bewezenverklaring voor zware mishandeling, poging tot zware mishandeling (voorwaardelijk opzet, uitgaansgeweld), meerdere mishandelingen (ook in huiselijke sfeer) en vernielingen. 4 vorderingen benadeelde partij geheel toegewezen. - Gevangenisstraf 30 maanden met aftrek waarvan 10 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaar en bijzondere voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar).

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01-296782-25, 01-171992-24, 01-045610-25 en 01-094783-25 (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummers vorderingen TUL: 01-375180-24 en 01-331932-22

Datum uitspraak: 2 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 6 januari [1999] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 februari 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 21 januari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. 01-296782-25:

hij op of omstreeks 4 september 2025 te Helmond

aan een ander, te weten [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel te weten een breuk in de oogkas en/of en neusfractuur en/of een hersenschudding heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] meermaals tegen het hoofd en/of lichaam te trappen en/of te slaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 september 2025

te Helmond

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet

met kracht

tegen het hoofd en/of bovenlichaam

heeft getrapt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. 01-171992-24

feit 1:

hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Eindhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2]

opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2]

- meermaals, althans eenmaal, met een gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen,

- tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en/of zat,

- meermaals tegen/op het hoofd heeft getrapt en geslagen, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag,

feit 2:

hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Eindhoven

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] in haar gezicht te spugen en/of haar te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] ten val is gekomen;

feit 3:

hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Eindhoven

opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door bloed op de muren te spugen en dat uit te smeren;

T.a.v. 01-045610-25

feit 1:

hij op of omstreeks 3 juli 2024 te Ommel, gemeente Asten

opzettelijk en wederrechtelijk een hekwerk, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

feit 2:

hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Ommel, gemeente Asten

[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] tweemaal, althans eenmaal in het gezicht te slaan;

T.a.v. 01-094783-25

feit 1:

hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Someren

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft mishandeld door

- met een krat, althans een voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan,

- die [slachtoffer 6] meermaals (met gebalde vuist) tegen het hoofd te slaan, en/of

- die [slachtoffer 7] in het gezicht te slaan;

feit 2:

hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Someren

opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01-375180-24 is aangebracht bij vordering van 18 december 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 26 maart 2025.

De zaak met parketnummer 01-331932-22 is aangebracht bij vordering van 21 november 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 29 december 2022.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met uitzondering van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag in de zaak met parketnummer 01-171992-24. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan wel wettig en overtuigend worden bewezen, omdat sprake is van voorwaardelijk opzet.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 3 in de zaak met parketnummer 01-171992-24. Ten aanzien van alle overige ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak feit 1 impliciet primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-171992-24

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 01-171992-24 onder feit 1 impliciet primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn in de zaak met parketnummer 01-171992-24 ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair (poging zware mishandeling [slachtoffer 2] ) en onder feit 3 ten laste gelegde (onbruikbaar maken cel) en het in de zaak met parketnummer 01-094783-25 onder feit 1 ten laste gelegde (mishandeling [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] ), uitgewerkt in dit vonnis.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-296782-25 (zware mishandeling [slachtoffer 1] ), in de zaak met parketnummer 01-171992-24 onder feit 2 (mishandeling [slachtoffer 3] ), in de zaak met parketnummer 01-045610-25 onder feit 1 (vernieling hekwerk [slachtoffer 5] ) en onder feit 2 (mishandeling [slachtoffer 5] ) en in de zaak met parketnummer 01-094783-25 onder feit 2 (vernieling auto [slachtoffer 6] ). Verdachte heeft deze feiten immers bekend en zijn raadsman heeft geen vrijspraak bepleit.

Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.

Ten aanzien van parketnummer 01-296782-25:

Ten aanzien van parketnummer 01-296782-25:

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 26 mei 2024, p. 10, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op 26 mei 2024, omstreeks 03.10 uur, liep ik langs café Villa Fiesta, gelegen aan het Stratumseind te Eindhoven. Ik zag dat een man, welke door jullie is aangehouden, zijn vuist balde. Ik voelde een klap op mijn linkerwang. Ik voelde pijn. Vervolgens viel ik op de grond. Ik zag dat hij met zijn voet op mijn hoofd begon te stampen.

2) Een proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2024, p. 35, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op de camerabeelden is de verdachte [verdachte] herkenbaar in beeld. Ik herkende de verdachte voor 100%. Ik heb de verdachte namelijk ook verhoord. Ik zag dat de camera gericht stond op frietzaak [bedrijf 1] in het horecagebied van Stratumseind. Ik zag dat linksboven in beeld, de kroeg Villa [bedrijf 2] zichtbaar was. Ik zag dat op het moment dat het watermerk 02:07:44 weergaf, de man in de beige jas, na het ontvangen van een klap van de verdachte op de grond valt. Ik zag dat hierna de verdachte een aanloop nam en de man in de beige jas met een voetbaltrap met kracht tegen zijn hoofd trapte, terwijl deze nog op de grond lag. Ik zag dat de verdachte hierna tweemaal met een vuistslag tegen het hoofd van de man met de beige jas sloeg. Ik zag hierna dat de verdachte zich herpositioneerde en aan de kant van het hoofd van de verdachte (de rechtbank gaat uit van een verschrijving en begrijpt: van de man in de beige jas) ging staan. Ik zag hierna dat de verdachte een stampende beweging naar het hoofd van de man in de beige jas maakte.

Ten aanzien van feit 2:

Ten aanzien van feit 3:

1. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] (namens slachtoffer [slachtoffer 8] ) van 26 mei 2024, p. 7, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Ik ben namens de politie gemachtigd tot het doen van aangifte. Ik hoorde van Hulpofficier van Justitie [hulpofficier] dat er op zondag 26 mei 2024 een cel vernield was. Ik hoorde dat verdachte [verdachte] was ingesloten in het cellencomplex op de [adres 2] te Eindhoven. De verdachte zat ingesloten in cel 43. Ik hoorde dat cel 43 door verdachte [verdachte] onbruikbaar was gemaakt, doordat de verdachte bloed op de muren had uitgesmeerd. De cel kon hierdoor tijdelijk niet gebruikt worden en moest professioneel worden gereinigd.

2) Een proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2024, p. 28, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op 26 mei 2024 was ik werkzaam als hulpofficier van justitie op de [adres 2] te Eindhoven. Verdachte [verdachte] was ingesloten door andere verbalisanten. Ik heb verdachte voorgeleid en zag dat de muren van zijn cel, waarin hij geplaatst was, besmeurd waren met bloedstrepen.

Ten aanzien van parketnummer 01-045610-25:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Ten aanzien van parketnummer 01-094783-25:

Ten aanzien van feit 1:

1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] van 2 februari 2025, p. 7-8, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van mishandeling. Ik woon op de [adres 3] in Someren.

Op 3 februari om 1.00 was ik in een café in Someren. Ik en mijn vriendinnen zijn daar weggegaan en wij liepen naar mijn woning toe. Vervolgens zag ik dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] , verdachte) voor het raam stond van mijn woning. Ik zag dat hij met een platte hand naar mijn gezicht ging. Ik voelde dat hij met een platte hand op mijn linkerwang sloeg. Vervolgens probeerde ik op te staan. Ik zag dat hij met vuisten op mijn hoofd meerdere keren insloeg. Ik voelde een hevige pijn op mijn hoofd. Ik zag dat mijn vriendin [slachtoffer 7] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 7] ) erbij kwam staan en ik zag dat [verdachte] haar met een platte hand in haar gezicht sloeg. Vervolgens zag ik dat [verdachte] een krat pakte die op de grond in de gang stond. Ik zag dat hij deze in de richting van mijn hoofd sloeg met een zwaaiende beweging. Ik voelde dat de krat tegen mijn hoofd aan kwam en ik zag dat de krat kapot viel. Ik voelde hierdoor pijn aan mijn hoofd. Vervolgens zag ik en voelde ik dat ik een bult op mijn voorhoofd aan de rechterkant had.

2) Een proces-verbaal van bevindingen van 16 februari 2025, p. 43, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op 2 februari 2025 omstreeks 2.50 uur nam ik, verbalisant [verbalisant] , de aangifte op van [slachtoffer 6] . Hierin heb ik abusievelijk vermeld dat de mishandeling op 3 februari 2025 had plaatsgevonden. Dit had 2 februari 2025 moeten zijn.

3) Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] van 6 februari 2025, p. 11-12, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op 2 februari 2025 omstreeks 01.30 uur was ik samen met mijn vriendinnen [betrokkene] en [slachtoffer 6] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 6] ) in de woning van [slachtoffer 6] . Na ongeveer 15 minuten werd [slachtoffer 6] gebeld, door haar vriend. Ik ken zijn voornaam niet maar hij wordt [alias verdachte] genoemd. Ik hoorde dat hij in een telefoongesprek zei dat hij nu naar [slachtoffer 6] zou komen. Ik denk na ongeveer een kwartier, dat die ' [alias verdachte] ' voor de deur van de woning bij [slachtoffer 6] stond. Ik zag dat [alias verdachte] naar [slachtoffer 6] toeliep. Ik zag dat hij een krat pakte die in de gang stond. Ik zag dat hij met beide handen deze krat vastpakte en met een krachtige uithaal tegen het hoofd van [slachtoffer 6] aansloeg. Ik zag dat door de klap de krat stuk ging. Ik zag dat [slachtoffer 6] hierna op de grond viel. Ik zag dat [alias verdachte] vervolgens meerdere slagen richting het hoofd maakte van [slachtoffer 6] . Ik zag dat hij zich richting mij draaide. Ik zag dat hij zijn linkerarm naar achter haalde. Ik zag dat hij met kracht zijn linkerhand richting mijn gezicht haalde en mij sloeg. Ik zag dat dit met een vlakke hand was. Ik voelde meteen een enorm brandend gevoel op mijn rechter jukbeen.

Ten aanzien van feit 2:

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van parketnummer 01-171992-24, feit 1 (poging doodslag/poging zware mishandeling).

Gelet op de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 26 mei 2024 bevond verdachte zich in het uitgaansgebied van Stratumseind in Eindhoven. Op enig moment gaf hij [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), op de camerabeelden door de verbalisant beschreven als ‘de man in de beige jas’, een klap waardoor [slachtoffer 2] op de grond viel. Verdachte nam vervolgens een aanloop en trapte [slachtoffer 2] met een voetbaltrap met kracht tegen zijn hoofd, terwijl [slachtoffer 2] nog op de grond lag. Daarna sloeg verdachte hem tweemaal met een vuistslag tegen het hoofd. Verdachte maakte hierna een stampende beweging naar het hoofd van [slachtoffer 2] .

De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] . Door met kracht te trappen, te stampen en te slaan tegen het hoofd, terwijl algemeen bekend is dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] hierdoor zwaar lichamelijk letsel oploopt.

Gelet op bovenstaande komt de rechtbank, anders dan de raadsman, tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van parketnummer 01-171992-24, feit 3 (onbruikbaar maken cel).

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het in de zaak met parketnummer 01-171992-24 onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat de politiecel door het handelen van verdachte onbruikbaar is gemaakt. De rechtbank verwerpt dit verweer. Op basis van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte bloed op de muren van de politiecel heeft uitgesmeerd. Uit de aangifte van de verbalisant blijkt dat de politiecel hierdoor tijdelijk niet kon worden gebruikt en professioneel moest worden gereinigd. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de politiecel onbruikbaar heeft gemaakt.

De bewezenverklaring.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Op grond van het voorgaande, alsmede op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de opgesomde en uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van parketnummer 01-296782-25, primair:

op 4 september 2025 te Helmond

aan een ander, te weten [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel te weten een breuk in de oogkas en een neusfractuur en een hersenschudding heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] meermaals tegen het hoofd en lichaam te trappen en/of te slaan.

Ten aanzien van parketnummer 01-171992-24, feit 1 subsidiair:

op 26 mei 2024 te Eindhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2]

- meermaals met een gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen,

- tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag,

- meermaals tegen/op het hoofd heeft getrapt en geslagen, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag,

Ten aanzien van parketnummer 01-171992-24, feit 2:

op 26 mei 2024 te Eindhoven

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] in haar gezicht te spugen en haar te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] ten val is gekomen.

Ten aanzien van parketnummer 01-171992-24, feit 3:

op 26 mei 2024 te Eindhoven

opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel die aan [slachtoffer 8] toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt door bloed op de muren uit te smeren.

Ten aanzien van parketnummer 01-045610-25, feit 1:

op of omstreeks 3 juli 2024 te Ommel, gemeente Asten

opzettelijk en wederrechtelijk een hekwerk dat aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd.

Ten aanzien van parketnummer 01-045610-25, feit 2:

op 26 juli 2024 te Eindhoven

[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] in het gezicht te slaan.

Ten aanzien van parketnummer 01-094783-25, feit 1:

op 2 februari 2025 te Someren

[slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] heeft mishandeld door

- met een krat tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan,

- die [slachtoffer 6] meermaals met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan, en

- die [slachtoffer 7] in het gezicht te slaan.

Ten aanzien van parketnummer 01-094783-25, feit 2:

op 2 februari 2025 te Someren

opzettelijk en wederrechtelijk een auto die aan [slachtoffer 6] toebehoorde, heeft vernield.

De rechtbank constateert dat in de tenlastelegging van feit 2 in de zaak met parketnummer 01-045610-25 een onjuiste pleegplaats is vermeld, nu uit de aangifte blijkt dat de mishandeling niet in Ommel maar in Eindhoven heeft plaatsgevonden. Op basis van deze aangifte en het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer 5] bij de avondwinkel in Eindhoven was tegengekomen en haar toen heeft geslagen, overweegt de rechtbank dat de tenlastelegging op dit punt voor de verdediging voldoende duidelijk was en verdachte daardoor niet in de verdediging is geschaad. Om die reden heeft de rechtbank dit deel van de tenlastelegging verbeterd gelezen en deze verbetering in de bewezenverklaring doorgevoerd.

Voor zover in de tenlastelegging verder taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met als aanvulling daarop een contact- en locatieverbod zoals door slachtoffer [slachtoffer 1] is verzocht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een onvoorwaardelijk deel van ten hoogste zes maanden en een voorwaardelijk deel van minstens twaalf maanden of zoveel langer als de rechtbank noodzakelijk acht. Voorts heeft de raadsman verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat de behandeling die verdachte nodig heeft, direct kan aanvangen.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf - voor zover beschikbaar - rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan in totaal acht feiten, te weten zware mishandeling, poging tot zware mishandeling, meerdere mishandelingen en vernielingen.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), de nieuwe partner van zijn toenmalige ex-vriendin, zonder enige aanleiding op straat aangevallen, omdat hij naar eigen zeggen jaloers, boos en vernederd was. Verdachte trok [slachtoffer 1] uit de auto en trapte hem in zijn gezicht. [slachtoffer 1] viel hierdoor op de grond en werd vervolgens meerdere keren getrapt en/of geslagen op zijn hoofd en lichaam. Als gevolg van dit forse en explosieve geweld heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een oogkasfractuur, een neusfractuur en een hersenschudding. Uit de verklaring die de moeder van [slachtoffer 1] namens hem ter terechtzitting heeft voorgelezen volgt dat hij tot op heden nog steeds lichamelijke en psychische klachten ondervindt ten gevolge van dit feit. [slachtoffer 1] dient in maart 2026 te worden geopereerd aan zijn scheefstaande neus. Er is dus nog geen sprake van volledig herstel. Verdachte heeft door zo te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] .

Voorts veroorzaken dergelijke feiten, zeker als het feit plaatsvindt op de openbare weg en er mensen getuige van zijn, gevoelens van onveiligheid en onrust bij deze getuigen in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen. Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk en rekent de rechtbank verdachte aan.

Daarnaast heeft verdachte tijdens een uitgaansavond op Stratumseind in Eindhoven [slachtoffer 2] op zijn hoofd geslagen en getrapt, terwijl hij op de grond lag. Dit terwijl [slachtoffer 2] juist probeerde om verdachte rustig te krijgen, nadat hij op [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) had gespuugd en haar had geduwd. Door dit geweld in het uitgaansleven heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer 2] geen ernstiger letsel heeft opgelopen. Dergelijke delicten versterken bovendien de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid, zeker nu de incidenten hebben plaatsgevonden voor de deuren van uitgaansgelegenheden in het drukke nachtleven van Eindhoven. Het gaat hier dus om uitgaansgeweld. Dat vindt de rechtbank een strafverzwarende omstandigheid.

Verder heeft verdachte zijn partner, [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ), in haar woning mishandeld door meermalen met zijn vuisten en eenmaal met een krat op haar hoofd te slaan. [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ) probeerde verdachte rustig te krijgen, waarna verdachte haar met een vlakke hand in haar gezicht sloeg. Verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . Als strafverzwarende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat dit geweld in huiselijke sfeer heeft plaatsgevonden.

Ook een ex-vriendin van verdachte, aangeefster [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 5] ), heeft het geweld van verdachte moeten ondervinden. Zij kwam verdachte op straat tegen en werd door hem na een korte woordenwisseling met een vuist op haar gezicht geslagen. Dit gebeurde voor een nachtwinkel en in aanwezigheid van haar vriendin. Hiermee heeft verdachte ook een inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en gezondheid van [slachtoffer 5] .

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een drietal vernielingen.

Hij is naar de woning van [slachtoffer 6] gegaan en heeft daar de auto van [slachtoffer 6] compleet vernield door met een baksteen op deze auto in te slaan. Deze vernieling vond plaats in dezelfde nacht waarin verdachte [slachtoffer 6] heeft mishandeld.

Ook heeft verdachte het hekwerk gelegen voor de woning van [slachtoffer 5] vernield/beschadigd om het erf te kunnen betreden en heeft hij een politiecel onbruikbaar gemaakt door bloed op de muren uit te smeren. Door zo te handelen heeft verdachte geen respect getoond voor het eigendomsrecht van anderen en schade en overlast veroorzaakt.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte eerder is veroordeeld voor een mishandeling en meerdere vernielingen.

Daar komt bij dat verdachte een deel van de bewezenverklaarde feiten tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft gepleegd. Aan verdachte waren tevens twee eerdere voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd, waarvan nu de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. Desondanks heeft verdachte in een relatief korte periode meerdere misdrijven gepleegd, zoals voornoemd. De rechtbank zal hiermee in strafverzwarende zin rekening houden.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 13 januari 2026. Uit dit rapport volgt dat er op meerdere leefgebieden problemen zijn. Een eerder schorsingstraject heeft recidive niet kunnen voorkomen. Toch denkt de reclassering dat verdachte nog kan profiteren van een aanbod van de forensische GGZ, waar er ingestoken zal moeten worden op diagnostiek en gedragsverandering. Bij verdachte zal gewerkt moeten worden aan gedragsverandering om het risico op (gewelddadige) recidive te verminderen.

Het plan van aanpak van de reclassering omvat de volgende voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verbod verdovende middelen, alcoholverbod, dagbesteding en andere voorwaarden het gedrag betreffende. De reclassering heeft geadviseerd deze voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank heeft op de terechtzitting gezien dat verdachte gemotiveerd is om zich aan deze voorwaarden te houden en hulpverlening te accepteren.

De op te leggen straf.

Alles afwegende acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding en ter bescherming van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Een korter onvoorwaardelijk strafdeel zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De tijd die door verdachte in hechtenis is doorgebracht komt hierop in mindering.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. De rechtbank zal tevens als aanvullende voorwaarden een contact- en locatieverbod opleggen, zoals door [slachtoffer 1] is verzocht.

De bijzondere voorwaarden dienen niet alleen ter bevordering van stabiliteit in het leven van verdachte, maar zullen naar verwachting ook bijdragen aan het verminderen van de kans op nieuwe strafbare feiten.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen.

Gelet hierop en hetgeen hiervoor reeds is uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw dergelijke misdrijven zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis.

Gelet op het feit dat de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer

01-296782-25 voortduurt, ziet de rechtbank uit proceseconomische overwegingen aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 01-171992-24 op te heffen. De rechtbank acht het niet wenselijk dat de schorsing in die zaak voortduurt, nu verdachte gedetineerd blijft en het aan de schorsing verbonden toezicht feitelijk ook niet kan worden uitgevoerd. De rechtbank zal daarom het tegen verdachte verleende maar reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 01-171992-24 opheffen met ingang van heden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 770,00 euro aan materiële schade en een bedrag van 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De vordering is door de verdediging niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het

bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer 01-296782-25, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van 4.270,00 euro, bestaande uit 770,00 euro materiële schade en 3.500,00 euro immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 750,00 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De vordering is door de verdediging niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 01-171992-24 bewezenverklaarde, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van 750,00 euro, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 665,50 aan materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De vordering is door de verdediging niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 1 in de zaak met parketnummer 01-045610-25 bewezenverklaarde, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van 665,50 euro, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 585,00 aan materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De vordering is door de verdediging niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 2 in de zaak met parketnummer 01-045610-25 bewezenverklaarde, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van 585,00 euro, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2024 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01-375180-24.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken gelasten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01-331932-22.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig.

De omstandigheid dat het vonnis in deze zaak geruime tijd geleden is gewezen, staat aan toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging niet in de weg.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 50 dagen gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 300, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- spreekt verdachte vrij van het in parketnummer 01-171992-24 impliciet primair ten laste gelegde;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van parketnummer 01-296782-25, primair:

zware mishandeling.

Ten aanzien van parketnummer 01-171992-24,:

feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

feit 2:

mishandeling.

feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Ten aanzien van parketnummer 01-045610-25:

feit 1

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.

feit 2:

mishandeling.

Ten aanzien van parketnummer 01-094783-25:

feit 1:

mishandeling, meermalen gepleegd.

feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt hiervoor op de volgende straf.

T.a.v. 01-296782-25 primair, 01-045610-25 feit 1, feit 2, 01-094783-25 feit 1, feit 2, 01-171992-24 feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank stelt daarbij de volgende voorwaarden.

Als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 48 uur telefonisch nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, tel. 088-8041504, Polluxstraat 114 te Eindhoven. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

2. zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als mogelijk is laat behandelen door GGZ De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Er zal ingestoken moeten worden op diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. De behandeling start zo spoedig mogelijk na aanmelding middels Ifzo. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, agressiebeheersing, gedragsverandering en middelengebruik en eventuele andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

3. gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

4. gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kan ademonderzoek zijn. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

5. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

6.

- problemen/moeilijkheden/risico's direct bij de reclassering meldt en meewerkt aan het vinden van pro sociale oplossingen ervoor.

- actief samenwerkt met andere instanties die bij zijn traject betrokken raken.

- afstand neemt van zijn pro criminele levensstijl en een geregeld bestaan opbouwt.

7. op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren op [2000] .

8. zich niet in een straal van 1000 meter rondom het adres waarin de woning van het slachtoffer [slachtoffer 1] (geboren [2000] ) is gelegen, te weten (op dit moment) [adres 4] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

De politie houdt toezicht op naleving van het locatieverbod.

De rechtbank geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vorderingen van de benadeelde partijen

T.a.v. 01-296782-25 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 4.270,00 euro, bestaande uit 770,00 euro materiële schade en 3.500,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. 01-296782-25 primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 4.270,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 42 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 770,00 euro materiële schade en 3.500,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. 01-045610-25 feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 5] , van een bedrag van 665,50 euro, bestaande uit materiële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. 01-045610-25 feit 1:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 5] , van een bedrag van 665,50 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. 01-045610-25 feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 585,00 euro, bestaande uit materiële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. 01-045610-25 feit 1:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 585,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. 01-171992-24 feit 1 impliciet subsidiair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 750,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. 01-171992-24 feit 1 subsidiair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 750,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heft op het tegen verdachte verleende maar reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 01-171992-24, met ingang van heden.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling: Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 29 december 2022, gewezen onder parketnummer 01-331932-22, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 50 dagen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 26 maart 2025, gewezen onder parketnummer 01-375180-24, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. N. Flikkenschild en mr. S.V. Vullings, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,

en is uitgesproken op 2 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. N. Flikkenschild
  • mr. S.V. Vullings

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?