RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] uit [woonplaats] (hierna: verzoeker)
de burgemeester van de gemeente Oss (hierna: de burgemeester)
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/450
(gemachtigde: mr. Z. Yeral)
en
(gemachtigde: mr. Y. Celik).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 8 januari 2026 heeft de burgemeester besloten dat
verzoekers woning aan de [adres] in [woonplaats] op vrijdag 30 januari 2026 voor drie maanden zal worden gesloten.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij de burgemeester en op
9 februari 2026 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Voor het behandelen van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft de griffier griffierecht geheven.
Met een verweerschrift heeft de burgemeester gereageerd op het verzoek om een
voorlopige voorziening.
Omdat het hier gaat om een spoedprocedure, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat
het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld op de zitting van 19 februari 2026 om 11.00 uur. Dit is op 11 februari 2026 per mail aan partijen meegedeeld.
Verzoekers gemachtigde heeft vervolgens laten weten dat hij in de week van
16 februari 2026 tot en met 20 februari 2026 op vakantie is en dat hij geen vervanger heeft. De gemachtigde van de burgemeester heeft laten weten dat zij op 19 februari 2026 wel beschikbaar is, maar dat zij in de week van 23 februari 2026 tot en met 27 februari 2026 afwezig is.
De voorzieningenrechter heeft in wat partijen hebben laten weten, geen aanleiding
gezien om de behandeling van het verzoek te verplaatsen naar een andere datum. Dat is ook aan partijen meegedeeld en hun is daarbij in overweging gegeven om in te stemmen met schriftelijke afdoening van het verzoek.
Op 13 februari 2026 hebben partijen toestemming gegeven om uitspraak te doen op
grond van de op dat moment in het dossier aanwezig stukken. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en partijen hiervan op de hoogte gesteld.
Overwegingen
2. Allereest wijst de voorzieningenrechter erop dat iemand die een verzoek om voorlopige
voorziening indient, op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) griffierecht moet betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:82, tweede lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb, € 200,–. De griffier van de rechtbank stelt op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet op tijd wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht in redelijkheid niet aan verzoeker kan worden verweten.
Hoe is het in dit geval gegaan?
De griffier heeft met een aangetekende brief van 10 februari 2026 verzoeker de
gelegenheid gegeven om het griffierecht uiterlijk twee weken na 10 februari 2026 – dat is dus op 24 februari 2026 – te betalen.
Na afloop van de gestelde termijn was het griffierecht niet betaald.
De griffier heeft verzoekers gemachtigde gevraagd naar de reden voor het niet betalen
van het griffierecht. Het antwoord daarop van verzoekers secretaresse was dat de aangetekende nota hem niet heeft bereikt en dat hij dus niet op de hoogte was van de uiterste betaaldatum van het griffierecht.
De griffier heeft daarna onderzocht hoe de verzending van de nota is verlopen. Daaruit
is gebleken dat in Track & Trace van PostNL het volgende staat:
“(…)
Adres PostNL-punt
[naam]
[adres]
[plaats]
(…)
Pakket ligt klaar bij PostNL-punt
13 februari 11:40
13 februari 10:22
Verwacht bij PostNL-punt
12 februari 22:45
Pakket is ontvangen door PostNL
12 februari 15:59
Bezorging niet gelukt, pakket gaat naar PostNL-punt
12 februari 9:49
Bezorger is onderweg
12 februari 6:55
Zending is gesorteerd
11 februari 22:28
Pakket is ontvangen door PostNL
11 februari 3:10
Pakket is nog niet door PostNL ontvangen of verwerkt
(…)
Thuisadres ontvanger
[naam]
[adres]
[plaats]
Nederland
Track & trace-code
[nummer]
(…)”
De griffier heeft deze informatie naar verzoekers gemachtigde gestuurd, en gevraagd
verzocht om een reactie. Daarop heeft zijn secretaresse het volgende laten weten: “De aankondiging van het ophalen van een aangetekend stuk heeft ons niet bereikt. Dit zijn de feiten onzerzijds.”
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet er op grond van de hiervoor
vermelde informatie uit Track & Trace van PostNL van worden uitgegaan dat de nota griffierecht van 10 februari 2026 op diezelfde datum aangetekend is verstuurd naar het juiste adres van het kantoor van verzoekers gemachtigde, en dat de bezorging niet is gelukt. Ook moet ervan worden uitgegaan dat verzoekers gemachtigde had kunnen weten dat de aangetekende nota naar het genoemde PostNL-punt was gebracht, waar hij die nota had kunnen ophalen. Door alleen bloot te stellen dat de aangetekende nota hem niet heeft bereikt, heeft verzoekers gemachtigde volgens de voorzieningenrechter geen verschoonbare reden gegeven voor het niet (tijdig) betalen van het griffierecht.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening daarom
niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Omdat verzoeker(s gemachtigde) na afloop van de gestelde termijn het volledige
griffierecht toch nog heeft betaald, zal de griffier dat bedrag terugstorten.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 3 maart 2026.
griffier De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.