[eiser] uit [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Cranendonck, de heffingsambtenaar
(H.J.M. Venner).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde van de woning aan [adres] in [woonplaats] (de woning) niet te hoog is.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 21 februari 2025 vastgesteld op € 512.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2024 en voor het kalenderjaar 2025. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2025 opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 30 juni 2025 (de bestreden uitspraak) de waarde gehandhaafd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. Eiser is eigenaar van de woning. Dit is een vrijstaande villa/landhuis met bouwjaar 1977. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 197 m2, een aangebouwde garage van 24 m2 en een tuinhuis/blokhut van 12 m2. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 1.875 m2.
Beoordeling door de rechtbank
3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar de getaxeerde waarde van (afgerond) € 513.000, zoals opgenomen in de door hem overgelegde waardematrix, opgesteld door taxateur H.J.M. Venner. Daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. Dat betekent in dit geval dat de woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres] , [adres] en [adres] , alle in [woonplaats] . Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. In de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m2-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen.
Eiser heeft geen argumenten aangevoerd tegen de onderbouwing van de heffingsambtenaar. Eiser bepleit dat de WOZ-waarde van zijn woning moet worden vastgesteld op € 90.756 (ƒ 200.000) op basis van een op 23 mei 2002 tussen partijen opgemaakte overeenkomst. Eiser heeft dit ook in de procedures over onder meer de tijdvakken/kalenderjaren 2005-2006, 2009, 2012, 2013, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 aangevoerd. Dit heeft nimmer tot het door eiser beoogde resultaat geleid.
De vraag die wederom voorligt is of de heffingsambtenaar op grond van de in overweging 3.2. genoemde overeenkomst verplicht is de waarde vast te stellen op het door eiser genoemde bedrag. Eisers stelling dat dit het geval is, slaagt ook nu niet. Aangezien eiser volstaat met het herhalen van zijn overbekende standpunt en dat niet anders dan in voorgaande jaren onderbouwt, verwijst de rechtbank voor de redenen van dit oordeel naar wat de rechtbank, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad eerder hebben overwogen in de in overweging 3.2. aangehaalde uitspraken.
Eiser heeft verder aangevoerd dat hij de uitspraken van de rechtbank, gerechtshof en/of Hoge Raad onjuist acht en dat er geen sprake is van een onafhankelijke en eerlijke procesgang. Hij acht de uitspraken in strijd met de rechtsbeginselen in de (Grond)wet en met het Europees recht. Aan dit alles lijkt (uitsluitend) ten grondslag te liggen dat eiser de met hem gesloten overeenkomst anders interpreteert dan de heffingsambtenaar en de rechterlijke instanties. Naar het oordeel van de rechtbank treffen deze gronden van eiser, die verder niet zijn onderbouwd, geen doel.
4. Verder veroordeelt de rechtbank eiser in de proceskosten van de heffingsambtenaar, omdat eiser kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
De rechtbank heeft eiser er al in de procedure over belastingjaar 2019 op gewezen dat het jaar in jaar uit een procedure voeren over in essentie hetzelfde punt (zoals omschreven in overweging 3.2.) tot het oordeel leidt dat hij kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht. Eiser is daarbij ook gewaarschuwd dat hij om die reden kan worden veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar. De rechtbank is daartoe ook overgegaan in de procedure over belastingjaar 2020 en heeft een vergoeding toegekend voor de taxatie- en reiskosten van de heffingsambtenaar. De juistheid van dit oordeel is in hoger beroep door het gerechtshof bevestigd. Het gerechtshof heeft in dat kader onder andere overwogen: “Het hof maakt uit het hoger beroepschrift op dat het belanghebbende voornemens is om ‘tot persistit’ door te procederen om de naar zijn mening partijdigheid van de (bestuurs)rechtspraak en het vermeende onrechtmatige handelen van de gemeente en/of inspecteur van de Belastingdienst aan de kaak te stellen. Zonder nadelige financiële consequenties voor belanghebbende – naast het eventueel verschuldigd blijven van het geheven griffierecht – zou het blijven (door)procederen door belanghebbende verworden tot een loterij zonder nieten, hetgeen ten koste gaat van de toch al schaarse ambtelijke en rechterlijke capaciteit. Dit acht het hof zeer onwenselijk. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de rechtbank belanghebbende in haar uitspraak van 28 augustus 2020 heeft gewaarschuwd dat hij in de proceskosten van de heffingsambtenaar zou kunnen worden veroordeeld bij herhaling van het aanvoeren van dezelfde stellingen onder ongewijzigde omstandigheden, is het hof van oordeel dat de rechtbank belanghebbende terecht heeft veroordeeld in de door de heffingsambtenaar gemaakte taxatie- en reiskosten.”
De rechtbank is van oordeel dat eiser ook nu kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht, wat dus een voldoende grond oplevert om hem te veroordelen in de proceskosten van de heffingsambtenaar. Voor de onderbouwing van dat oordeel verwijst de rechtbank naar de hiervoor (in overweging 4.1.) aangehaalde rechtspraak. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten van de heffingsambtenaar betreffen de kosten van de door hem opgemaakte taxatie. De kosten daarvan worden bepaald op de in deze zaken gebruikelijke wijze op € 128,26 (t.w. 2 uren à € 53, vermeerderd met 21% BTW). (Vergoeding van reiskosten is in deze zaak niet aan de orde, aangezien er in beroep geen zitting heeft plaatsgevonden.)
5. De rechtbank overweegt met het oog op het verder vermijden van toekomstige procedures over het overbekende door eiser opgeworpen geschilpunt het volgende. De rechtbank heeft eiser na een waarschuwing eerder veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar. Dat gebeurt ook in deze procedure weer. De rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat deze waarschuwing en de inmiddels herhaalde tenuitvoerlegging daarvan geen effect hebben. Integendeel. In eisers processtukken is nu ook richting de rechterlijke macht sprake van een toenemend offensief taalgebruik en lijkt een radicalisering in eisers beleving waarneembaar, namelijk dat hij stelselmatig en ernstig tekort wordt gedaan nu de heffingsambtenaar, de rechtbank, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad niet in zijn subjectieve belevingswereld meegaan. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld staat het eiser op zich vrij om jaarlijks over de WOZ-waarde te procederen, maar niet om jaar in jaar uit enkel en alleen exact hetzelfde geschilpunt aan te voeren (al dat niet aangevuld met enkele algemeenheden). Gelet hierop ziet de rechtbank zich genoodzaakt eiser een verdergaande negatieve (financiële) consequentie in het vooruitzicht te stellen als hij met het voeren van deze procedures blijft doorgaan waarin het herhalen van overbekende standpunten centraal staat. In toekomstige zaken waarin dit gebeurt kan de rechtbank aan het handelen van eiser de consequentie verbinden van een aanvullende proceskostenvergoeding voor de heffingsambtenaar. De hoogte van die aanvullende proceskostenvergoeding zal dan door de rechtbank worden vastgesteld. Ter indicatie kan eiser rekening houden met een bedrag van € 500.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Verder wordt eiser veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar van € 128,26.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als een partij niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.