RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.860429.17
Datum uitspraak: 4 maart 2026 (ontneming)
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1949] ,
wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.
1. Het onderzoek op de terechtzitting.
Het onderzoek in de ontnemingszaak is gehouden op de terechtzitting van 4 februari 2026.
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een standpuntwisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de volgende stukken:
De rechtbank heeft ter terechtzitting kennisgenomen van de nadere standpunten van de officier van justitie mr. H.A.A. Vrijhoeven en van de raadsman van de veroordeelde mr. C.A.D. Oomes.
2. De vordering.
De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel schat en vaststelt op een bedrag van € 657.214,70 en aan de veroordeelde de hoofdelijke verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
3. De standpunten.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht het aanhoudingsverzoek van de verdediging af te wijzen, gelet op de samenhang van de ontnemingsvorderingen in dit onderzoek. Het is wegens het lange tijdsverloop in het belang van alle partijen dat de zaak wordt afgedaan.
Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 32.860,73. Dit betreft vijf procent van het oorspronkelijke bedrag zoals opgenomen in het hiervoor genoemde ontnemingsrapport. Dit percentage is passend bij de rol die veroordeelde bij het drugslaboratorium heeft gehad, namelijk het verrichten van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De door veroordeelde betaalde sanerings- en energiekosten dienen niet te worden afgetrokken. Ten slotte heeft de officier van justitie verzocht af te zien de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft ter terechtzitting primair verzocht de behandeling van de ontnemingsvordering aan te houden totdat het Gerechtshof opnieuw arrest heeft gewezen.
Subsidiair heeft de raadsman - overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnota -bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde enig wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Veroordeelde heeft immers bij het drugslaboratorium geen actieve rol gehad. Daar komt bij dat veroordeelde reeds in totaal € 70.378,95 aan saneringskosten heeft betaald, waardoor sprake is van een negatief ‘voordeel’.
4. De beoordeling van de vordering.
De grondslag van de vordering.
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 21 juni 2018 veroordeeld voor
het medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, begaan in eendaadse samenloop met het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft dit vonnis bij arrest van 4 juli 2024
bevestigd. Bij arrest van 9 september 2025 heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof vernietigd en de zaak terugverwezen.
De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking voornoemde door de rechtbank bewezenverklaarde feiten.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten dan wel soortgelijke feiten dan wel andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten dat afkomstig is uit zijn strafrechtelijke betrokkenheid bij het aangetroffen drugslaboratorium. Door de recente cassatie staat echter nog niet vast tot welk(e) strafba(a)r(e) feit(en) het gerechtshof Gerlach uiteindelijk zal oordelen.
Hij heeft zijn loods ten behoeve van het drugslaboratorium ter beschikking gesteld. Het is een feit van algemene bekendheid dat tegenover het verrichten van dergelijke handelingen, onder meer gezien de daaraan verbonden (strafrechtelijke) risico’s, een (soms: aanzienlijke) financiële beloning staat. Dát veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast.
De rechtbank zal vervolgens de hoogte van dit voordeel moeten vaststellen. In dit kader
stelt de rechtbank voorop dat hier sprake is van een ongelijktijdige behandeling van de hoofdstrafzaak en de ontnemingsvordering. Daardoor beschikt de rechtbank niet tot het dossier en de bewijsmiddelen waar de bewezenverklaring in onderhavige zaak op is gebaseerd. In de ontnemingsrapportage is bovendien enkel een berekening gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat het drugslab gegenereerd zou hebben. De rechtbank is van oordeel dat zij enkel op basis van het rapport niet kan vaststellen welk voordeel Gerlach (of de overige veroordeelden) hebben genoten. Tevens ontbreekt in het dossier enig onderzoek naar mogelijk onverklaarbaar vermogen van veroordeelde en andere betrokkenen. Dat maakt dat er onvoldoende aanknopingspunten voorhanden zijn om vast te kunnen stellen welk deel van de opbrengst in het vermogen van veroordeelde is gevloeid en welk deel in het vermogen van de mededaders. De door de officier van justitie ter zitting gedane schatting van vijf procent van het totaal gegenereerde voordeel zoals berekend in het ontnemingsrapport, is in het geheel niet onderbouwd en daardoor niet bruikbaar als basis voor een (realistische) schatting van het wederrechtelijk genoten voordeel. Evenmin bestaat aanleiding om te veronderstellen dat veroordeelde en de aangehouden mededaders gezamenlijk geprofiteerd hebben van het gehele voordeel; er zijn ook onbekend gebleven derden betrokken geweest bij de strafbare gedragingen in het aangetroffen drugslaboratorium.
Veroordeelde heeft verklaard dat hij eenmalig € 600 huur heeft ontvangen. Gelet op de omvang van het drugslaboratorium, acht de rechtbank dit bedrag niet aannemelijk. Zij gaat ervan uit dat veroordeelde een (duidelijk) hoger bedrag heeft ontvangen.
De rechtbank heeft in de zaak van medeveroordeelde [medeverdachte] het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 7.000. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit bedrag had ontvangen voor zijn (beperkte) werkzaamheden in het drugslaboratorium. De rechtbank zal dit bedrag in deze zaak als vertrekpunt nemen, nu het dossier geen andere duidelijke aanknopingspunten bevat. Vast staat dat veroordeelde - zoals blijkt uit het vonnis - met betrekking tot het drugslab een kleinere rol heeft gehad dan [medeverdachte] . Zo is hij zelf niet direct betrokken geweest bij de productie van de synthetische drugs. Daaruit volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in onderhavige zaak op een lager bedrag dient te worden vastgesteld. De rechtbank acht hierbij de helft van dat bedrag, te weten € 3.500, aannemelijk en passend.
Gelet op voorgaande stelt de rechtbank het door veroordeelde geschatte genoten voordeel in beginsel vast op € 3.500.
De redelijke termijn.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in de ontnemingszaak als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 22 mei 2018, de datum waarop het Openbaar Ministerie in eerste aanleg kenbaar heeft gemaakt dat er een ontnemingsvordering zou worden ingediend. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf jaren en negen maanden is overschreden. De rechtbank zal hiermee rekening houden door het hierboven vastgestelde bedrag, kijkend naar vergelijkbare jurisprudentie, te matigen met 25 procent. Dat resulteert in een bedrag van (€ 3.500 min 25% =) € 2.625.
De verplichting tot betaling.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat veroordeelde kosten heeft gemaakt ten behoeve van
de sanering van het drugslaboratorium en de vervuiling op zijn terrein, ter hoogte van € 70.378,95. De rechtbank stelt vast dat dit kosten zijn die in rechtstreeks verband staan tot de bewezenverklaarde feiten.
Nu het bedrag van deze kosten hoger is dan het genoten voordeel is de rechtbank van oordeel dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld.
Gelet hierop zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toewijzen maar de betalingsverplichting vaststellen op nihil.
Overige verweren.
De verdediging heeft tevens een aanhoudingsverzoek gedaan. De rechtbank laat dit punt buiten beschouwing, gelet op de beslissing die zij ten aanzien van de ontnemingsvordering neemt.
5. Toegepaste wettelijke bepalingen.
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing.
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 3.500,00;
- stelt het bedrag tot betaling aan de Staat ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil;
- wijst de vordering van het Openbaar Ministerie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,
en is uitgesproken op 4 maart 2026.