ECLI:NL:RBOBR:2026:1330

ECLI:NL:RBOBR:2026:1330

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 01/086115/22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Procesafspraken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het overtreden van de Opiumwet en het medeplegen van de handel in harddrugs. Rekening is gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De rechtbank is van oordeel dat de voorgestelde afdoening recht doet aan de zaak. Afwijzing vordering tot herroeping v.i.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.086115.22 en 99.000591.45 (VI-zaak)

Datum uitspraak: 06 maart 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juli 2022, 7 juni 2024, 13 mei 2025, 15 mei 2025, 2 december 2025 en 20 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 juni 2022.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 mei 2025 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2020 tot en met 6 april 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

t.a.v. feit 2:

hij in of omstreeks de periode 1 december 2020 tot en met 6 april 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne en/of een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstellingen (hierna te noemen: herroeping VI).

De zaak met v.i. zaaknummer 99.000591.45 is aangebracht bij vordering van 12 mei 2022.

Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van in totaal 250 dagen van de 5 maanden gevangenisstraf, opgelegd bij arrest d.d. 3 november 2020 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, en de gevangenisstraf van 20 maanden, opgelegd bij vonnis d.d. 23 juni 2017 van deze rechtbank. De executie van beide opgelegde straffen heeft gezamenlijk in één detentieperiode plaatsgevonden.

De veroordeelde is op 12 september 2021 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast zijn aan de invrijheidstelling bijzondere voorwaarden gekoppeld.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Het Openbaar Ministerie en de verdachte hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst, die door de verdachte, de raadsvrouw van de verdachte en de officier van justitie is ondertekend op 23 oktober 2025. Deze overeenkomst bevindt zich in het dossier.

De beoordeling van de overeenkomst.

De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).

De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Nillesen en dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen weten dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. De rechtbank heeft kennisgenomen van de procesafspraken die de verdachte en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn door de rechtbank met de verdachte besproken. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.

De rechtbank constateert dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank stelt vast dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan de verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces.

De overeenkomst houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:

Verder is overeengekomen dat:

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en eventuele bewijsoverwegingen opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

t.a.v. feit 1:

in de periode van 1 december 2020 tot en met 6 april 2022 te Eindhoven en Helmond, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid Opiumwet;

t.a.v. feit 2:

in de periode 1 december 2020 tot en met 6 april 2022 te Eindhoven en Helmond tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist – conform de overeenkomst – een gevangenisstraf voor de duur van 835 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 730 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast eist zij oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet (naar behoren) wordt verricht.

Ten slotte vordert de officier van justitie afwijzing van de aanhangig gemaakt vordering herroeping VI.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht zich aan te sluiten bij de overeenkomst.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het overtreden van de Opiumwet en het medeplegen van de handel in harddrugs.

De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door de verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. Onderdeel van de afspraken is het vorderen van de afwijzing van de aanhangig gemaakte vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat de voorgestelde afdoening recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt.

Van de voorgestelde afdoening kan niet gezegd worden dat deze niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, zoals deze blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het afdoeningsvoorstel.

De rechtbank zal daarom een straf opleggen die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling afwijzen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid van de Opiumwet

t.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1, feit 2:

een gevangenisstraf voor de duur van 835 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 730 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En

een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Heft op het tegen verdachte verleende - en per 18 juli 2022 geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Wijst af de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.-nummer 99.000591.45) van het Openbaar Ministerie d.d. 12 mei 2022.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Bartels, voorzitter,

mr. W.M.T. Keukens en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 06 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.E. Bartels
  • mr. W.M.T. Keukens
  • mr. S.A.E.M. Rampaart

Griffier

  • mr. F.H.R.M. Robbers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?