RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.058495.25
Datum uitspraak: 06 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
waardoor (een) ander(en) (genaamd [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten onder meer hersenletsel (mevrouw [betrokkene 1] ) en/of een hersenschudding en/of pijnklachten en/of bloeduitstortingen (mevrouw [betrokkene 2] ), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 januari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Kia), daarmede rijdende over de weg, te weten de Hustenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, aldaar,
- met een te, althans zeer, hoge snelheid althans een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan (te weten circa 115 tot 120 kilometer per uur, terwijl op die weg een maximum snelheid van 80 kilometer per uur gold), in elk geval met een hogere snelheid dan ter plaatse voor veilig verkeer verantwoord was, te rijden en/of
- tijdens het besturen van de personenauto niet voldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de veiligheid en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of niet, althans in onvoldoende mate te letten en/of blijven letten op de (direct) voor verdachte gelegen weg en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of
- een personenauto (bestuurd door [betrokkene 1] ) niet en/of niet tijdig op te merken en/of
- (vervolgens) in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze te regelen dat hij verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- (vervolgens) met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen een personenauto (bestuurd door [betrokkene 1] ) aan te rijden en/of te botsen,
en/of
hij op of omstreeks 13 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Kia), daarmee rijdende op de weg, te weten de Hustenweg, aldaar
- met een te, althans zeer, hoge snelheid althans een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan (te weten circa 115 tot 120 kilometer per uur, terwijl op die weg een maximum snelheid van 80 kilometer per uur gold), in elk geval met een hogere snelheid dan ter plaatse voor veilig verkeer verantwoord was, heeft gereden en/of
- tijdens het besturen van de personenauto niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de veiligheid en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de (direct) voor verdachte gelegen weg en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of
- een personenauto (bestuurd door [betrokkene 1] ) niet en/of niet tijdig heeft opgemerkt en/of
- (vervolgens) in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze heeft geregeld dat hij verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- (vervolgens) met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen een personenauto (bestuurd door [betrokkene 1] ) is aangereden en/of gebotst,
waardoor (een) ander(en) (te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ) letsel heeft/hebben bekomen
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het als overtreding van artikel 6 WVW ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie stelt dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte. De officier van justitie licht toe dat de cumulatieve wijze van ten laste leggen inmiddels achterhaald is en begrepen moet worden als primair/subsidiair, waardoor zijn standpunt is dat niet wordt toegekomen aan de ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW.
Het standpunt van de verdediging. De verdediging gaat uit van de als cumulatief opgestelde tenlastelegging. De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat is toegespitst op artikel 6 WVW. Subsidiair voert de verdediging aan, dat ‘slechts’ sprake is van de schuldgradatie aanmerkelijke onvoorzichtigheid/ onoplettendheid, dat het letsel van [slachtoffer 1] kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel en dat van [slachtoffer 2] als letsel dat tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor wat betreft artikel 5 WVW refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt voor wat betreft de gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt over de toedracht van het ongeval het volgende vast.
Op zondag 13 oktober 2024 omstreeks 21:03 uur is verdachte rijdend op de Hustenweg, een voorrangsweg waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur geldt, met zijn voertuig (een Kia) in botsing gekomen met het voertuig (een Fiat) van [slachtoffer 1] (bestuurder, hierna te noemen ‘ [slachtoffer 1] ’) en [slachtoffer 2] (bijrijder, hierna te noemen ‘ [slachtoffer 2] ’), komend vanaf de Empelsehoefweg. Verdachte is met de voorkant van zijn auto tegen de linkerflank van de Fiat gebotst. Het was op dat moment donker. De Hustenweg was ter hoogte van de aanrijroute van verdachte grotendeels onverlicht en het zicht op de rijstrook van de slachtoffers (en vice versa) werd belemmerd door bomen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden de Hustenweg op en wilden linksaf slaan in de tegengestelde richting van die waarin verdachte reed. Hiervoor moesten zij de rijstrook van verdachte oversteken. Zij hebben de lichten van het voertuig van verdachte gezien, maar hebben de inschatting gemaakt dat zij de weghelft van verdachte nog konden oversteken voordat de auto van verdachte hen zou bereiken.
Uit de voertuigdata van de Kia, ondersteund door berekeningen op basis van videobeelden, blijkt dat verdachte de plaats van het ongeval genaderd is met een snelheid van 114 tot 118 kilometer per uur (vijf seconden voor het ongeval) oplopend tot 118 kilometer per uur (anderhalve seconde voor het ongeval). Ten tijde van de botsing had de auto nog een snelheid van ten minste 82 kilometer per uur. Het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bevond zich ten tijde van de botsing op de rijstrook van verdachte. De voorkant van het voertuig van verdachte heeft het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter hoogte van het bestuurdersportier getroffen.
Uit een vermijdbaarheidsanalyse is gebleken dat verdachte ruim voor de plaats van het ongeval tot stilstand had kunnen komen, indien hij had gereden met de toegestane maximumsnelheid van 80 km/u. De botsing zou dan niet hebben plaatsgevonden.
Welk verkeersgedrag heeft verdachte vertoond?
De rechtbank stelt vast dat verdachte de plaats van het ongeval heeft benaderd, terwijl hij de daar geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met 34 tot 38 kilometer per uur overschreed. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte met deze snelheid niet in staat is geweest om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en om adequaat op onverwachte situaties te reageren, zoals de situatie waarin een medeweggebruiker geen voorrang zou verlenen.
De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte onoplettend is geweest en zijn aandacht onvoldoende op de weg heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat hij eerder zijn telefoon in de hand heeft gehad, maar dat hij zijn telefoon had weggelegd voordat hij de Hustenweg op reed. Deze verklaring lijkt te worden bevestigd door de data die bij het uitlezen van zijn telefoon is verkregen. Er is niet gebleken dat verdachte daarna nog op een andere wijze onoplettend is geweest.
De rechtbank kan ook niet vaststellen dat verdachte heeft verzuimd om het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ‘tijdig’ op te merken, in die zin dat verdachte het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] eerder had kunnen opmerken als hij beter had opgelet.
Daarmee bestaat het verwijtbare verkeersgedrag van verdachte uit de ruime overschrijding van de maximumsnelheid en het daardoor niet in staat zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien.
Heeft verdachte schuld aan het ongeval?
Om te bepalen of verdachte ‘schuld’ heeft aan het verkeersongeval moet de rechtbank beoordelen of verdachte in zijn handelen aanmerkelijk tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Er moet ook blijken van gevaar voor een verkeersongeval dat door het gedrag van verdachte substantieel is verhoogd (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398). Indien een andere weggebruiker (eigen) schuld heeft aan het ongeval, heft het (eigen)schuldaandeel van de slachtoffers de schuld van verdachte over het algemeen niet op (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 oktober 2003, VR 2004/64). Het is – met andere woorden – mogelijk dat de bestuurders van twee botsende voertuigen allebei schuld hebben aan een ongeval.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het ongeval. Daarbij neemt zij in aanmerking dat een gemiddelde andere weggebruiker zich houdt aan de verkeersregels en aldus op de plaats van het ongeval de maximumsnelheid van 80 kilometer per uur niet met 34 tot 38 kilometer per uur zou overschrijden en er wel voor zou zorgen dat hij zijn voertuig tot stilstand zou kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien was. Het daarvan afwijkende gedrag van verdachte heeft de kans op een verkeersongeval substantieel verhoogd. Uit de vermijdbaarheidsanalyse blijkt immers dat het ongeval voorkomen had kunnen worden als verdachte zich aan de maximumsnelheid zou hebben gehouden.
De rechtbank heeft er oog voor dat verdachte op een voorrangsweg reed en dat [slachtoffer 1] hem voorrang had moeten verlenen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank niet van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de inschattingsfout van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig of grotendeels te wijten is aan de snelheidsovertreding van verdachte. Het voorgaande doet echter niet af aan het schuldverwijt aan verdachte. Verdachte moest immers, zoals elke verkeersdeelnemer, in zekere mate rekening houden met mogelijke verkeersfouten van andere verkeersdeelnemers, zoals het niet verlenen van voorrang, en ervoor zorgen dat hij daar adequaat op zou kunnen reageren. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat verdachte in het donker reed en het zicht op de zijwegen door de aanwezige bomen werd belemmerd.
Door onder deze omstandigheden toch de maximumsnelheid met 34 tot 38 kilometer per uur te overschrijden heeft verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om adequaat te kunnen reageren op onverwachte verkeerssituaties.
Welke mate van schuld?
De rechtbank kwalificeert het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig.
Welk letsel kan bij de slachtoffers worden vastgesteld?
Niet ter discussie staat dat [slachtoffer 1] als gevolg van het verkeersongeval uitzonderlijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer 1] heeft ernstige hersenschade opgelopen met als gevolg vergaande fysieke en cognitieve beperkingen met gevolgen op alle domeinen van haar functioneren. Zij heeft een intensief revalidatietraject gevolgd en het is onduidelijk in hoeverre verdere verbetering zal optreden in haar beperkingen.
De rechtbank is verder van oordeel dat – hoewel van een andere orde van grootte – ook ten aanzien van [slachtoffer 2] sprake is van zwaar lichamelijk letsel. [slachtoffer 2] heeft aan het ongeval onder meer chronische pijnklachten overgehouden die voortkomen uit lichamelijk letsel (een verhoogde gevoeligheid voor pijnprikkels in het ruggenmerg en hersenen). Ten gevolge van haar klachten heeft [slachtoffer 2] haar werkzaamheden als handhaver moeten staken. Sinds het ongeval is sprake geweest van een langere periode van beperkt herstel en het is nog altijd onzeker of en in hoeverre [slachtoffer 2] volledig zal herstellen. Daarmee is het letsel van [slachtoffer 2] naar het oordeel van de rechtbank als “zwaar” aan te merken.
Artikel 5 WVW
Gelet op de hierna te geven bewezenverklaring, is de rechtbank van oordeel dat het op artikel 5 WVW toegespitste deel van de tenlastelegging niet van betekenis is en geen verdere beoordeling behoeft.
De bewezenverklaring.
waardoor anderen, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , zwaar lichamelijk letsel, te weten onder meer hersenletsel (mevrouw [betrokkene 1] ) en een hersenschudding en pijnklachten en bloeduitstortingen (mevrouw [betrokkene 2] ) is ontstaan.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 13 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Kia), daarmede rijdende over de weg, te weten de Hustenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig aldaar,
- met een te hoge snelheid, te weten circa 114-118 kilometer per uur, terwijl op die weg een maximum snelheid van 80 kilometer per uur gold, te rijden en
- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze te regelen dat hij, verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- vervolgens met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen een personenauto (bestuurd door [betrokkene 1] ) aan te rijden,
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist oplegging van een taakstraf voor de duur van 160 uur, te vervangen door 80 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet (naar behoren) wordt verricht. Daarnaast eist de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de inmiddels verstreken periode van 16 maanden sinds het ongeval. In geval van een veroordeling voor artikel 6 WVW meent de verdediging dat een (deels) voorwaardelijke taakstraf in combinatie met een (deels) voorwaardelijke rijontzegging een passende wijze van afdoening is.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst en gevolgen van het feit.
Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan een ruime overschrijding van de maximumsnelheid. Als gevolg daarvan is verdachte niet in staat geweest om tijdig te stoppen voor overstekend verkeer. Met zijn handelen heeft verdachte de veiligheid van zichzelf en zijn medeweggebruikers ernstig in gevaar gebracht.
Het verkeersongeval heeft ernstige en blijvende gevolgen voor de slachtoffers, zoals zij tijdens de zitting in het kader van hun spreekrecht naar voren hebben gebracht.
[slachtoffer 1] was ten tijde van het verkeersongeval een sociale en fitte jonge vrouw met een rooskleurige toekomst. [slachtoffer 1] had een eigen bedrijf als content creator. Zij ging op kamers en volgde een studie communicatie. Door het verkeersongeval heeft [slachtoffer 1] ernstige hersenschade opgelopen en zij is ernstig beperkt geraakt in het gebruik van haar linkerarm, oog en been. [slachtoffer 1] heeft opnieuw moeten leren praten, eten, drinken, lopen en aankleden. Bij veel dagelijks handelingen heeft [slachtoffer 1] de hulp van haar naasten nodig. [slachtoffer 1] wordt steeds opnieuw geconfronteerd met haar beperkingen, doordat zij snel overprikkeld raakt, niet snel genoeg kan lopen, door het vergeten van boodschappen en doordat zij niet meer de kleding en schoenen kan dragen waar zij zich prettig in voelt. Het besef dat [slachtoffer 1] met haar beperkingen verder moet leven is heel heftig voorhaar en haar naasten. Er is sprake van boosheid richting verdachte en het verdriet van [slachtoffer 1] en haar familie en vrienden is enorm.
[slachtoffer 2] ervaart chronische pijn en heeft ademhalingsproblemen, waarvoor zij nog altijd therapieën volgt. [slachtoffer 2] heeft haar werkzaamheden als handhaver moeten staken. Inmiddels is duidelijk dat zij die werkzaamheden niet meer kan oppakken. Doordat de klachten van [slachtoffer 2] voor de buitenwereld niet opvallen, heeft [slachtoffer 2] het gevoel dat zij zich moet verantwoorden voor haar beperkingen. Dit is voor haar een eenzaam proces.
Persoonlijke omstandigheden.
Uit de Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Uit het reclasseringsrapport van 28 januari 2026 en uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat het ongeval ook voor verdachte en zijn familie zeer ingrijpend is geweest. Verdachte worstelt enorm met het lot van de slachtoffers. Hij kan sinds het ongeval niet meer in dezelfde mate als voorheen genieten van zijn gezin en kampt met psychische klachten, waarvoor hij onder behandeling staat bij een psycholoog.
De rechtbank weegt mee dat verdachte schuldbesef, berouw en medeleven met de slachtoffers heeft getoond. Direct na het ongeval heeft hij zich, ondanks zijn eigen verwondingen, allereerst om de slachtoffers bekommerd en geprobeerd om hulp te verlenen. Ook tijdens het politieverhoor heeft hij vooral aandacht gehad voor het lot van de slachtoffers. Bij verdachte bestond en bestaat nog steeds een sterke behoefte aan contact met de slachtoffers. Deze behoefte is niet wederzijds en de raadsman van verdachte heeft ter zitting aangegeven dat verdachte de wens van de slachtoffers om geen contact te hebben, zal respecteren. Verdachte was door de confrontatie met de slachtoffers ter zitting en hun verklaringen kenbaar aangedaan.
Ten nadele van verdachte weegt mee dat hij ten tijde van het ongeval werkzaam was en nog altijd is als politieagent. Verdachte heeft in die hoedanigheid een voorbeeldfunctie. Bovendien weet hij vanuit zijn opleiding en ervaring bij de politie dat verkeersfouten, zoals nu door hem zelf gemaakt, ernstige gevolgen kunnen hebben. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om het gedrag te vertonen waar hij anderen in zijn functie op aanspreekt.
De rechtbank zal tot slot meewegen dat verdachte door zijn werkgever disciplinair is gestraft.
De op te leggen straffen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.
Uit de oriëntatiepunten volgt dat een taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 6 maanden in beginsel een passende straf is voor het met aanmerkelijke schuld veroorzaken van een verkeersgeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank neemt in aanmerking dat in dit geval sprake is van twee slachtoffers en dat het letsel van [slachtoffer 1] als buitengewoon zwaar en ernstig wordt beschouwd
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 160 uur passend en geboden is. Deze taakstraf zal worden vervangen door 80 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging op van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Nu verdachte geen eerdere verkeersovertredingen op zijn documentatie heeft, hij aan zijn rijvaardigheid gewerkt heeft en het rijbewijs van essentieel belang is om zijn werk uit te kunnen voeren, zal de rechtbank deze rijontzegging voorwaardelijk opleggen.
De rechtbank realiseert zich dat de hiervoor genoemde straffen niet in verhouding staan tot het leed van de slachtoffers. De straf is echter in hoge mate gebaseerd op het soort verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt. Er is geen sprake van opzettelijk handelen, maar van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
Al met al volgt de rechtbank bij de strafoplegging de eis van de officier van justitie.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
De rechtbank:
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar; en
- legt op de volgende straffen:
een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis
en
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 06 maart 2026.