RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-408765-24
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,
ingeschreven en gedetineerd te [verblijfplaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2025, 1 juli 2025, 8 september 2025, 4 december 2025 en 5 februari 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is op 24 februari 2026 gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
In het vonnis zullen, zoals ook in de tenlastelegging en gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebeurd, alleen voornamen van slachtoffers in combinatie met een geboortejaar worden gebruikt als aanduiding.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 februari 2025.
Op de zitting van 8 september 2025 is de tenlastelegging gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1:
in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 oktober 2017 zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 3] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam;
feit 2:
primair: in de periode van 1 januari 2021 tot en met 6 september 2022 zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] ;
subsidiair: in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 november 2021 zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam;
feit 3:
in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2024 zich schuldig heeft gemaakt aan het bewegen van een persoon beneden de leeftijd van zestien jaren tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, te weten:
- [slachtoffer 2] ;
- [slachtoffer 3] ;
- [slachtoffer 4] ;
- [slachtoffer 5] ;
- [slachtoffer 6] ;
- [slachtoffer 7] ;
- [slachtoffer 8] ;
- [slachtoffer 9] ;
- [slachtoffer 10] ;
- [slachtoffer 11] ;
- [slachtoffer 12] ;
- [slachtoffer 13] ;
- [slachtoffer 14] .
feit 4:
in de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 januari 2025 zich schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen, verwerven en bezitten van en toegang verschaffen tot kinderporno en dat hij van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag
Inleiding
Op 21 april 2024 is door de moeder van [slachtoffer 2] contact opgenomen met de politie. In dat gesprek heeft zij kenbaar gemaakt dat haar dochter, destijds 13 jaar oud, via Snapchat op verzoek van het tegencontact ‘ [accountnaam 1 verdachte] ’ een naaktfoto van zichzelf had gedeeld, alsmede van de gebruiker van dit account foto’s van een mannelijke geslachtsdeel had ontvangen. Nadat zij het account had verwijderd, werd zij toegevoegd door een ander account ‘ [accountnaam 2 verdachte] ’. Van de gebruiker van dit account ontving zij de naaktfoto die zij eerder naar ‘ [accountnaam 1 verdachte] ’ had gestuurd, met daarbij de tekst ‘als je niet doet wat ik of wij willen gaan wij deze foto delen’, aldus de moeder van [slachtoffer 2] . Vervolgens heeft de moeder van [slachtoffer 2] op 23 april 2024 aangifte gedaan.
Na onderzoek van de politie bleek het aan de Snapchataccounts gekoppelde IP-adres te zijn gekoppeld aan de verdachte en zijn BRP-adres. Bij doorzoeking van de woning van de verdachte zijn meerdere gegevensdragers inbeslaggenomen waar bij nader onderzoek belastend materiaal op is aangetroffen. In januari 2025 is de verdachte aangehouden, is de woning nogmaals doorzocht en is op gegevensdragers opnieuw belastend materiaal aangetroffen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de vier tenlastegelegde feiten met betrekking tot vijftien slachtoffers variërend in leeftijd van 9 tot 16 jaar.
De verdachte heeft ten aanzien van de feiten 3 en 4 een grotendeels bekennende verklaring afgelegd. De feiten 1 en 2 worden door hem ontkend.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van feit 3 voor zover dit ziet op [slachtoffer 8] . Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit voor het onderdeel dat betrekking heeft op het afdreigen van [slachtoffer 3] tot het plegen van ontuchtige handelingen. Voor het overige heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.
Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsminimum
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat in een zedenzaak zich vaak de situatie voordoet dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig (zouden) zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat hun verklaringen niet of niet volledig overeenkomen. Bij een (deels) ontkennende verdachte, brengt dit in een aantal gevallen mee dat de verklaring van het slachtoffer als enig bewijsmiddel voorhanden is.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De rechtbank ziet zich ten aanzien van feit 1 en 2 voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft verklaard dat zij via Snapchat naaktfoto’s naar iemand had gestuurd en had ontvangen en zij er uiteindelijk achter kwam dat de verdachte achter dit account zat. Zij hebben een bepaalde periode online contact met elkaar gehouden, waarna er, zo verklaart [slachtoffer 1] , op enig moment, toen zij 15 of 16 jaar oud was, op initiatief van verdachte seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen haar en de verdachte in zijn bedrijfspand.
De rechtbank overweegt dat de verdachte het ontvangen van en sturen van naaktfoto’s naar [slachtoffer 1] ook heeft erkend (de rechtbank: zoals hierna bewezen onder feit 4). Naar het oordeel van de rechtbank kan die verklaring van de verdachte echter in het concrete geval geen steun bieden voor het bewijs van het onder feit 2 ten laste gelegde. Als mogelijk steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] heeft de rechtbank de verklaring van de getuige [getuige] in ogenschouw genomen; het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank geen andere verklaringen of bevindingen waarin de verklaring van [slachtoffer 1] steun kan vinden. [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem heeft verteld dat zij zich een moment alleen in een ruimte bevond met de verdachte, en dat ze er vanaf dat moment voor zorgde nooit meer alleen met hem te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze verklaring onvoldoende ondersteuning aan de verklaring van [slachtoffer 1] op essentiële onderdelen van het onder feit 2 ten laste gelegde. De verklaring van [getuige] is daarvoor onvoldoende concreet. Niet kan worden vastgesteld wanneer de situatie waarover [slachtoffer 1] tegen [getuige] heeft verklaard, zich heeft voorgedaan, op welke plaats en onder welke omstandigheden. Daar komt bij dat de verklaring uit één en dezelfde bron komt, namelijk vanuit [slachtoffer 1] . Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdachte zal dan ook van dit tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1, 3 en 4
1 Feit 1
De verklaringen van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), geboren in 2001, komen er in de kern op neer dat zij tussen haar veertiende en zestiende levensjaar online seksueel contact heeft gehad met de verdachte (de rechtbank: zoals hierna bewezen onder feit 3) en er in diezelfde periode tijdens meerdere fysieke ontmoetingen over en weer seksuele handelingen zijn verricht, waaronder het seksueel binnendringen bij [slachtoffer 3] .
Betrouwbaarheid
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of de verklaringen van [slachtoffer 3] betrouwbaar zijn.
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen veel onzekerheid, vermoedens, giswerk en invullingen bevatten, waardoor de verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat [slachtoffer 3] veel “ik denk” in haar verklaringen gebruikt, terwijl daar tegenover staat dat de verdachte gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen.
De rechtbank volgt de verdediging niet en is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] authentiek, gedetailleerd en in de kern consistent zijn. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de door [slachtoffer 3] beschreven gebeurtenissen zich geruime tijd geleden hebben voorgedaan. Dat [slachtoffer 3] bij haar verklaringen gebruik maakt van formuleringen als “ik denk”, acht de rechtbank in dit licht begrijpelijk en niet indicatief voor onbetrouwbaarheid. De rechtbank ziet hierin veeleer een voorzichtige en terughoudende wijze van verklaren, passend bij het reconstrueren van herinneringen aan gebeurtenissen die langere tijd geleden hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat [slachtoffer 3] op essentiële onderdelen eenduidig verklaart over de aard van de seksuele handelingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en over het dwingende karakter van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank draagt de gedetailleerdheid van deze verklaringen bij aan de betrouwbaarheid ervan.
De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de verdachte daarentegen wisselend en met de tijd gekomen zijn. Daarbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat de verdachte in eerste instantie ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij langs de A2 met [slachtoffer 3] seksuele handelingen heeft verricht toen zij 16 jaar oud was. Ter zitting heeft de verdachte echter verklaard dat geen seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden voordat zij 18 jaar oud was. Ter zitting heeft hij vervolgens wisselend verklaard over de reden dat hij geen seksuele handelingen met [slachtoffer 3] wilde verrichten. Verder stelt de rechtbank vast dat de verdachte zijn verklaring over de gebeurtenis in [hotel] gedurende het onderzoek heeft aangevuld. De aard van het verblijf in het hotel met de destijds 14-jarige [slachtoffer 3] acht de rechtbank cruciaal bij de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde. In eerste instantie heeft de verdachte nagelaten deze gebeurtenis te benoemen, vervolgens heeft hij verklaard dat zij elkaar een knuffel hebben gegeven en pas nadat de verdachte ter zitting is geconfronteerd met foto’s waarop onder andere te zien is dat hij samen met [slachtoffer 3] in bed ligt en hij daarover door de rechtbank werd bevraagd, heeft hij verklaard dat zij in het hotel met elkaar hebben gezoend, dat hij die dag op enig moment een zuigzoen bij [slachtoffer 3] heeft gezet en dat zij samen in bed hebben gelegen. De door [slachtoffer 3] beschreven seksuele handelingen hebben echter volgens hem niet plaatsgevonden. Dat het de verdachte, zoals hij ter zitting heeft verklaard, eerder niet relevant leek om aan de politie kenbaar te maken wat zich volgens hem in het hotel had afgespeeld, kan de rechtbank in het licht van de verdenking niet volgen. De rechtbank houdt sterk rekening met de mogelijkheid dat de verklaring van de verdachte is afgestemd op het dossier. Zij zal de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat er geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden met [slachtoffer 3] voordat zij de leeftijd van 16 jaar, dan wel 18 jaar, had bereikt, op basis van het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde schuiven.
De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 3] in hun geheel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 3] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet ter discussie staat dat [slachtoffer 3] en de verdachte in de ten laste gelegde periode naaktfoto’s en -video’s uitwisselden (de rechtbank: zoals hierna bewezen onder feit 3), waaronder (live) via Skype, en dat zij meermalen fysiek afspraken.
Wat betreft de fysieke ontmoeting in 2016 in het [hotel] vinden de verklaringen van [slachtoffer 3] allereerst steun in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 3] in [hotel] is geweest en dat zij samen op bed hebben gelegen, geknuffeld, gezoend en dat eerder die dag een zuigzoen door hem bij [slachtoffer 3] is gezet. Niet alleen de verdachte verklaart hierover, maar ook de ouders van [slachtoffer 3] verklaren over een zuigzoen die zij hebben waargenomen en voegen hieraan toe dat [slachtoffer 3] hen heeft verteld dat zij heeft overnacht in het hotel met de verdachte. Eveneens bevat het dossier diverse foto’s van de verdachte en [slachtoffer 3] , waaronder twee foto’s van de verdachte en [slachtoffer 3] liggend in een bed onder de deken. De verdachte heeft over deze foto’s verklaard dat zij in het hotel zijn gemaakt. Op een van die foto’s heeft de verdachte een ontbloot bovenlijf en ligt hij tegen [slachtoffer 3] aan. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de verklaring van de verdachte, de verklaringen van de ouders van [slachtoffer 3] , de foto’s en de omstandigheid dat de verdachte en [slachtoffer 3] naakfoto’s en video’s (live) uitwisselden in deze periode – in onderlinge samenhang – voldoende steun voor de verklaringen van [slachtoffer 3] met betrekking tot de seksuele handelingen in het [hotel] in 2016.
Tenlastegelegd is een langere periode waarin volgens de verklaring van [slachtoffer 3] op diverse momenten seksuele handelingen tussen de verdachte en haar plaatsvonden. Voor het concreet te dateren voorval in [hotel] is, zoals hiervoor is overwogen, voldoende steunbewijs. In samenhang bezien met het voortdurende online contact van seksuele aard dat de verdachte ook erkent, is de rechtbank van oordeel dat dit bewijs eveneens in algemene zin ondersteuning biedt voor de verklaring van [slachtoffer 3] over de overige momenten van fysiek seksueel contact tussen beiden binnen de tenlastegelegde periode.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en verwerpt zij de verweren van de verdediging op dit punt.
2 Feiten 3 en 4
Modus operandi
De rechtbank stelt vast dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaringen van de verdachte, volgt dat er sprake is van een specifieke modus operandi.
De verdachte heeft minderjarige meisjes toegevoegd en benaderd via diverse sociale-mediaplatforms, waaronder Snapchat, Skype en Instagram. In het gesprek dat daarop telkens volgde deed hij zich regelmatig voor als een meisje of als een (veel) jonger iemand. Hij zette de meisjes onder druk om naaktfoto’s en -video’s van zichzelf te maken en naar hem toe te sturen. Ook stuurde hij zelf naaktfoto’s en -video’s van zijn geslachtsdeel naar de meisjes. Naarmate de gesprekken voortduurden, dwong hij de meisjes om meer foto’s en video’s van seksuele handelingen te sturen. Hij gaf in sommige gevallen concrete opdrachten voor de seksuele handelingen die gefilmd of gefotografeerd moesten worden. Van de foto’s en video’s die hij ontving heeft de verdachte met een app schermopnames gemaakt zonder dat de meisjes daar weet van hadden. De verdachte sloeg de foto’s en video’s op in mappen die hij had aangemaakt op zijn telefoon en harde schijf. Op de gegevensdragers van de verdachte zijn deze mappen, waaronder een “veilige map”, beveiligd met een extra code, aangetroffen. Onder meer de schermopnames van de slachtoffers zijn in die mappen aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij de foto’s en video’s in deze mappen aanwendde als dreigmiddel tegen de slachtoffers, om te zorgen dat zij extra materiaal zouden toesturen en ter voorkoming van hun vertrek. Op deze wijze liet de verdachte zien dat hij de foto’s en video’s had opgeslagen en kon verspreiden.
De rechtbank overweegt dat er op essentiële punten kenmerkende overeenkomsten bestaan in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder, de verdachte elk van de slachtoffers heeft bewogen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Niettemin zal de rechtbank, gelet op hetgeen door de verdediging en de officier van justitie is aangevoerd, nader ingaan op feit 3 met betrekking tot [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] .
[slachtoffer 3]
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, ook ten aanzien van het onderdeel dat betrekking heeft op het afdreigen van [slachtoffer 3] tot het plegen van ontucht. Weliswaar heeft de verdachte dit ontkend, maar de rechtbank volgt op dit punt de verklaring van [slachtoffer 3] . Zij acht deze verklaring betrouwbaar (de rechtbank: zoals eerder overwogen in r.o. 1.1). Bovendien vindt die verklaring voor dit desbetreffende onderdeel steun in de door verdachte aangewende modus operandi. Dat hij die modus operandi in het geval van [slachtoffer 3] niet hanteerde acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede gelet op de eigen verklaring van de verdachte dat hij wel boos werd op het moment dat [slachtoffer 3] de door hem gewenste foto’s niet stuurde.
[slachtoffer 8]
De rechtbank acht, in afwijking van het standpunt van de officier van justitie, het onder 3 ten laste gelegde met betrekking tot [slachtoffer 8] eveneens bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 8] op 14-jarige leeftijd via Snapchat contact heeft gehad met de verdachte, in welk contact zij video’s heeft gedeeld. Gelet op de hiervoor geschetste modus operandi en de geconstateerde overeenkomsten in de bewijsmiddelen, gaat de rechtbank uit van eenzelfde interactie tussen de verdachte en [slachtoffer 8] , waarbij de verdachte haar heeft bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen en tot het maken en naar de verdachte te sturen van beeldmateriaal daarvan. De verdachte heeft dit ook niet ontkend.
Conclusie
Gelet op het voorgaande – in samenhang bezien met de gebezigde bewijsmiddelen – acht de rechtbank de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte en opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
1
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 oktober 2017 in Nederland met [slachtoffer 3] , geboren in 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten:
- het betasten van de vagina van die [slachtoffer 3] en
- het betasten van de borsten en het lichaam van die [slachtoffer 3] en
- het brengen van zijn, verdachtes, tong en vingers in de vagina van die [slachtoffer 3] en
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 3] ;
3
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2024 in Nederland, met de navolgende meisjes:
- [slachtoffer 2] , geboren in 2010, (in de periode van 13 april 2024 tot en met 21 april 2024)
- [slachtoffer 3] , geboren in 2001 (in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 oktober 2017)
- [slachtoffer 4] , geboren in 2011 (in de periode van 01 december 2023 tot en met 31 december 2023)
- [slachtoffer 5] , geboren in 2012 (in de periode 1 januari 2022 tot en met 10 januari 2022)
- [slachtoffer 6] geboren in 2008 (in de periode van 15 oktober 2021 tot en met 19 oktober 2021)
- [slachtoffer 7] , geboren in 2007 (in de periode van 1 december 2021 tot en met 31 december 2021)
- [slachtoffer 8] , geboren in 2007 (op 02 januari 2022)
- [slachtoffer 9] , geboren in 2007 (in de periode van 09 januari 2022 tot en met 10 januari 2022)
- [slachtoffer 10] , geboren in 2008 (op 28 november 2021)
- [slachtoffer 11] , geboren in 2009 (in de periode van 27 november 2021 tot en met 30 december 2021)
- [slachtoffer 12] , geboren in 2012 (in de periode van 2 december 2023 tot en met 31 december 2023)
- [slachtoffer 13] , geboren in 2005 (in de periode 01 januari 2018 van tot en met 31 december 2019)
- [slachtoffer 14] , geboren in 2004 (in de periode van 01 januari 2019 tot en met 18 juni 2020)
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij verdachte voornoemde meisjes, opzettelijk bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen, te weten:
- het zich geheel of gedeeltelijk ontkleden en/of tonen van hun gedeeltelijk ontblote lichaam,
- het betasten van de eigen borsten en/of vagina en/of billen en/of
- het penetreren met (de) vinger(s) en/of met een voorwerp van de eigen vagina en/of het brengen en/of duwen van de eigen vinger(s) en/of een voorwerp tussen de eigen schaamlippen,
- het maken van foto’s en/of video’s van een of meer bovengenoemde handelingen en/of de foto’s en/of video’s naar verdachte te sturen;
en/of ontuchtige handelingen van verdachte te dulden, te weten:
- het tonen van zijn, verdachtes, ontblote penis,
- en/of versturen van afbeeldingen van zijn ontblote penis en/of
- het tonen en/of versturen van video’s van masturbatie door verdachte
terwijl voornoemde meisjes, via WhatsApp en/of Snapchat en/of chatprogramma's en/of social media, op verzoek, instructie, dwang en/of onder dreigementen van hem, verdachte, voornoemde ontuchtige handelingen hebben verricht bij zichzelf en/of voornoemde ontuchtige handelen van hem, verdachte, hebben geduld, welke ontuchtige handelingen geheel of gedeeltelijk (via videoverbinding) zichtbaar waren voor hem en/of voornoemde meisjes en/of waarvan - op verzoek, instructie, dwang en /of onder dreigementen van hem, verdachte - foto’s en/of video’s zijn gemaakt en/of toegezonden en/of waarvan (vervolgens) door hem, verdachte, afbeeldingen en/of video’s zijn gemaakt en/of bewaard;
4
in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2024 afbeeldingen en gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken te weten:
- [slachtoffer 2]
- [slachtoffer 3]
- [slachtoffer 1]
- [slachtoffer 4]
- [slachtoffer 5]
- [slachtoffer 6]
- [slachtoffer 7]
- [slachtoffer 8]
- [slachtoffer 9]
- [slachtoffer 10]
- [slachtoffer 11]
- [slachtoffer 12]
- [slachtoffer 13]
- [slachtoffer 14]
en
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 15 januari 2025 visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken te weten:
- [slachtoffer 15]
heeft vervaardigd en verworven en in bezit heeft gehad en zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, te weten telefoons merk Samsung en iPhone en laptops en/of desktops en/of harde schijven bevattende afbeeldingen/visuele weergaven, waarop te zien is:
het vaginaal penetreren van het eigen lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, en/of
het betasten en aanraken van het eigen geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, en/of
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of poseert en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en/of waarbij deze persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar kleding ontdoet en/of door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) die afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking hadden en/of strekten tot seksuele prikkeling;
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
De strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de duur van het voorarrest, en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, zoals die door de reclassering zijn geadviseerd met uitzondering van het contactverbod. Ook heeft de officier van justitie verzocht om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM), zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om naast de tbs met voorwaarden, een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, dan wel een minder lange gevangenisstraf dan gevorderd. Daartoe heeft de raadsman bepleit dat bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf rekening gehouden dient te worden met zijn proceshouding, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, zijn motivatie om behandeld te worden en met het feit dat hem na zijn detentie een langdurig traject van begeleiding en behandeling staat te wachten. Daar komt bij dat de verdachte first-offender is en de zaak veel media-aandacht heeft gehad, waardoor een veroordeling voor hem een levenslange nasleep zal hebben.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim negen jaren schuldig gemaakt aan ‘sextortion’ van minderjarige meisjes in de leeftijd tussen de 9 en 16 jaar. Met één van deze slachtoffers, [slachtoffer 3] , heeft de verdachte ook gedurende een langere periode fysieke ontucht gepleegd.
Toen de verdachte begin 20 jaar was, heeft hij online contact gezocht met [slachtoffer 3] die op dat moment 14 jaar was. Hij is een vriendschappelijke relatie met haar aangegaan en heeft haar vervolgens bewogen tot het maken en sturen van seksuele beelden die hij zonder haar medeweten bewaarde en gebruikte om te voorkomen dat zij hun relatie zou beëindigen en zou stoppen met het sturen van nieuwe beelden. De verdachte heeft deze online relatie uitgebreid naar een fysieke relatie, waarbij hij misbruik van [slachtoffer 3] jonge leeftijd heeft gemaakt en ontucht met haar heeft gepleegd. Op geen enkele manier was hierbij sprake van een gelijkwaardige relatie. De verdachte heeft de natuurlijke ontwikkeling van [slachtoffer 3] op het gebied van liefde en seksualiteit ernstig verstoord, hetgeen ook blijkt uit haar slachtofferverklaring. Daarbij heeft de verdachte geen bekennende verklaring over dit feit afgelegd en heeft hij zelfs beweerd dat niet hij, maar [slachtoffer 3] het iniatief nam tot de seksuele handelingen en dat hij degene zou zijn geweest die deze handelingen zou hebben afgehouden. De rechtbank neemt dit de verdachte ten zeerste kwalijk. Het is immers geenszins de schuld van [slachtoffer 3] dat zij slachtoffer is geworden van het ontucht gepleegd door de verdachte. De verdachte was de volwassene die beter had moeten weten.
In de daaropvolgende jaren heeft de verdachte nog veel meer slachtoffers gemaakt. Uit de eerder beschreven werkwijze blijkt dat de verdachte zeer berekenend te werk is gegaan. Hij is binnen verschillende sociale media op zoek gegaan naar jonge meisjes en heeft in meerdere gevallen onder de valse identiteit van een meisje of als een (veel) jonger iemand contact met hen gelegd. Kwalijk daarbij is dat de verdachte meerdere slachtoffers persoonlijk kende, terwijl zij in elk geval aanvankelijk niet wisten dat het de verdachte was met wie zij contact hadden. Nadat de verdachte contact had gemaakt, probeerde hij op geraffineerde wijze hun vertrouwen te winnen. Vervolgens heeft hij de meisjes onder druk gezet om seksueel getinte foto’s en filmpjes van zichzelf te maken en te sturen (meestal via Snapchat), die hij vervolgens zonder hun medeweten opsloeg. Bij de verdachte is ook een groot aantal kinderpornografische foto’s en video’s aangetroffen die hij (onder meer) van de vijftien slachtoffers heeft verkregen. De verdachte heeft zich daarmee niet alleen schuldig gemaakt aan (online) ontucht, maar ook aan het verwerven, vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal.
Het spreekt voor zich dat dit ernstige feiten zijn. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de mogelijke nadelige gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en uitsluitend oog had voor zijn eigen seksuele behoeften. Zelfs verschillende eerdere politiecontacten – in het bijzonder de doorzoeking in oktober 2024, waarbij gegevensdragers met kinderpornografisch materiaal in beslag zijn genomen – heeft de verdachte niet doen stoppen. De rechtbank neemt dit de verdachte uiterst kwalijk.
Uit de slachtofferverklaringen is de rechtbank meer dan duidelijk geworden dat de impact op en de gevolgen voor de slachtoffers groot zijn. Veel van de meisjes waren bang, schamen zich enorm en voelen zich (ten onrechte) zelf schuldig. Niet alleen waren (en zijn) ze bang dat de verdachte daadwerkelijk de foto’s en filmpjes die hij van ze had, zou verspreiden, maar ook waren zij bang doordat ze veelal niet wisten wie er schuilging achter het account. De verdachte heeft door op deze wijze te handelen zowel de geestelijke als de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Zij zijn op zeer jonge leeftijd gedwongen tot (vergaande) seksuele handelingen, terwijl veel van hen nog niet of nauwelijks met seksualiteit bezig waren. Hierdoor heeft de verdachte hen de mogelijkheid ontnomen om hun ontluikende seksualiteit op hun eigen tempo en passend bij hun leeftijd in een veilige omgeving te ontwikkelen. Daarnaast heeft hij het vertrouwen van deze meisjes in de medemens enorm aangetast. Veel van hen hebben professionele hulp moeten inschakelen om deze nare ervaringen te verwerken. Ook dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
Uittreksel justitiële documentatie
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel justitiële documentatie van de verdachte van 28 februari 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig misdrijf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Pro Justitia rapportages over de verdachte van 27 oktober 2025 en 19 november 2025, opgemaakt door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, en drs. C. Moerland, gezondheidspsycholoog. De deskundigen concluderen dat de verdachte lijdt aan psychische stoornissen in de vorm van ADHD, een gemengde cluster B persoonlijkheidsstoornis en een pedofiele stoornis. Deze stoornissen, zo stellen de deskundigen, waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Hoewel de stoornissen een faciliterend en drempelverlagend effect hebben gehad op het ontstaan en voortzetten van het delictgedrag, kan er tegelijkertijd vanuit worden gegaan dat de verdachte volledig besef had van de wederrechtelijkheid van het delictgedrag, aldus de deskundigen. In het licht van deze omstandigheden, wordt geadviseerd om deze feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Gezien het bovenstaande wordt geadviseerd de verdachte de tbs-maatregel op te leggen met voorwaarden. Het risico op recidive wordt als matig verhoogd tot hoog ingeschat, waardoor klinische psychiatrische en psychologische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek noodzakelijk wordt geacht, met daarbij langdurige ambulante nazorg onder toezicht. Ondanks de motivatie van de verdachte voor behandeling en begeleiding, geven de deskundigen de rechtbank in overweging om een GVM op te leggen, om de nazorg, begeleiding en toezicht op langere termijn (ook na de maximale termijn van de tbs met voorwaarden) mogelijk te kunnen maken.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland over de verdachte van 11 januari 2026. Uit de rapportage volgt dat de reclassering zich aansluit bij hetgeen door de deskundigen in de Pro-Justitiarapportages is geconcludeerd. Zij adviseren positief over tbs met voorwaarden, nu de verdachte sterke motivatie toont om hulp te ontvangen en actief wil meewerken aan een klinische behandeling. De reclassering ziet ondanks de meewerkende houding eveneens een meerwaarde in het opleggen van een GVM, omdat de reclassering verwacht dat de problematiek van de verdachte langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen.
Toerekenbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies en adviezen van de deskundigen gedragen worden door hun bevindingen en maakt deze tot de hare. Tegen die achtergrond zal de rechtbank het bewezen verklaarde in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Maatregel
Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst en duur van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel noodzakelijk is om recidive in de toekomst te voorkomen. Er wordt ook voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van tbs. Bij de verdachte bestond namelijk ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Ook is op de gepleegde misdrijven een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel, omdat er sprake is van een matig verhoogd tot hoog recidiverisico op zedendelicten.
Gelet op het voorgaande en de conclusie van de deskundigen en Reclassering Nederland dat kan worden volstaan met tbs met voorwaarden en de verklaring van verdachte dat hij voornemens is aan alle voorwaarden te zullen voldoen, legt de rechtbank aan de verdachte tbs met voorwaarden op. Zij zal daarbij de voorwaarden overnemen zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. De rechtbank overweegt daartoe dat voor het opleggen van een contactverbod is vereist dat het verbod voldoende concreet wordt omschreven, zodat voor de verdachte geen onduidelijkheid kan bestaan jegens wie hij zich van contact dient te onthouden. Een formulering waarbij de identiteit van de slachtoffers of andere identificerende gegevens niet kenbaar worden gemaakt, zou leiden tot een onvoldoende bepaalbaar verbod. Nu de slachtoffers hebben aangegeven dat zij in dit geval meer belang hechten aan anonimiteit, zal de rechtbank afzien van het opleggen van een contactverbod.
Voor het geval er later alsnog verpleging van overheidswege wordt bevolen, overweegt de rechtbank nog dat de tbs-maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Rekening houdende met de noodzaak van behandeling en het gevaar voor recidive zal de rechtbank bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Straf
Naast de oplegging van tbs met voorwaarden, is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank in strafmatigende zin rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Ondanks de verminderde toerekening van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank, met het oog op de strafdoelen van vergelding en generale preventie, niet worden volstaan met een kortere straf dan de maximale gevangenisstraf die naast oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden mogelijk is, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. De rechtbank zal deze straf dan ook opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)
Ter bescherming van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen zal de rechtbank verder een GVM als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na afloop van de tbs-maatregel onder toezicht te stellen, indien dat in verband met dan nog bestaande risico's noodzakelijk is. Mede gelet op de rapportages en de omstandigheid dat verwacht wordt dat de problematiek van de verdachte langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen, is de rechtbank van oordeel dat hiervoor een noodzaak bestaat. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan, aangezien de rechtbank een
tbs-maatregel oplegt.
De vorderingen van de benadeelde partijen
Als benadeelde partij hebben zich de volgende personen, al dan niet via een advocaat, in het geding gevoegd:
De benadeelde partijen hebben gevorderd om de te vergoeden bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de immateriële vorderingen heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
Materiële schade
Ten aanzien van het materiële gedeelte van de vordering van [slachtoffer 3] , met betrekking tot de studievertraging (€ 27.525,00), heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat behandeling hiervan een onevenredig belasting van het strafgeding oplevert, dan wel dat het causale verband tussen de gestelde schade en het ten laste gelegde onvoldoende is onderbouwd.
Immateriële schade
De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade van de vorderingen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 6] gematigd dient te worden.
Ten aanzien van het immateriële gedeelte van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering bij een vrijspraak
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het causale verband tussen de gestelde immateriële schade en het ten laste gelegde onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de verdediging betoogd dat gelet op het subsidiaire standpunt het immateriële gedeelte van de vordering dient te worden gematigd.
Voor het overige heeft de verdediging de vorderingen niet betwist.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vorderingen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] , voor zover deze betrekking hebben op materiële schade, zijn namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen deze schade hebben geleden als rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten 3 en 4. De vordering tot vergoeding van deze kosten worden daarom toegewezen. Dit betreffen:
Ten aanzien van het gevorderde bedrag van [slachtoffer 3] in verband met studievertraging overweegt de rechtbank als volgt.
Vaststaat dat [slachtoffer 3] in september 2020 is gestart met een hbo-opleiding. Zij vordert compensatie voor de opgetreden studievertraging in 2022, onder verwijzing naar de ‘Letselschade richtlijn studievertraging, en stelt de schade op een bedrag van € 27.525,00. De rechtbank overweegt dat er aanvullende stukken zijn ingediend waaruit volgt dat zij in 2022 een behandeltraject heeft doorlopen, waarin de gebeurtenissen met betrekking tot de verdachte herhaaldelijk aan bod zijn gekomen en waarvoor onder meer EMDR-therapie is ingezet. Aan de hand van een bericht van de hogeschool is eveneens voldoende aangetoond dat [slachtoffer 3] in het tweede leerjaar één jaar studievertraging heeft opgelopen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de gevolgde behandelingen in voldoende mate kan worden toegeschreven aan het handelen van de verdachte zoals bewezenverklaard. De rechtbank overweegt dat de schadeposten voldoende zijn onderbouwd en haar redelijk voorkomen, nu het bedrag een geïndiceerd forfaitair bedrag behelst, bepaald door de Letselschade Raad. Mede gelet op dit laatste is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Nu het overige gedeelte van de gevorderde materiële schade niet is betwist, voldoende is onderbouwd en het rechtstreekse verband tussen deze schade en de bewezen verklaarde feiten 1, 3 en 4 voldoende vaststaat, zal de rechtbank de vordering van [slachtoffer 3] , voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, in zijn geheel toewijzen. Dit betreft:
6. [slachtoffer 3] : € 28.174,02.
Immateriële schade
In alle gevallen is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 sub b BW nu het gaat om ernstige (zeden)zaken waar een forse normschending aan de orde is. Er is door verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers en op hun privacy. De in dit verband relevante nadelige gevolgen van de ten laste gelegde feiten (1, 3 en/of 4) liggen dusdanig voor de hand dat een persoonsaantasting kan worden aangenomen, nog daargelaten dat de persoonsaantastingen en de gevolgen voor de slachtoffers ook door hen met concrete gegevens zijn onderbouwd.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is welk bedrag zij billijk vindt om toe te wijzen als vergoeding voor de geleden schade. De advocaten van de benadeelde partijen en een vertegenwoordiger van Slachtofferhulp Nederland, hebben een indeling in categorieën gemaakt, naar aanleiding van de ‘Rotterdamse Schaal’ en vergelijkbare uitspraken:
A. Vervaardigen, verwerven en/of bezit van kinderpornografisch beeldmateriaal van slachtoffer (jonger dan 18 jaar) met geheel/gedeeltelijk naakt ontkleden/poseren:
€ 2.000,-;
Vervaardigen, verwerven en/of bezit van kinderpornografisch beeldmateriaal van slachtoffer (jonger dan 18 jaar) met betasten/aanraken: € 3.000,-;
Vervaardigen, verwerven en/of bezit van kinderpornografisch beeldmateriaal van slachtoffer (jonger dan 18 jaar) met penetratie: € 4.000,-;
Dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen (geheel/gedeeltelijk naakt ontkleden/poseren) onder dreiging met verspreiding van kinderpornografisch beeldmateriaal van slachtoffer (jonger dan 16 jaar): € 6.000,-;
Dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen (betasten/aanraken) onder dreiging met verspreiding van kinderpornografisch beeldmateriaal van slachtoffer (jonger dan 16 jaar): € 7.000,-;
Dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen (penetratie) onder dreiging met verspreiding van kinderpornografisch beeldmateriaal van slachtoffer (jonger dan 16 jaar): € 8.000,-;
Dulden van zien/ontvangen van pornografisch beeldmateriaal van ontuchtige handelingen van verdachte zelf: € 1.000,-.
De rechtbank stelt voorop dat geen rechtsregel belet om in een zaak als de onderhavige gebruik te maken van een indeling in categorieën. Leidend voor de indeling zijn de aard en de ernst van de gepleegde feiten. De rechtbank acht de bedragen zoals hiervoor weergegeven – gelet op vergelijkbare zaken en de ‘Rotterdamse Schaal’– billijk en zal deze bij het vaststellen van de hoogte van de vergoedingen van immateriële schade overnemen.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft een bedrag aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op de categorieën E en G. Uit de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat deze inschaling passend is. De rechtbank wijst derhalve de vordering (integraal) toe tot een bedrag van € 8.000,00.
[slachtoffer 1]
De rechtbank overweegt dat, nu de verdachte is vrijgesproken voor feit 2, ten aanzien van [slachtoffer 1] enkel het bezit, vervaardigen en verwerven van kinderporno bewezen is verklaard (feit 4).
Voor zover de verdediging het causale verband tussen de schade en dit feit heeft betwist, overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat dit verband kan worden vastgesteld op basis van de onderbouwing van de vordering (bijlage 3, p. 2). Dat de psychische klachten van [slachtoffer 1] ook samenhangen met andere omstandigheden, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De schade kan onverkort aan verdachte worden toegerekend.
Gelet op de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, valt de vordering van [slachtoffer 1] in categorieën F en G. De rechtbank wijst derhalve de vordering voor wat betreft de immateriële schade toe tot een bedrag van € 9.000,00 en zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
[slachtoffer 4]
De benadeelde partij heeft een bedrag aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op de categorieën A en G. Uit de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat deze inschaling passend is. De rechtbank wijst derhalve de vordering (integraal) toe tot een bedrag van € 3.000,00.
[slachtoffer 8]
De benadeelde partij heeft een bedrag aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op de categorie B. Uit de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat deze inschaling passend is. De rechtbank wijst derhalve de vordering (integraal) toe tot een bedrag van € 3.000,00.
[slachtoffer 11]
De benadeelde partij heeft een bedrag aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op de categorieën F en G. Uit de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat deze inschaling passend is. De rechtbank wijst derhalve de vordering (integraal) toe tot een bedrag van € 9.000,00.
[slachtoffer 12]
De benadeelde partij heeft een bedrag aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op de categorie D. Uit de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat deze inschaling passend is. De rechtbank wijst derhalve de vordering (integraal) toe tot een bedrag van € 6.000,00.
[slachtoffer 13]
De benadeelde partij heeft een bedrag aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op de categorieën F en G. Uit de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat deze inschaling passend is. De rechtbank wijst derhalve de vordering (integraal) toe tot een bedrag van € 9.000,00.
[slachtoffer 14]
De rechtbank overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer 14] heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen (onder meer penetratie met de vingers) voor de camera, waarbij hij heeft gedreigd om kinderpornografisch materiaal van haar te verspreiden. Ook heeft zij pornografisch beeldmateriaal van de verdachte moeten dulden. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering in categorieën F en G valt. De vordering is echter beperkt tot € 4.000,00, zodat de rechtbank dat gevorderde bedrag aan immateriële schade zal toewijzen.
[slachtoffer 6]
De benadeelde partij heeft een bedrag aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op de categorieën F en G. Uit de onderbouwing van de vordering en de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat deze inschaling passend is. De rechtbank wijst derhalve de vordering (integraal) toe tot een bedrag van € 9.000,00.
[slachtoffer 3]
De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde feit 1 aansluiting zoeken bij de categorie die in de Rotterdamse Schaal is opgenomen voor ontucht met binnendringen van de meest ernstige aard (categorie 15.2.a), waarin een bandbreedte is bepaald van € 12.500,00 tot en met € 32.000,00. Onder deze categorie vallen gevallen van ontucht met binnendringen gedurende een periode van meer dan ongeveer 2,5 jaar en situaties, zoals in het geval van [slachtoffer 3] , waarin ook seksueel getint beeldmateriaal van de benadeelde is gemaakt. Voor het bepalen van een specifiek bedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met onderstaande factoren, waarvan de concretisering uit al het voorgaande en de bewezenverklaring kan worden afgeleid:
De rechtbank betrekt daarbij dat het onder 3 en 4 bewezen verklaarde reeds is verwerkt in de bovenstaande bandbreedte en factoren (onder c). Dit alles maakt dat de rechtbank tot toewijzing komt van de vordering voor wat betreft de immateriële schade voor een bedrag van € 20.000,00. Zij zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben allen naast vergoeding van de geleden schade wettelijke rente gevorderd. Bij toewijzing van de vorderingen tot vergoeding van de schade zal de rechtbank, voor alle benadeelde partijen met afwijkingen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zoals hierna te benoemen, de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op de laatste dag van de (individueel bepaalde) bewezenverklaarde periode in feit 3, nu die schade in het bijzonder daaruit is voortgevloeid.
In geval van [slachtoffer 1] zal de rechtbank de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op de laatste dag van de periode van het online seksueel contact met de verdachte, genoemd in het verhoor van [slachtoffer 1] , namelijk in het jaar 2022.
Voor wat betreft het materiële gedeelte van de schade van [slachtoffer 3] zal de rechtbank de – al dan niet op een schatting gebaseerde – aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op de dag dat deze schade is geleden, namelijk 29 september 2022 (de intakedatum bij de psycholoog).
Schadevergoedingsmaatregel
In de gevallen dat de rechtbank de vordering tot schadevergoeding toewijst, zal het telkens ook de maatregel van artikel 36f Sr opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, met bevel tot toepassing van gijzeling indien de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichting.
In geval van [slachtoffer 14] is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de vordering in categorie F en G valt. Zij acht daarom een vergoeding van € 9.000,00 zoals is toegewezen in de andere gevallen waarin de vordering met verwijzing naar die categorieën was onderbouwd, billijk. De rechtbank ziet in dat oordeel aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 14] , anders dan ten aanzien van de andere benadeelden, niet gelijk te stellen met de toegewezen vordering, maar die te vermeerderen tot het bedrag van € 9.000,00. De rechtbank zal daarom de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen, bestaande uit € 9.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 18 juni 2020 tot de dag der algehele voldoening.
Nu het totaal van het aantal dagen gijzeling op grond van artikel 60a Sr juncto artikel 24c Sr niet hoger mag zijn dan 360 dagen, zal de rechtbank de gijzeling per (gedeeltelijk) toegewezen vordering naar evenredigheid bepalen.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
- 36f, 38, 38a, 38z, 57, 60a, 240b (oud), 245 (oud), 247 (oud), 252 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:
Feit 1:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
Feit 3:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;
Feit 4:
een gewoonte maken van:
een afbeelding of een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, verwerven, in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen
en;
een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, verwerven, in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf en maatregelen;
t.a.v. feit 1, feit 3, feit 4:
- een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
- gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:
o de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering; de reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
o verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien; dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
o de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering; de reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is; deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
o de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
o de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
-waarbij rekening wordt gehouden met de gevarenrisico’s;
dat de verdachte:
1. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;
2. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
3. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma'’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verloopt in gesprekken met de reclassering;
Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft.
De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen maximaal (circa) drie keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte;
de verdachte geeft de reclassering openheid over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale) netwerk;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
- legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
t.a.v. feiten 1, 3 en 4
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 28.174,02 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van 20.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 3]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] van een bedrag van 48.174,02 euro; voormeld bedrag bestaat uit 28.174,02 euro materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, en 20.000,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 152 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
t.a.v. feiten 3 en 4
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van een bedrag van 8.216,76 euro, bestaande uit 216,76 euro materiële schade en 8.000,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 2]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van 8.216,76 euro, bestaande uit 216,76 euro materiële schade en 8.000,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 26 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van 9.056,76 euro, bestaande uit 56,76 euro materiële schade en 9.000,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 1]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van 9.056,76 euro, bestaande uit 56,76 euro materiële schade en 9.000,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] , van een bedrag van 3.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 4]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] van een bedrag van 3.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 9 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] , van een bedrag van 3.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 8]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 8] van een bedrag van 3.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 9 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 11] , van een bedrag van 9.110,22 euro, bestaande uit 110,22 materiële schade en 9.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 11]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 11] van een bedrag van 9.110,22 euro, bestaande uit 110,22 materiële schade en 9.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 12] , van een bedrag van 6.077,22 euro, bestaande uit 77,22 materiële schade en 6.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 12]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 12] van een bedrag van 6.077,22 euro, bestaande uit 77,22 materiële schade en 6.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 19 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 13] , van een bedrag van 9.637,12 euro, bestaande uit 637,12 materiële schade en 9.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 13]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 13] van een bedrag van 9.637,12 euro, bestaande uit 637,12 materiële schade en 9.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 14] , van een bedrag van 4.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 14]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 14] van een bedrag van 9.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2020 tot de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 28 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] , van een bedrag van 9.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 6]
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 6] van een bedrag van 9.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 28 dagen;
bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T. Kraniotis, voorzitter,
mr. A. Bernsen en mr. N.A. Schipper, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 6 maart 2026.
BIJLAGE I: DE TENLASTELEGGING
1. zaaksdossier 2)
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 oktober 2017 te Vlijmen, gemeente Heusden, en/of te Texel, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 3] , geboren in 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer 3] , te weten
- het betasten van de vagina van die [slachtoffer 3] en/of
- het betasten van de borst(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis en/of tong en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 3] ;
2 ( zaaksdossier 3)
hij - als leider bij de jeugdbrandweer - in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 06 september 2022 te Vlijmen, gemeente Heusden, in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren in 2005, door
- het betasten van de vagina van en/of het brengen van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of
- het betasten van de borst(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
- het door die [slachtoffer 1] (over zijn onderbroek) laten betasten van zijn, verdachtes, penis;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2021 tot en met 01 november 2021 te Vlijmen, gemeente Heusden, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren in 2005, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
- het betasten van de vagina van en/of het brengen van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of
- het betasten van de borst(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
- het door die [slachtoffer 1] (over zijn onderbroek) laten betasten van zijn, verdachtes, penis ;
3 ( zaaksdossier 1, 2, 3 en 4)
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 30 juni 2024 te Vlijmen, gemeente Heusden, in elk geval in Nederland, met de navolgende meisjes:
- [slachtoffer 2] , geboren in 2010, (in of omstreeks de periode van 13 april 2024 tot en met 21 april 2024)
(zaaksdossier 1: incident 1)
- [slachtoffer 3] , geboren in 2001 (in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 oktober 2017)
(zaaksdossier 2: incident 2)
- [slachtoffer 4] , geboren in 2011 (in of omstreeks de periode van 01 december 2023 tot en met 31 december 2023)
(zaaksdossier 4: zaak 5)
- [slachtoffer 5] , geboren in 2012 (in of omstreeks de periode 1 januari 2022 tot en met 10 januari 2022)
- [slachtoffer 6] geboren in 2008 (in of omstreeks de periode van 15 oktober 2021 tot en met 19 oktober 2021)
(zaaksdossier 4: zaak 12)
- [slachtoffer 7] , geboren in 2007 (in of omstreeks de periode van 1 december 2021 tot en met 31 december 2021)
(zaaksdossier 4: zaak 13)
- [slachtoffer 8] , geboren in 2007 (op of omstreeks 02 januari 2022)
(zaaksdossier 4: zaak 15)
- [slachtoffer 9] , geboren in 2007 (in of omstreeks de periode van 09 januari 2022 tot en met 10 januari 2022)
(zaaksdossier 4: zaak 16)
- [slachtoffer 10] , geboren in 2008 (op of omstreeks 28 november 2021)
(zaaksdossier 4: zaak 17)
- [slachtoffer 11] , geboren in 2009 (in of omstreeks de periode van 27 november 2021 tot en met 30 december 2021)
(zaaksdossier 4: zaak 18)
- [slachtoffer 12] , geboren in 2012 (in of omstreeks de periode van 2 december 2023 tot en met 31 december 2023)
(zaaksdossier 4: zaak 20)
- [slachtoffer 13] , geboren in 2005 (in of omstreeks de periode 01 januari 2018 van tot en met 31 december 2019)
(zaaksdossier 4: zaak 24)
- [slachtoffer 14] , geboren in 2004 (in of omstreeks de periode van 01 januari 2019 tot en met 18 juni 2020)
(zaaksdossier 4: zaak 25)
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij verdachte:
een of meer van voornoemde meisjes,
opzettelijk bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen, te weten:
- het zich geheel of gedeeltelijk ontkleden en/of tonen van hun/haar gedeeltelijk ontblote lichaam,
- het betasten van (de eigen) borsten en/of vagina en/of billen en/of
- het penetreren met (de) vinger(s) en/of met een voorwerp van de (eigen) vagina en/of het brengen en/of duwen van (de)(eigen) vinger(s) en/of een voorwerp tussen de (eigen) schaamlippen,
- het maken van foto’s en/of video’s van een of meer bovengenoemde handelingen en/of de foto’s en/of video’s naar verdachte te sturen.
en/of
ontuchtige handelingen van verdachte laten dulden, te weten:
- het tonen van zijn, verdachtes, ontblote penis,
- en/of versturen van afbeeldingen van zijn ontblote penis en/of
- het tonen en/of versturen van video’s van masturbatie door verdachte
terwijl een of meer voornoemde meisjes, via WhatsApp en/of Snapchat en/of chatprogramma's en/of social media, in elk geval via het internet, op verzoek, instructie, dwang en/of onder dreigement(en) van hem, verdachte, voornoemde ontuchtige handelingen hebben verricht bij zichzelf en/of voornoemde ontuchtige handelen van hem, verdachte, hebben geduld, welke ontuchtige handelingen geheel of gedeeltelijk (via videoverbinding) zichtbaar waren voor hem en/of voornoemde meisjes en/of waarvan - op verzoek, instructie, dwang en /of onder dreigement(en) van hem, verdachte - foto’s en/of video’s zijn gemaakt en/of toegezonden en/of waarvan (vervolgens) door hem, verdachte, afbeeldingen en/of video’s zijn gemaakt en/of bewaard
4
hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 25 januari 2025 te Vlijmen, gemeente Heusden, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
(in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht)
een of meer afbeeldingen en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken
en/of
(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 15 januari 2025, artikel 252 Wetboek van Strafrecht)
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken te weten:
- [slachtoffer 2]
- [slachtoffer 3]
- [slachtoffer 1]
- [slachtoffer 4]
- [slachtoffer 5]
- [slachtoffer 6]
- [slachtoffer 7]
- [slachtoffer 8]
- [slachtoffer 9]
- [slachtoffer 10]
- [slachtoffer 11]
- [slachtoffer 12]
- [slachtoffer 13]
- [slachtoffer 14]
- [slachtoffer 15]
heeft vervaardigd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, te weten (een) telefoon(s) merk Samsung en/of Iphone en/of (een)
laptop(s) en/of (een) desktop(s) en/of een of meer harde schijven bevattende afbeeldingen/visuele weergaven,
waarop te zien is:
het oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het (eigen) lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,
(proces verbaal nummer 278, overzicht p. 29 t/m 70)
(toonmap p 6, [slachtoffer 3] , afbeelding 1 en/of afbeelding 2)
(toonmap p 13, [slachtoffer 5] , afbeelding 1)
(toonmap p 16, [slachtoffer 6] , afbeelding 2)
(toonmap p 19, [slachtoffer 8] , afbeelding 1)
(toonmap p 22. [slachtoffer 11] , afbeelding 1)
(toonmap p 25, [slachtoffer 13] , afbeelding 1)
(toonmap p 26, [slachtoffer 14] , afbeelding 2)
en/of
het betasten en/of aanraken van het (eigen) geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,
(proces verbaal nummer 278, overzicht p. 29 t/m 70)
(toonmap p 5, [slachtoffer 2] afbeelding 1)
(toonmap p 6, [slachtoffer 3] , afbeelding 2)
(toonmap p 13, [slachtoffer 5] , afbeelding 1)
(toonmap p 19, [slachtoffer 8] , afbeelding 1)
(toonmap p 20, [slachtoffer 9] , afbeelding 2)
(toonmap p 21, [slachtoffer 10] , afbeelding 1)
(toonmap p 22, [slachtoffer 11] , afbeelding 1)
(toonmap p 25, [slachtoffer 13] , afbeelding 2)
en/of
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) die afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en/of strekte(n) tot seksuele prikkeling
(proces verbaal nummer 278, overzicht p. 29 t/m 70)
[slachtoffer 1]
(toonmap p 6, [slachtoffer 3] , afbeelding 3)
(toonmap pil, [slachtoffer 4] , afbeelding 2)
(toonmap p 16, [slachtoffer 6] , afbeelding 1)
(toonmap p 17, [slachtoffer 7] , afbeelding 1)
(toonmap p 20, [slachtoffer 9] , afbeelding 2)
(toonmap p 21, [slachtoffer 10] , afbeelding 1)
(toonmap p 22, [slachtoffer 11] , afbeelding 1)
(toonmap p 23, [slachtoffer 12] , afbeelding 1)
(toonmap p 25, [slachtoffer 13] , afbeelding 3)
(toonmap p 26, [slachtoffer 14] , afbeelding 1)
(toonmap p 29, [slachtoffer 15] , afbeelding 1)
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.