RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs.
De bewijsmiddelen.
Overwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2.
Conclusie.
Ten aanzien van feit 1
Ten aanzien van feit 2.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
vonnis
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.172434.23
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
geboren te [geboorteplaats] op [1994]
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 november 2023, 12 januari 2024, 4 april 2024, 12 mei 2025, 27 en 28 januari 2026 en 23 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 oktober 2023.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 mei 2025 is aangepast overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 10 juli 2023 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen eenmaal of meermalen te schieten op/in de richting van die [slachtoffer 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 10 juli 2023 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen eenmaal of meermalen te schieten op/in de richting van die [slachtoffer 1] bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 9 juli 2023 en/of 10 juli 2023 te Eindhoven en/of Geldrop, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door - op 9 juli 2023 en/of 10 juli 2023 telefonisch en/of via Signal contact te onderhouden met [slachtoffer 1] over de ontmoeting en/of de levering van drugs en/of - een of meer vuur(wapens) in zijn auto te bewaren en/of - het leveren en/of meenemen van een of meer (vuur)wapens en/of - mee te helpen met het verpakken van het nepgeld en/of - op 10 juli 2023 in zijn auto met medeverdachte [medeverdachte] naar de ontmoeting met [slachtoffer 1] in Eindhoven te rijden en/of na die ontmoeting met voornoemde [medeverdachte] in zijn auto de ontmoetingsplek te verlaten en/of voornoemde [medeverdachte] naar Geldrop te brengen;
2 hij op of omstreeks 23 juni 2023 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto (Audi RS6, kenteken: [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander [persoon 2] aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde, heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, door gebruik te maken van een kastje om voornoemde auto te openen en/of te starten;
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Inleiding.
De rechtbank zal verdachte [verdachte] , medeverdachte [medeverdachte] , en [slachtoffer 1] , in verband met de leesbaarheid van het vonnis, hierna telkens met hun achternamen – respectievelijk ‘ [verdachte] ’, ‘ [medeverdachte] ’ en ‘ [slachtoffer 1] ’ – aanduiden.
Op 10 juli 2023 omstreeks 14.53 uur kwam bij de politie een melding van een schietpartij op de Heezerweg te Eindhoven binnen. Ter plaatse werd door de politie het lichaam van [slachtoffer 1] met een schotwond aangetroffen. Al snel kwamen [verdachte] en [medeverdachte] bij de politie in beeld als verdachten.
Op 14 juli 2023 is [verdachte] in Duitsland aangehouden. [medeverdachte] is lange tijd onvindbaar gebleven voor de politie, maar is uiteindelijk op 25 augustus 2024 in Hoogerheide aangehouden.
[verdachte] wordt onder feit 1 primair verweten dat hij op 10 juli 2023 [slachtoffer 1] , al [persoon 2] niet samen met [medeverdachte] , opzettelijk van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen op hem te schieten. Subsidiair wordt hem medeplichtigheid aan de dood van [slachtoffer 1] verweten. [medeverdachte] zou [slachtoffer 1] om het leven hebben gebracht en [verdachte] zou hem daar – kort gezegd – bij hebben geholpen.
Tijdens het politieonderzoek naar het overlijden van [slachtoffer 1] , ontstaat bij de politie het vermoeden dat [medeverdachte] en [verdachte] betrokken zijn bij de diefstal van een auto (Audi RS6) op 23 juni 2023 te Beek en Donk. Dit is ten laste gelegd onder feit 2. [verdachte] wordt verweten, al [persoon 2] niet samen met [medeverdachte] , deze auto te hebben gestolen.
Het standpunt van de officier van justitie.
Ten aanzien van feit 1.
De officier van justitie acht op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten medeplegen van doodslag, wettig en overtuigend bewezen. Daartoe heeft de officier van justitie het volgende – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd.
[medeverdachte] en [verdachte] verklaren op tal van relevante punten niet gelijkluidend en wijzen elkaar aan als de schutter. Bij de beoordeling van de waarde van deze verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] hecht de officier van justitie aan de eventuele verankering van de verklaringen in andere bewijsmiddelen. Daarnaast wordt acht geslagen op de aard en gedetailleerdheid van een verklaring, het moment waarop deze is afgelegd, de ogenschijnlijke authenticiteit en consistentie ervan en in voorkomende gevallen ook de mate waarin een verklaring (of deel ervan) wel of niet lijkt te passen bij het logische of plausibele scenario.
De officier van justitie betoogt dat [slachtoffer 1] in zijn rug is geschoten en dat dit heeft geleid tot zijn dood.
De huls die vlak bij het stoffelijk overschot, ter hoogte van het rechter voorwiel van de auto van [slachtoffer 1] , is aangetroffen, is zeer wel mogelijk verschoten met een vuurwapen van het merk Heckler en Koch, model SFP9 en kaliber 9mm Parabellum.
De officier van justitie gaat ervan uit dat het vuurwapen, waarmee [slachtoffer 1] op 10 juli 2023 is doodgeschoten, vóór het schietincident maandenlang in het bezit van [medeverdachte] was. De officier van justitie gaat er ook van uit dat [verdachte] op 7 juli 2023 in een videoclip dit vuurwapen vasthield en doorlaadde en dus drie dagen voor de dood van [slachtoffer 1] over het wapen beschikte. Of [verdachte] of [medeverdachte] dit wapen op de dag van het schietincident onder zich hadden kan in de visie van de officier van justitie niet blijken. De resultaten van het onderzoek naar de bewegingen van het vermoedelijke ‘moordwapen’ leiden volgens het Openbaar Ministerie niet tot overtuigende identificatie van de schutter, maar dwingen wel tot de conclusie dat dit vuurwapen zich op en rond 10 juli 2023 in het kringetje (of de machtssfeer) van [medeverdachte] en [verdachte] bevond. De herhaalde verklaring van [verdachte] dat hij op 10 juli 2023 tot op de Heezerweg niet wist van een vuurwapen klopt volgens de officier van justitie niet.
De uitkomsten van het uitgevoerde schotrestenonderzoek aan de auto van [verdachte] hebben geen duidelijkheid opgeleverd over de identiteit van de schutter.
De officier van justitie concludeert dat [medeverdachte] óf [verdachte] heeft geschoten, maar dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie van hen heeft geschoten. Het ontbreekt aan relevant technisch bewijs of betrouwbare getuigenverklaringen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [medeverdachte] en [verdachte] dit feit samen hebben gepleegd en dat dus sprake is van medeplegen.
[medeverdachte] en [verdachte] spanden intensief samen om [slachtoffer 1] via de schijnbelofte van een keurige betaling voor een partij wiet naar – uiteindelijk – de Heezerweg te lokken. Hun plan was om die partij wiet daar van hem af te pakken zonder er (op dat moment) voor te betalen. Het lag vooraf allerminst voor de hand dat [slachtoffer 1] zich er meteen bij zou neerleggen.
[medeverdachte] en [verdachte] onderkenden dat en besloten om die reden om zich voor hun confrontatie met [slachtoffer 1] te bewapenen met een of meer geladen vuurwapens. Het meenemen van vuurwapens maakte dus onderdeel uit van hun plan.
[medeverdachte] zei op de zitting (op 27 januari 2026) daarover dat de confrontatie met [slachtoffer 1] mogelijk zou kunnen escaleren: wie weet droeg hij een vuurwapen of had hij mensen bij zich. Bij de politie verklaarde [medeverdachte] eerder dat het zou kunnen dat ‘ze ons iets aan willen doen’ en dat het uit de hand zou kunnen lopen, en dat zij dus geladen vuurwapens meenamen voor de veiligheid of als een soort van verzekering. Wat het Openbaar Ministerie betreft ligt daarin al besloten dat ze op voorhand rekening hielden met de mogelijkheid dat ze het wapen of de wapens ook hadden te gebruiken; ze voorzagen zich ook van een of meer geladen vuurwapens. Door vervolgens evengoed met levensgevaarlijk wapentuig met [slachtoffer 1] (met wie zij kort daarvoor nog in conflict lagen) een confrontatie aan te gaan, hem te overvallen met de mededeling dat zij niet gingen betalen voor de wiet die hij hen had te leveren en daarbij ook nadere druk op hem te zetten, creëerden ze welbewust zelf een hectische, stressvolle wanorde waarin, aldus de officier van justitie, het reëel en niet onwaarschijnlijk was dat een niet-welgevallige actie of reactie van die [slachtoffer 1] zou leiden tot inzet van vuurwapengeweld. Dat niet duidelijk werd wat uiteindelijk de precieze aanleiding was van het dodelijke schot, maakt daarbij geen verschil: het voorwaardelijk opzet van beide verdachten was in de gegeven omstandigheden in elk geval in globale zin gericht op het schieten op [slachtoffer 1] .
De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat er door [medeverdachte] en [verdachte] kennelijk geen afspraken zijn gemaakt ter beteugeling of begrenzing van eventueel vuurwapengeweld en dat de inzet van een of meer vuurwapens in de gegeven omstandigheden ook een logisch drukmiddel vormde. Ook na het fatale schot hielden zij vast aan hun samenwerking door gezamenlijk naar Geldrop te vluchten.
[medeverdachte] en [verdachte] pleegden de primair ten laste gelegde doodslag tezamen en in vereniging, aldus de officier van justitie.
Ten aanzien van feiten 2 en 3.
De officier van justitie acht eveneens de onder 2 ten laste gelegde gekwalificeerde autodiefstal, in vereniging gepleegd wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van feit 1.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van feit 1.
De raadsvrouw heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit.
De raadsvrouw heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat [verdachte] niet de schutter is geweest, dat hij niet het voor medeplegen van doodslag benodigde opzet op de dood heeft gehad en evenmin heeft bijgedragen aan het schieten door [medeverdachte] . Ook de medeplichtigheid is, aldus de raadsvrouw, niet te bewijzen.
De verklaringen van [medeverdachte] moeten als onjuist en onbetrouwbaar terzijde worden gesteld.
De verklaringen van [verdachte] over de Audi RS6 zijn voor een groot deel naar waarheid afgelegd en vinden bevestiging in het dossier.
[verdachte] wilde geen wiet in de auto van zijn vader vervoeren en wilde buiten een eventuele oplichting blijven. Uit de communicatie tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] blijkt duidelijk dat hij de problemen met de Audi RS6 wilde uitpraten en de betaling wilde ontvangen. [verdachte] zag het niet als zijn wietdeal en ook niet als een gezamenlijke insteek om [slachtoffer 1] op te lichten.
[verdachte] ging af op de mededeling van [medeverdachte] dat het resterende bedrag voor de Audi RS6 tijdens de ontmoeting met [slachtoffer 1] op 10 juli 2023 door [slachtoffer 1] zou worden voldaan.
De wijze waarop [slachtoffer 1] en de Mini Cooper zijn aangetroffen na het schietincident, zijn in lijn met hetgeen [verdachte] heeft verklaard over de gang van zaken aldaar. [verdachte] is consistent in zijn verklaringen hierover.
De lezing die [medeverdachte] heeft over hoe het op de plaats delict is gegaan past niet bij hoe de plaats delict is aangetroffen.
[verdachte] heeft direct aan anderen verteld wat er was gebeurd en was daarvan ontdaan. Hij heeft dit niet alleen aan naasten verteld, maar ook aan zijn leidinggevende bij [bedrijf] . Dat hij het direct aan anderen heeft verteld en de wijze waarop (duidelijk onrustig en ontdaan) draagt bij aan de aannemelijkheid van zijn verhaal.
[verdachte] had zich meteen moeten melden, maar zijn gedrag is (op zijn minst) óók te plaatsen in de situatie waarin [verdachte] terecht is gekomen zoals hij daarover heeft verklaard. Het doet niet af aan de inhoudelijke verklaringen die hij snel na zijn aanhouding heeft afgelegd.
De verklaring van [verdachte] dat hij [medeverdachte] niet eerder met een wapen heeft gezien tot die 10e juli toen het wapen werd gebruikt, wordt niet weerlegd door de bewijsmiddelen. Dat hij wel wist van de aanwezigheid van een wapen bij [medeverdachte] wordt niet aangetoond.
Er is bij [medeverdachte] , zo lijkt het, geen enkele twijfel geweest om te vluchten naar het buitenland. [medeverdachte] moet direct geregeld hebben dat hij zou worden opgehaald en over de landsgrenzen zou worden gebracht. Als er vervolgens tijdens de vlucht gedoe ontstaat, worden er binnen zijn netwerk ook uitlatingen gedaan die passend zijn bij wetenschap van het feit dat het [medeverdachte] is geweest die iemand heeft neergeschoten.
De verklaringen van [medeverdachte] en [persoon 1] zijn niet als betrouwbaar aan te merken en kunnen niet, ook niet op onderdelen, als bewijs tegen [verdachte] dienen.
Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte] merkt de verdediging allereerst op dat het er in haar visie niet op lijkt dat [medeverdachte] daadwerkelijk vindt dat de waarheid aan het licht moet komen. De verdediging wijst op het opgeven van de valse naam bij de aanhouding en een uitlating die [medeverdachte] bij de politie heeft gedaan. Verder zijn er volgens de verdediging veel punten waarop de verklaringen van [medeverdachte] niet overeenkomen met andere bevindingen in dit dossier. Het gaat niet alleen om wie er geschoten heeft en hoe het is gegaan op de Heezerweg, maar ook onder meer over de wietdeal die op 10 juli 2023 gepland stond.
De verklaringen van [verdachte] over de afspraken over de betaling voor de Audi RS6, de contacten met [persoon 2] , de aanloop naar de ontmoeting op de Heezerweg, zijn stellige verklaring dat hij daar zijn geld zou krijgen en dit anders liep en hoe [medeverdachte] vervolgens [slachtoffer 1] neergeschoten heeft, zijn consistenter, gedetailleerder, eerder afgelegd en vooral meer in lijn met de overige bevindingen. De raadsvrouw is [persoon 2] ook van mening dat de rechtbank van die lezing uit zou moeten gaan.
[verdachte] heeft duidelijk ontkend te hebben geweten dat [medeverdachte] een vuurwapen bij zich had en hij betwist dat er twee wapens zouden zijn meegenomen in een stashlocatie.
Al zou hij hebben geweten van de aanwezigheid van dat wapen, [persoon 2] is dat nog niet voldoende om aan te nemen dat er een gezamenlijk plan was waarin het gebruik van een wapen een rol zou spelen en hij ( [verdachte] ) zich daarvan bewust was. Dat daar afspraken over zijn gemaakt, of dat hij in ieder geval de mogelijkheid van het gebruik van een wapen tegen [slachtoffer 1] heeft voorzien en die mogelijkheid als aanmerkelijk heeft ingeschat en als zodanig heeft aanvaard, blijkt niet.
Het aannemen van opzet op de dood bij degene die niet geschoten heeft, is een hele grote stap. Te meer als niet precies vaststellingen kunnen worden gedaan over wat wel onderdeel was van een (eventueel) gezamenlijk plan.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen of medeplichtigheid. [verdachte] had geen opzet op de dood of het gebruik van geweld. Evenmin heeft [verdachte] [medeverdachte] daartoe behulpzaam willen zijn.
Indien bewezen wordt dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet had op de oplichting, [persoon 2] geldt nog altijd dat de oplichting niet voldoende verband houdt met het delict doodslag dat uiteindelijk is gepleegd.
Ten aanzien van feit 2.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Indien en voor zover de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de rechtbank voor zover nodig verwijzen in de voetnoten naar de vindplaatsen van de aangehaalde stukken in het dossier. De rechtbank gebruikt daarbij de volgende afkortingen:
- zaaksdossiers Sevenoaks is ‘Zd’,
- forensisch dossier is ‘Fd’,
- persoonsdossier [medeverdachte] is ‘Pd [medeverdachte] ’.
Vaststelling van de feiten.
De rechtbank zal hierna op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting – voor zover mogelijk – vaststellen wat er op 10 juli 2023, en in aanloop naar die datum, is gebeurd.
De rechtbank hecht eraan eerst het volgende te overwegen over de door [medeverdachte] en [verdachte] afgelegde verklaringen.
De waardering van de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] .
De rechtbank constateert dat [medeverdachte] en [verdachte] beiden meerdere verklaringen hebben afgelegd. Zij hebben meerdere keren verklaard bij de politie en ook ter zittingen hebben zij verklaringen afgelegd. De rechtbank constateert ook dat zij op tal van relevante punten uiteenlopend hebben verklaard, dat zij elkaar op (essentiële) onderdelen tegenspreken en dat zij elkaar aanwijzen als de schutter.
De rechtbank zal daarom behoedzaam om gaan met de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] .
Bij de vaststelling van de feiten zal de rechtbank in beginsel uitgaan van de objectieve bewijsmiddelen en de getuigenverklaringen in het dossier.
Voor zover [medeverdachte] en [verdachte] gelijkluidend hebben verklaard, zal de rechtbank gebruik kunnen maken van deze verklaringen, als (onderdelen van) deze verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] voldoende steun vinden in objectieve bewijsmiddelen in het dossier.
Dat geldt ook voor de afzonderlijke (niet gelijkluidende) verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] : als die steun vinden in objectieve bewijsmiddelen, zouden die door de rechtbank kunnen worden gebruikt.
Overlijden [slachtoffer 1] .
Op 10 juli 2023 is [slachtoffer 1] op de Heezerweg in Eindhoven, nabij een woonwagenkamp, overleden. De forensisch patholoog heeft geconstateerd dat sprake is van één schotkanaal, ten gevolge van één doorschot lopende van links-centraal aan de rug naar links aan de voorzijde van de borstkas. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door een doorschot door de borstkas.
Bevindingen plaats delict.
Van de schietpartij is melding gemaakt bij de politie omstreeks 14.53 uur die dag. De politie was rond 15.00 uur ter plaatse.
[slachtoffer 1] is door de politie liggend in de berm aangetroffen. Getuigen die als eerste ter plaatse waren, hebben verklaard dat zij [slachtoffer 1] met zijn buik op de grond hebben aangetroffen en dat zij hem op verzoek van de centralist van de meldkamer op zijn rug hebben gedraaid.
Vlak bij het lichaam van [slachtoffer 1] stond een Mini Cooper (hierna: Mini) geparkeerd. Dit is de auto waarmee [slachtoffer 1] naar Eindhoven is gekomen.
Aan de rechterzijde waren de portieren van de Mini gesloten, het portier aan de bestuurderszijde en het achterportier aan de linkerzijde stonden helemaal open. Nabij [slachtoffer 1] zijn twee mobiele telefoons aangetroffen. Deze zijn inbeslaggenomen en onderzocht.
Ter hoogte van het rechter voorwiel van de Mini is één patroonhuls van het merk GECO, kaliber 9 mm, op het wegdek aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat er geen sporen zijn aangetroffen die erop wijzen dat er meer [persoon 2] één keer is geschoten.
De huls is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en de afvuursporen worden verwacht wanneer deze huls is verschoten met een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9 mm. Parabellum, merk Heckler & Koch, model SFP9 (en daarvan afgeleide modellen). Andere merken en modellen vuurwapens zijn echter niet geheel uit te sluiten.
In de Mini is tussen het middenconsole en de bijrijdersstoel een Albert Heijn tas met daarin drie bundels met vals geld aangetroffen met een totale ‘waarde’ van € 29.900,--. De bundels waren verpakt met doorzichtige folie. Op de folie stond met zwarte stift ‘10K’ geschreven. Op de biljetten stond de tekst ‘pokergame’.
In de achterbak van de Mini is een gele Jumbo tas aangetroffen met daarin 1,98 kilogram gedroogde henneptoppen.
De politie heeft vlak na de melding van de schietpartij, aan de rechterzijde van het bospad vlak vóór het woonwagenkamp aan de Heezerweg, een grijze Audi A3 met het kenteken [kenteken 3] aangetroffen. Deze auto is gecontroleerd en in deze auto bevond zich [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ). Later is gebleken dat [persoon 3] ter ondersteuning en op verzoek van [slachtoffer 1] naar deze plek in Eindhoven is gegaan.
[medeverdachte] en [verdachte] worden aangemerkt als verdachten.
Op camerabeelden is naast de Mini van [slachtoffer 1] en de Audi waarin [persoon 3] reed een donkerkleurige auto te zien. Deze auto reed om 14.42.20 uur op de Heezerweg richting het woonwagenkamp. Deze auto komt om 14.42.47 uur op de Heezerweg uit de richting van het woonwagenkamp en rijdt in de richting van het Kannunikensven. Deze auto, het gaat om een zwarte Ford Fiësta met kenteken [kenteken 2] , werd in direct verband gebracht met [verdachte] .
[medeverdachte] en [verdachte] zijn beiden meerdere keren (afzonderlijk van elkaar) bij de politie gehoord en hebben verklaard op 10 juli 2023 een afspraak met [slachtoffer 1] te hebben gehad en ter plaatse te zijn geweest op het moment dat [slachtoffer 1] dood is geschoten. Zij hebben elkaar steeds aangewezen als de schutter, zoals hiervoor al is geconstateerd.
[medeverdachte] en [verdachte] verklaren verschillend over de precieze reden voor de afspraak met [slachtoffer 1] . Zij verklaren allebei wel, in de kern weergegeven, dat die te maken had met een restschuld van [slachtoffer 1] , na zijn aanschaf van een door hen gestolen Audi RS6.
Gelet op deze samenhang en de chronologie voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer 1] , zal de rechtbank hierna eerst feit 2, de verdenking van de diefstal van een personenauto (Audi RS6) op 23 juni 2023 te Beek en Donk, bespreken.
De diefstal van de Audi RS6 op 23 juni 2023 (feit 2) en de verkoopprijs van deze auto.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) op 5 juni 2023 aan [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) heeft gevraagd een RS6 te regelen. Kort daarna, op 5 juni 2023, heeft [persoon 1] aan [medeverdachte] gevraagd of hij een RS6 kan regelen. [medeverdachte] heeft daarop op 7 juni 2023 bevestigend geantwoord: ‘Rs6, Sii’. [persoon 1] heeft daarop gevraagd wat hij vraagt voor die RS6, waarop [medeverdachte] heeft geantwoord ‘6.5k.’ (de rechtbank begrijpt: € 6.500,--).
Op 21 juni 2023 hebben er chatgesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] plaatsgevonden. [verdachte] heeft aangegeven dat hij straks blut is en geen geld voor zijn verbouwing heeft. [medeverdachte] heeft daarop gereageerd dat ze morgen een snelle 6.5 verdienen.
Op 23 juni 2023 omstreeks 02.13 uur is op de [adres 2] te Beek en Donk een Audi RS6 met kenteken [kenteken 1] gestolen door twee personen.
[medeverdachte] en [verdachte] hebben bekend dat zij deze Audi RS6 samen hebben gestolen. Dit hebben zij gedaan met behulp van een kastje, dat [medeverdachte] daarvoor in Polen heeft aangeschaft.
Na de diefstal van de Audi RS6 is deze auto meteen door [medeverdachte] en [verdachte] naar een garagebox te Eindhoven gereden. Daar heeft vervolgens contact plaatsgevonden tussen [medeverdachte] en [verdachte] en (onder meer) tussenpersoon [persoon 2] .
[persoon 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] de Audi RS6 heeft gekocht. Uit de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte] en [persoon 2] blijkt dat de dag na de diefstal het eerste contact tussen [verdachte] , [medeverdachte] en [slachtoffer 1] is ontstaan.
[slachtoffer 1] wilde volgens [medeverdachte] de Audi RS6 alvast meenemen en later betalen. Hier ging [medeverdachte] niet mee akkoord. Uiteindelijk heeft [slachtoffer 1] in de nacht van 26 op 27 juni 2023 de Audi RS6 opgehaald zonder medeweten van [medeverdachte] en [verdachte] .
Concluderend stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] en [verdachte] op 23 juni 2023 samen een Audi RS6 hebben gestolen. De Audi RS6 was bestemd voor [slachtoffer 1] , hij heeft deze auto uiteindelijk – met tussenkomst van [persoon 1] en [persoon 2] – gekocht.
Over de koopprijs van de Audi RS6 overweegt de rechtbank nog het volgende.
Op grond van voornoemde chatgesprekken stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] op 7 juni 2023 voor deze Audi RS6 een verkoopbedrag van € 6.500,-- heeft afgesproken. [medeverdachte] heeft dit bedrag op 21 juni 2023 ook met [verdachte] gecommuniceerd en ook tussenpersoon [persoon 2] is uitgegaan van een aankoopbedrag van € 6.500,-- voor de gestolen auto.
De rechtbank ziet dat tussen het chatgesprek van 7 juni 2023 en de uiteindelijke autodiefstal een periode van ruim twee weken is gelegen, maar legt toch de koppeling tussen de chatgesprekken van 5 en 7 juni 2023 en de diefstal van de Audi RS6 op 23 juni 2023. [medeverdachte] is in de tussenliggende periode van 13 juni 2023 tot 21 juni 2023 namelijk naar Polen geweest om een ‘kastje’ voor de diefstal te kopen en op 21 juni 2023 werd in het chatgesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] gesproken over ‘Broer morgen verdienen we snelle 6.5’, waarna de volgende dag na middernacht (dus als het net 23 juni 2023 is) de Audi RS6 te Beek en Donk is gestolen door [medeverdachte] en [verdachte] .
Is er sprake van een restschuld van [slachtoffer 1] bij [medeverdachte] en [verdachte] voor de aankoop van de Audi RS6?
De Audi RS6 werd dus door [medeverdachte] en [verdachte] voor € 6.500,-- verkocht. [persoon 1] heeft tegen [persoon 2] gezegd dat hij de auto voor € 7.500,-- verkocht. [persoon 1] wilde
hier dus € 1.000,-- op verdienen. Ook [persoon 2] heeft een bedrag voor zichzelf gerekend:
€ 2.500,--. [slachtoffer 1] moest dus in totaal € 10.000,-- betalen.
De rechtbank stelt vast dat [persoon 2] € 2.5000,-- heeft betaald aan [medeverdachte] en [verdachte] . [slachtoffer 1] wilde verder met wiet betalen, omdat hij geen cash meer had. Het ging om 2 kilo die ongeveer
€ 5.000,-- waard was. [medeverdachte] en [verdachte] accepteerden maar één kilo. Op dat moment was dus ongeveer € 5.000,-- van de verkoopprijs voldaan. [persoon 2] zou het restant op 10 juli 2023 betalen. [persoon 2] heeft op 10 juli 2023 om 12:56 uur contact gehad met [verdachte] , waarbij de afspraak is gemaakt om elkaar die avond tussen 23:00 uur en 24:00 uur te ontmoeten om het nog resterende bedrag voor de Audi RS6 te betalen.
Deze afspraak over de betaling van het resterende bedrag is bevestigd door de broer van [persoon 2] . Volgens hem ging het nog om een bedrag van € 1.500,--. De rechtbank stelt ten slotte in dit verband vast dat op 10 juli 2023 om 12:56:16 uur een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [persoon 2] en [verdachte] . De afspraak is dus gemaakt voordat het schietincident plaatsvond.
De rechtbank volgt [medeverdachte] en [verdachte] daarom niet in hun verklaringen dat zij op 10 juli 2023 met [slachtoffer 1] hadden afgesproken in verband met de restschuld die [slachtoffer 1] volgens hen had. Voorafgaand aan die afspraak met [slachtoffer 1] was namelijk al duidelijk dat die avond het restant door [persoon 2] zou worden voldaan.
Drugsdeal van 11 kilogram met [slachtoffer 1] op 10 juli 2023.
De rechtbank stelt op basis van de chatberichten op 9 en 10 juli 2023 vast dat er op 10 juli 2023 een ontmoeting zou plaatsvinden tussen [slachtoffer 1] enerzijds en [medeverdachte] en [verdachte] anderzijds in verband met een drugsdeal.
Op basis van de chatgesprekken op 9 en 10 juli 2023 tussen [slachtoffer 1] en [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ) en tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte] en/of [verdachte] stelt de rechtbank namelijk vast dat er tussen hen onder meer is gecommuniceerd over ‘haze’ (de rechtbank begrijpt: wiet), de prijs van 28 (de rechtbank begrijpt: € 2.800,-- per kilo), 30k (de rechtbank begrijpt: een bedrag van € 30.000,--) en het leveren van 11 stuks (de rechtbank begrijpt: 11 kilo) de volgende dag.
Op basis van (onder meer) chatgesprekken tussen [slachtoffer 1] en [persoon 4] en de verklaringen van [persoon 4] stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] voorafgaand aan de ontmoeting tot op het laatste moment druk bezig is geweest om 11 kilo wiet bij elkaar te krijgen, maar dat dat niet is gelukt.
[medeverdachte] heeft op 10 juli 2023 om 11.15.16 uur naar [slachtoffer 1] een foto van een pakketje bankbiljetten, gebundeld in doorzichtige folie met daarop in zwarte letters de tekst 10K, gestuurd. [medeverdachte] wilde zekerheid en wilde dat [slachtoffer 1] een foto zou sturen van de handel, voordat hij ( [medeverdachte] ) zou gaan rijden.
[medeverdachte] en [verdachte] hebben onder meer ter zitting verklaard dat het geld op de foto nepgeld is. De briefjes waren zo gevouwen en verpakt dat het niet meteen zichtbaar was dat ze nep waren.
[verdachte] heeft op verzoek van [medeverdachte] folie gekocht. [medeverdachte] en [verdachte] hebben het nepgeld samen met [persoon 5] , in de woning van [medeverdachte] in die folie ingepakt, in een tas gedaan en meegenomen naar de ontmoeting met [slachtoffer 1] . Dit nepgeld is in de Mini van [slachtoffer 1] aangetroffen op de plaats delict, zoals hiervoor al is vastgesteld.
Uit de verklaring van [medeverdachte] ter zitting afgelegd blijkt dat het de bedoeling was [slachtoffer 1] op te lichten tijdens de ontmoeting met hem. Het was de bedoeling het nepgeld als lokaas te gebruiken, zodat [slachtoffer 1] met wiet over de brug zou komen. Ze wilden chaos creëren. Ze hebben verzonnen dat ze een klant in Venlo hadden, en wekten de indruk dat ze veel haast hadden in verband met de levering aan die klant. Het was de bedoeling dat [slachtoffer 1] geen tijd zou hebben het geld te tellen zodat ze met de wiet zouden kunnen vertrekken, voordat [slachtoffer 1] het geld zou hebben geteld en dus voordat hij erachter zou komen dat het nepgeld was.
In de chatgesprekken, waarin onder meer wordt aangegeven door [medeverdachte] en/of [verdachte] dat er haast bij was, dat de druk werd opgevoerd en wordt gesproken over een klant in Venlo, vindt de rechtbank bevestiging voor de verklaring van [medeverdachte] , dat het de bedoeling was [slachtoffer 1] op te jagen en chaos te creëren.
[verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat het geld nep was, maar dat het [medeverdachte] was die [slachtoffer 1] wilde oplichten met nep geld en dat hij zelf niets met wiet of de wietdeal te maken heeft. Dat gelooft de rechtbank niet.
Dat [verdachte] , anders [persoon 2] hij heeft verklaard, wel degelijk actief betrokken was bij de wietdeal blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende.
Allereerst wijst de rechtbank op het chatgesprek van 9 juli 2023 vanaf 10:26:10 uur tot en met 12.33.57 uur tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] . [verdachte] heeft om 12:22:49 uur aangegeven ‘alleen die haze heb ik klant voor’, ‘die kush kan ik er niks mee’. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat haze en kush wietsoorten zijn. Tijdens de terechtzitting (op 27 januari 2026) heeft [verdachte] bevestigd dat het in deze gesprekken om wiet gaat.
Verder valt op dat [verdachte] in het chatgesprek met [slachtoffer 1] heeft gezegd ‘Heb je driver vraagt de klant, kan je leveren tot Venlo’. Hiervoor heeft de rechtbank al vastgesteld dat [medeverdachte] en [verdachte] een klant in Venlo hebben verzonnen om chaos te creëren. Verder heeft [verdachte] aan [slachtoffer 1] gevraagd wat hij vraagt ‘per k’ om te leveren.
Op 9 juli 2023 heeft [medeverdachte] om 12.56.59 uur aan [slachtoffer 1] geschreven dat ze, zoals zijn ‘compa’ al zei, een klant hebben. De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de chatgesprekken, zoals hiervoor ook besproken, vast dat [medeverdachte] met ‘compa’ [verdachte] bedoelt.
Uit het feit dat [medeverdachte] in een gesprek met [slachtoffer 1] teruggrijpt op het eerdere gesprek van [verdachte] met [slachtoffer 1] , blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [medeverdachte] en [verdachte] over de wietdeal met elkaar in contact stonden en overleg hadden.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het plan en de bedoeling van [medeverdachte] en [verdachte] was om op 10 juli 2023 11 kilo wiet te verkrijgen van [slachtoffer 1] door met nepgeld te betalen. Ze wilden chaos creëren door aan te geven dat ze haast hadden in verband met een (verzonnen) klant in Venlo, in de verwachting dat het nepgeld niet geteld zou worden door [slachtoffer 1] en zij er met de 11 kilo wiet vandoor konden gaan.
In de chatgesprekken ziet de rechtbank nergens terug dat het (uiteindelijk) om twee kilo wiet zou gaan, zoals [medeverdachte] heeft verklaard. Volgens [medeverdachte] zou [slachtoffer 1] dit via een ‘ander kanaal’, waarop de politie geen zicht heeft gekregen, hebben gezegd. De rechtbank ziet in de chats wel, zoals hiervoor vastgesteld, dat [slachtoffer 1] tot het laatste moment probeert de 11 kilo bij elkaar te krijgen. Verder wijst de rechtbank op het volgende.
Het nepgeld, aangetroffen in de Mini, betreft een bedrag van € 29.900,--. Bij de politie en ter terechtzitting is er geen plausibele verklaring gekomen waarom een dergelijk groot bedrag aan nepgeld is ingepakt en meegenomen, als ze al bij vertrek wisten dat het maar om een hoeveelheid van twee kilo zou gaan, zoals [medeverdachte] verklaart.
De rechtbank wijst nog op het volgende. [medeverdachte] heeft in een chatgesprek met [slachtoffer 1] op 10 juli 2023 om 13.45.45 uur gezegd: ‘sta hier met kk 30.800 in een kk auto’. Dit bedrag correspondeert exact met de vraagprijs van € 2.800,-- x 11 kilo.
De rechtbank volgt [medeverdachte] [persoon 2] ook niet in zijn verklaring dat het die dag maar om twee kilo wiet ging.
Ontmoeting 10 juli 2023 op de Heezerweg.
Nadat [medeverdachte] en [verdachte] op 10 juli 2023 eerst in de nabijheid van Utrecht en in Velddriel zijn geweest om met [slachtoffer 1] af te spreken, hebben [medeverdachte] en [verdachte] met [slachtoffer 1] afgesproken elkaar te ontmoeten op het adres [adres 3] te Eindhoven. [medeverdachte] heeft om 13:58 uur dit adres naar [slachtoffer 1] gestuurd.
De rechtbank stelt vast dat vervolgens het volgende heeft plaatsgevonden:
[medeverdachte] is bij aankomst bij de Audi A3 uit de auto gestapt en heeft [persoon 3] aangesproken. Nadat [persoon 3] tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat hij verderop moest zijn, is [verdachte] stapvoets in de auto doorgereden richting [slachtoffer 1] , met [medeverdachte] lopend naast de auto. [medeverdachte] en [verdachte] dus zijn beiden richting [slachtoffer 1] gegaan. Daarna had [persoon 3] geen zicht meer op [medeverdachte] en [verdachte] .
De rechtbank stelt op basis van het volgende vast dat [slachtoffer 1] [persoon 2] ook via Signal contact heeft met [persoon 4] en hem laat weten dat hij in de problemen zit.
- Om 14.44.19 uur stuurt [slachtoffer 1] naar [persoon 4] : ‘ik ga nu naar je neefje lopen
die paar eurotjes afgeven’.
[persoon 4] heeft verklaard dat met ‘kk storing ’wordt bedoeld dat er problemen zijn.
- Omstreeks 14.53 uur is er een melding van de schietpartij.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat op 10 juli 2023 tussen 14.43 uur en 14.50.22 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer 1] enerzijds en [medeverdachte] en [verdachte] anderzijds. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat [medeverdachte] en [verdachte] erkennen dat zij daar aanwezig waren.
Zij hebben beiden verklaard dat zij bij [slachtoffer 1] in de Mini zijn gaan zitten. [slachtoffer 1] zat op de bestuurdersstoel, [verdachte] zat voorin op de passagiersstoel en [medeverdachte] zat achterin de auto.
Over wat vervolgens in de auto is gebeurd, verklaren [medeverdachte] en [verdachte] niet hetzelfde.
[medeverdachte] heeft – in de kern weergegeven – verklaard dat [verdachte] in de auto direct zei dat ze van die 2 kilo (de rechtbank begrijpt: wiet) niets gaan betalen. [slachtoffer 1] was daarvan niet onder de indruk en zei dat er zeker wel betaald zou worden. [medeverdachte] zei dat ze die 2 kilo zouden pakken als € 5.000,-- en dat de schuld daarmee was afgerekend. [slachtoffer 1] lachte en zei dat hij geen kleine jongen is. Op dat moment trok [verdachte] het wapen. [slachtoffer 1] probeerde de auto uit te stappen, maar [verdachte] probeerde hem tegen te houden. Dat lukte niet. Toen [slachtoffer 1] de auto uit stapte, stapte [verdachte] ook meteen de auto uit. Even later, toen [medeverdachte] de auto uit wilde stappen, hoorde hij een schot en zag hij [slachtoffer 1] op de grond vallen. [verdachte] begon te flippen en riep ‘wat moet ik doen’. Ze zijn de Ford Fiësta ingestapt en weggereden.
[verdachte] heeft – ook in de kern weergegeven – verklaard dat [medeverdachte] en [slachtoffer 1] in de Mini aan het praten waren. [medeverdachte] vroeg aan hem om het Albert Heijn tasje met geld (de rechtbank begrijpt: nepgeld) te pakken. Dat haalde hij uit de Ford Fiësta. Toen hij terugkwam in de Mini gaf hij de tas aan [medeverdachte] . [verdachte] vroeg om zijn geld. Het ging om het geld dat hij tegoed had na de verkoop van de gestolen Audi RS6. [slachtoffer 1] zei dat [verdachte] het kon pakken van het geld dat hij net had gegeven. [verdachte] wist dat het om nepgeld ging en is de auto uitgestapt. Na een aantal stappen hoorde hij [slachtoffer 1] schreeuwen ‘laat me los’. Hij zag [slachtoffer 1] en [medeverdachte] uitstappen. Hij zag dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] vanachter neerschoot. Vervolgens zei [medeverdachte] dat ze in de Ford Fiësta moesten stappen. Dat hebben ze gedaan en ze zijn weggereden.
De rechtbank constateert dat er geen objectieve bewijsmiddelen zijn die de verklaring van [medeverdachte] of die van [verdachte] kunnen bevestigen. Er zijn geen objectieve bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld wat tijdens de ontmoeting precies heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat er op dat moment, naast [slachtoffer 1] , andere personen aanwezig waren dan [medeverdachte] en [verdachte] . Daarover verklaren [medeverdachte] en [verdachte] ook niet.
De rechtbank kan dan ook niet vaststellen wat daar precies tijdens de ontmoeting is besproken en wat er toen is gebeurd.
De rechtbank kan wel vaststellen dat [slachtoffer 1] in ieder geval om 14.49.15 uur in de problemen zat. De rechtbank stelt ook vast dat [slachtoffer 1] tussen 14.50.22 uur en 14.52.47 uur is beschoten.
[medeverdachte] en [verdachte] hebben, zoals hiervoor weergegeven beiden verklaard dat [slachtoffer 1] tijdens de ontmoeting is neergeschoten en hebben elkaar als de schutter aangewezen.
De rechtbank stelt dan ook vast dat in ieder geval [medeverdachte] of [verdachte] [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten.
Wie is de schutter?
De vraag die vervolgens aan de orde komt, is of de rechtbank kan vaststellen wie de schutter was. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Forensisch onderzoek.
De politie heeft grondig forensisch onderzoek verricht. Het forensisch onderzoek heeft onder meer bestaan uit DNA- en dactyloscopisch onderzoek aan en in de auto van [slachtoffer 1] , onderzoek van de op de plaats delict aangetroffen huls en schotrestonderzoek aan de in Duitsland aangetroffen Ford Fiësta met kenteken [kenteken 2] .
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de resultaten van deze onderzoeken niet kan worden vastgesteld wie de schutter is geweest. Dat standpunt hebben ook de officier van justitie en de verdediging ingenomen.
Het wapen.
De rechtbank merkt allereerst op dat het wapen waarmee is geschoten niet is gevonden.
Op de plaats delict is wel één huls aangetroffen. Die huls is, zoals hiervoor al is benoemd, onderzocht door het NFI. De afvuursporen worden verwacht wanneer deze huls is verschoten met een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9 mm. Parabellum, merk Heckler & Koch, model SFP9 (en daarvan afgeleide modellen). Andere merken en modellen vuurwapens zijn echter niet geheel uit te sluiten.
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] in de periode voorafgaand aan het schietincident de beschikking had over een Heckler & Koch SFP9. [medeverdachte] heeft dit ook erkend.
De rechtbank stelt verder vast dat [verdachte] op 7 juli 2023, op het moment van de opname van een videoclip, dus drie dagen vóór het schietincident, de beschikking had over datzelfde wapen. Het wapen waar [medeverdachte] over beschikte en dat waar [verdachte] over beschikte hebben namelijk hetzelfde serienummer.
Of dit wapen ook op de dag van het schietincident nog onder [medeverdachte] of [verdachte] was, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen.
De rechtbank kan ook niet vaststellen dat dit wapen is gebruikt bij het schietincident op 10 juli 2023. De afvuursporen op de huls worden verwacht wanneer de huls is verschoten met een Heckler & Koch, maar het NFI stelt ook dat andere merken en modellen niet geheel zijn uit te sluiten. Bovendien bevindt zich in het dossier geen bewijs op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de huls met het specifieke wapen van [medeverdachte] , en dat [verdachte] ook onder zich heeft gehad, is verschoten.
De rechtbank deelt dus niet de conclusie van de officier van justitie dat het wapen, dat aan zowel [medeverdachte] als [verdachte] kan worden gelinkt, hetzelfde wapen is dat het dodelijk schot heeft gelost op 10 juli 2023.
De rechtbank kan, op basis van het voorhanden hebben van een soortgelijk wapen tot en met 7 juli 2023, niet vaststellen wie de schutter is geweest op 10 juli 2025.
De verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] met betrekking tot wie heeft geschoten.
Zoals hiervoor al is geconstateerd, wijzen [medeverdachte] en [verdachte] elkaar aan als de schutter.
De rechtbank zal de verklaringen van [medeverdachte] dan wel de verklaringen van [verdachte] niet volgen met betrekking tot wie de schutter is. Ten aanzien van de kern van het verwijt – te weten wie heeft geschoten – bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen objectief bewijs dat de verklaringen van [medeverdachte] of [verdachte] op dit cruciale punt ondersteunt. Bovendien hebben [medeverdachte] en [verdachte] er beiden groot belang bij elkaar te belasten.
De rechtbank kan op basis van de verklaringen van [verdachte] of [medeverdachte] niet buiten redelijke twijfel vaststellen wie van hen [slachtoffer 1] op 10 juli 2023 dood heeft geschoten.
Overige feiten en omstandigheden.
De rechtbank heeft ook verder in het dossier geen processtukken aangetroffen op grond waarvan kan worden vastgesteld wie de schutter was.
Conclusie.
Evenals de officier van justitie concludeert de rechtbank dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wie [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten.
Medeplegen van doodslag.
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of tot een bewezenverklaring van medeplegen van doodslag kan worden gekomen.
Juridisch kader.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van doodslag moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is geweest van dubbel opzet. Bewezen moet kunnen worden dat opzet bestond op de onderlinge samenwerking enerzijds en de verwezenlijking van het grondfeit, het doden van een ander, anderzijds.
De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad. In deze zaak was sprake van een plan om een partij hennep weg te nemen en te betalen met geprepareerde bundeltjes nepgeld. Dit plan is door de verdachten in die zaak samen uitgevoerd. Op het moment dat door de beoogde verkopers werd ontdekt dat niet het afgesproken geld is meegebracht, heeft één van die verkopers een vuurwapen gepakt en doorgeladen. De verdachten zijn met het geld en de partij hennep gevlucht. Tijdens het vluchten werden zij beschoten. Een van de verdachten heeft teruggeschoten.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte, die niet heeft geschoten, zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag.
De Hoge Raad is van oordeel dat het hof dit oordeel niet toereikend heeft gemotiveerd. De Hoge Raad overweegt als volgt.
‘Het oordeel van het Hof dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet op de door [betrokkene 1] gepleegde poging tot doodslag heeft gehad, is niet toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft weliswaar vastgesteld dat de verdachte en [betrokkene 1] het plan hadden opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen en dit plan gezamenlijk hebben uitgevoerd, maar uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen - die, kort gezegd, op dit punt inhouden dat [betrokkene 1] met de verdachte de afspraak heeft gemaakt om vals geld te geven en de partij hennep mee te nemen, dat de verdachte wist dat het door [betrokkene 1] geprepareerde bundeltje grotendeels nepgeld betrof en dat zij zich verder “helemaal niet” hebben voorbereid op de afspraak - blijkt niet dat in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door [betrokkene 1] bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat [betrokkene 1] begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag. Anders dan kennelijk door het Hof is geoordeeld, kan het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader.’
Overwegingen
Hiervoor heeft de rechtbank al vastgesteld dat [medeverdachte] en [verdachte] op 9 en 10 juli 2023 het plan hebben opgevat 11 kilo wiet af te nemen van [slachtoffer 1] en deze te betalen met nepgeld. Ze creëerden chaos door aan te geven dat ze haast hadden in verband met een (verzonnen) klant in Venlo, in de verwachting dat het nepgeld niet geteld zou worden door [slachtoffer 1] en zij er met de 11 kilo wiet vandoor konden gaan.
[medeverdachte] heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat [verdachte] een dag voor de ontmoeting met [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij een wapen zou meenemen voor de zekerheid, als veiligheid. Op 10 juli 2023, vóór de ontmoeting met [slachtoffer 1] op de Heezerweg, heeft [verdachte] volgens [medeverdachte] twee wapens gepakt uit een stashplek in de Ford Fiësta. [medeverdachte] heeft verder verklaard dat hij van [verdachte] een klein wapen heeft gekregen, dat hij dat wapen tijdens de ontmoeting met [slachtoffer 1] onder zich heeft gehouden en dat [verdachte] het andere wapen bij zich heeft gedragen.
[verdachte] betwist dit. Hij ontkent iedere wetenschap van de aanwezigheid van één of meer wapens. [verdachte] heeft verklaard dat hij pas een wapen heeft gezien op het moment dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] neerschoot.
De rechtbank stelt vast dat objectieve bewijsmiddelen die de lezing van [medeverdachte] dan wel die van [verdachte] ondersteunen ontbreken.
De rechtbank kan onder deze omstandigheden, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, niet vaststellen dat het gebruik maken van een wapen onderdeel was van dit plan. De rechtbank benoemt in dit kader dat ook als de rechtbank uit zou gaan van de verklaring van [medeverdachte] , zij dit niet kan vaststellen. Het wapen zou immers volgens zijn verklaring worden meegenomen voor de zekerheid. Op basis van zijn verklaring kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte] en [verdachte] (concrete) afspraken hebben gemaakt over het gebruik van het wapen. Dat blijkt overigens ook verder niet uit het dossier.
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier kan dus door de rechtbank niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat een afspraak is gemaakt tussen [medeverdachte] en [verdachte] over het meebrengen en/of gebruik van een wapen.
De rechtbank kan ook niet vaststellen hoe het wapen precies is gebruikt. Hiervoor heeft de rechtbank al vastgesteld dat [medeverdachte] en [verdachte] hierover verschillend verklaren en objectieve bewijsmiddelen en verklaringen van getuigen ontbreken.
De officier van justitie heeft bepleit dat in het meenemen van één of meer wapens voor de veiligheid, als een soort verzekering, al besloten ligt dat [medeverdachte] en [verdachte] op voorhand rekening hielden met de mogelijkheid dat ze het wapen (of de wapens) ook hadden te gebruiken. Door met levensgevaarlijk wapentuig met [slachtoffer 1] (met wie zij kort daarvoor nog in conflict lagen) een confrontatie aan te gaan, hem te overvallen met de mededeling dat zij niet gingen betalen voor de wiet die hij hen zou leveren en daarbij ook nadere druk op hem te zetten, creëerden ze welbewust zelf een hectische, stressvolle wanorde waarin, aldus de officier van justitie, het reëel en niet onwaarschijnlijk was dat een niet-welgevallige actie of reactie van die [slachtoffer 1] zou leiden tot inzet van vuurwapengeweld.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Allereerst merkt de rechtbank op dat zij tot een andere feitenvaststelling komt dan de officier van justitie. Zij heeft – kort gezegd – vastgesteld dat het doel van de ontmoeting was om 11 kilo wiet af te nemen en daarvoor met nepgeld ‘te betalen’. Zij volgt de vaststelling van de officier van justitie, dat [medeverdachte] en [verdachte] een confrontatie met [slachtoffer 1] aangingen, hem overvielen met de mededeling dat zij niet gingen betalen voor de wiet die hij hen zou leveren en daarbij ook nadere druk op hem te zetten, dus niet. Daarbij komt dat [medeverdachte] en [verdachte] de wiet niet hebben meegenomen, maar in de Mini hebben achter gelaten. In zoverre hebben zijn hun samenwerking, gericht op het meenemen van de wiet, dus niet voortgezet.
Vervolgens wijst de rechtbank op het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad en de noot van W.H. Vellinga. Daaruit volgt dat het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de doodslag niet uitsluitend kan worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om wiet af te staan dan wel hen daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader.
Voorzienbaarheid van een mogelijkheid levert geen opzet op omdat daarmee nog niet vaststaat dat een verdachte die mogelijkheid heeft voorzien. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Ook als een verdachte de mogelijkheid van het gebruik van het wapen tegen een ander heeft voorzien, dan is daarmee opzet op de doodslag nog niet gegeven. Een verdachte moet die mogelijkheid als aanmerkelijk hebben ingeschat en als zodanig hebben aanvaard. Pas dan is er sprake van (voorwaardelijk) opzet.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat [verdachte] de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] zou worden doodgeschoten als aanmerkelijk heeft ingeschat en als zodanig heeft aanvaard. Wat de officier van justitie op dit punt heeft gesteld, namelijk dat het reëel en niet onwaarschijnlijk was dat een niet-welgevallige actie of reactie van [slachtoffer 1] zou leiden tot inzet van vuurwapengeweld is daarvoor, gelet op het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad, niet voldoende.
De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer 1] . Dat brengt mee dat aan het voor medeplegen vereiste dubbele opzet niet is voldaan.
De rechtbank kan niet, zoals hiervoor al is geconcludeerd, buiten redelijke twijfel vaststellen dat [verdachte] degene is geweest die met een vuurwapen heeft geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden.
De rechtbank acht ook niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het voor het medeplegen vereiste (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad.
De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten (medeplegen van) doodslag.
Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen kan ook niet worden vastgesteld dat [medeverdachte] de schutter is geweest. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [verdachte] medeplichtig is aan de dood van [slachtoffer 1] , zoals onder 1 subsidiair ten laste is gelegd, zodat [verdachte] ook van het subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
De rechtbank constateert dat er grondig politieonderzoek heeft plaatsgevonden en dat de politie alles op alles heeft gezet om te achterhalen wat er op 10 juli 2023 precies is gebeurd en wie welk aandeel heeft gehad. Op essentiële vragen zijn echter geen antwoorden gevonden. Daarbij heeft een rol gespeeld dat [medeverdachte] en [verdachte] het onderzoek hebben gefrustreerd door te vluchten naar het buitenland en bewijs weg te maken. Wat er precies is gebeurd en wie heeft geschoten, is niet met zekerheid vast te stellen.
De rechtbank begrijpt dat een vrijspraak zeer onbevredigend en pijnlijk is voor de nabestaanden.
Naast het gemis van hun dierbare moeten zij leven met het feit dat de schuldige of schuldigen daarvoor niet veroordeeld is/zijn.
De rechtbank realiseert zich verder dat het aan de maatschappij moeilijk valt uit te leggen dat de rechtbank tot een vrijspraak komt, terwijl kan worden vastgesteld dat één van beide verdachten heeft geschoten. In het Nederlandse strafrecht kan een verdachte echter alleen worden veroordeeld als er wettig en overtuigend bewijs is voor zijn schuld. Er mag geen redelijke twijfel bestaan over het daderschap van de verdachte. Daarmee moet worden voorkomen dat iemand ten onrechte wordt veroordeeld.
De rechtbank kan in dit geval niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat [verdachte] heeft geschoten of hier een strafbare rol in heeft gehad (medeplegen dan wel medeplichtigheid). Onder deze omstandigheden moet de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, die in de bewijsbijlage zijn opgesomd, het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van dit feit volstaat de rechtbank, gelet op artikel 359, derde lid, tweede volzin,van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van bewijsmiddelen, nu verdachte dit feit ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de in de bewijsbijlage opgesomde (feit 2) en uitgewerkte (feit 3) bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
2 op 23 juni 2023 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander, een personenauto (Audi RS6, kenteken: [kenteken 1] ), die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van een kastje om voornoemde auto te openen en te starten.
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 een gevangenisstraf van 14 jaren gevorderd, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
De officier van justitie heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis na de einduitspraak niet te laten voortduren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn van 6 maanden. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich niet uitgelaten over de op te leggen straf bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
De raadsvrouw heeft verzocht in het geval van een veroordeling de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen. [verdachte] heeft zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en leeft nu als een goed burger. Er moeten bijzondere redenen zijn om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen of niet te verlengen. Deze bijzondere redenen zijn er niet. [verdachte] is niet voornemens te vluchten. Mocht vluchtgevaar aannemelijk worden geacht, dan kan de rechtbank dit opvangen door [verdachte] zijn paspoort opnieuw te laten inleveren.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt voor alle duidelijkheid voorop [verdachte] wordt vrijgesproken van het om het leven brengen van [slachtoffer 1] . De tragische dood van [slachtoffer 1] en de gevolgen voor de nabestaanden zullen daarom niet ten nadele van [verdachte] betrokken worden bij de strafoplegging.
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] .
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een auto. Hij heeft dit samen met [medeverdachte] gedaan. De gestolen Audi RS6 had een aanzienlijke waarde. Deze diefstal heeft schade en overlast veroorzaakt bij de eigenaar van de auto.
Het ging hier om een autodiefstal op bestelling. [medeverdachte] en [verdachte] kregen de bestelling door en hebben deze auto vervolgens op professionele wijze gestolen. Zij hebben een kastje gebruikt, dat [medeverdachte] heeft gehaald in Polen. Hiermee kon de auto worden geopend en de motor van de auto worden gestart. Na de diefstal is de auto meteen ontdaan van (onder meer) de voertuigtracking, zodat de auto niet meer kon worden getraceerd.
[verdachte] heeft verklaard dat de diefstal van de auto een eenmalige actie van hem is geweest en dat hij pas op het moment van de diefstal zag om wat voor auto het ging. Deze verklaring van [verdachte] wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. Daarin ziet de rechtbank namelijk aanwijzingen dat [verdachte] in de voorfase actief bij het plan betrokken is geweest en dit geen eenmalige actie van hem was.
De rechtbank neemt voornoemde feiten en omstandigheden in strafverhogende zin mee bij het bepalen van de strafmaat.
De rechtbank heeft op het strafblad van [verdachte] gezien dat hij niet eerder voor een vermogensdelict is veroordeeld. Het strafblad heeft daarom geen strafverhogend effect.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
In deze oriëntatiepunten wordt voor diefstal van een auto, zonder recidive, een taakstraf van 120 uren genoemd. Gelet op de hiervoor vermelde straf verhogende feiten en omstandigheden, vindt de rechtbank een taakstraf niet op zijn plaats. De rechtbank zal daarom in plaats van een taakstraf een gevangenisstraf opleggen. Zij vindt een gevangenisstraf van 4 maanden onvoorwaardelijk passend.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is aangevangen op het moment dat [verdachte] op 14 juli 2023 in Duitsland is aangehouden,
Als uitgangspunt heeft in deze zaak dan ook te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van [verdachte] en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn van 2 jaren op het moment van de einduitspraak, op 6 maart 2026, is overschreden met ongeveer 8 maanden.
Het gaat hier echter om een uitgebreid en complex onderzoek. Daarom volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat gevangenisstraf van 4 maanden passend en geboden is. De tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht, wordt hierop in mindering gebracht.
De voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis in deze zaak geschorst tot het moment van de einduitspraak. De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis gelet op de op te leggen gevangenisstraf.
Beslag.
[verdachte] heeft op de zitting verklaard dat hij alle in beslag genomen goederen terug heeft ontvangen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er geen beslag meer ligt, zodat hieromtrent dus geen beslissing hoeft te worden genomen.
De vorderingen van de benadeelde partijen [echtgenoot slachtoffer] (echtgenote), [kind slachtoffer 1] (kind), [kind slachtoffer 2] (kind), [moeder slachtoffer] (moeder), [vader slachtoffer] (vader), [broer slachtoffer 1] (broer), [zus slachtoffer] (zus) en [broer slachtoffer 2] (broer).
De benadeelde partijen hebben ieder in verband met affectieschade een bedrag van
€ 20.000,-- gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft aangevoerd dat met betrekking tot de ouders wordt afgeweken van het standaardbedrag van € 17.500,-- voor een uitwonend kind, nu [slachtoffer 1] hen dagelijks bezocht en intensief contact met hen had.
Ten aanzien van de broers en zus heeft de raadsvrouw gewezen op de hardheidsclausule en aangevoerd dat sprake is van een meer dan gemiddelde nauwe en affectieve relatie tussen de broers en zus en de overige leden van het gezin.
[broer slachtoffer 2] heeft naast een vergoeding voor immateriële schade, een bedrag van
€ 10.244,88, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, voor geleden materiële schade gevorderd. De materiële schade bestaat uit uitvaartkosten in Marokko (€ 4.000,--) en kosten met betrekking tot vliegtickets naar Marokko en terug voor de nabestaanden (€ 6.244,88).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de echtgenote, de kinderen, de vader en de moeder van [slachtoffer 1] hoofdelijke toewijzing van de gevorderde immateriële schade (affectieschade) ter hoogte van ieder € 20.000,--, of zoveel als redelijk wordt geacht door de rechtbank, bepleit.
De officier van justitie heeft tevens hoofdelijke toewijzing van de door [broer slachtoffer 2] gevorderde materiële schade bepleit.
De officier van justitie heeft daarnaast telkens toewijzing van de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel bepleit.
Ten aanzien van de door de broers en zus gevorderde immateriële schade (affectieschade) heeft de officier van justitie bepleit de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.
Broers en zussen worden in beginsel namelijk uitgesloten van toewijzing van affectieschade. Wanneer uit feiten en omstandigheden blijkt van een concrete band, die een min of meer normale band overstijgt, dan kan hiervan worden afgeweken en kan bij hoge uitzondering affectieschade worden toegewezen. Zonder af te willen doen aan de nauwe band, is hiervan in de visie van de officier van justitie onvoldoende gebleken.
Het standpunt van de verdediging.
Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade van de twee broers en de zus thans niet onder de reikwijdte van de Wet vergoeding affectieschade valt. In slechts uitzonderlijke gevallen kan de vordering betreffende affectieschade van een broer of zus worden toegewezen. Van deze uitzonderlijke nauwe band is niet gebleken.
De raadsvrouw heeft verzocht de vorderingen van de twee broers en de zus af te wijzen, dan wel deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.
Ten aanzien van de ouders van [slachtoffer 1] wijkt heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag van € 17.500,-- in het Besluit vergoeding affectieschade aan te houden, nu [slachtoffer 1] niet bij zijn ouders woonde.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partijen [echtgenoot slachtoffer] , [kind slachtoffer 1] , [kind slachtoffer 2] , [moeder slachtoffer] , [vader slachtoffer] , [broer slachtoffer 1] , [zus slachtoffer] en [broer slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben.
De rechtbank zal de benadeelde partijen veroordelen in de kosten van de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf.
Ten aanzien van feit 2.
een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis tegen verdachte met ingang van heden.
Ten aanzien van feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [echtgenoot slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [kind slachtoffer 1] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [kind slachtoffer 2] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [broer slachtoffer 1] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [zus slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [broer slachtoffer 2]
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. E.L. Traag, leden,
in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,
en is uitgesproken op 6 maart 2026.