ECLI:NL:RBOBR:2026:1483

ECLI:NL:RBOBR:2026:1483

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer C-01-413506 en 415139 - HA ZA 25-176 en HA ZA 25-297
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Publicatie boek in strijd met beding in vaststellingsovereenkomst?

Uitspraak

ECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Vonnis van 18 februari 2026

in de zaak met zaaknummer: C/01/413506 / HA ZA 25-176 (zaak 1) van

[eiser in HA ZA 25-176] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser in HA ZA 25-176] ,

advocaat: mr. J.G.J. van Groenendaal,

tegen

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ,

advocaat: mr. D. Verhulst.

en in de zaak met zaaknummer: C/01/415139 / HA ZA 25-297 (zaak 2) van

[eiser in HA ZA 25-297] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser in HA ZA 25-297] ,

advocaat: mr. A.J.F. de Jager,

tegen

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ,

advocaat: mr. D. Verhulst.

1. De procedure in zaak 1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in reconventie

- de akte houdende overlegging producties van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297]- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in zaak 2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het anticipatie-exploot ex artikel 126 Rv van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297]

- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten (vooral) van belang in zaak 1

[eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zijn bekende Nederlandse ondernemers. Zij hebben zakelijk samengewerkt en zijn ook vrienden geweest.

In 2020 hebben partijen besloten om hun zakelijke samenwerking te beëindigen. Dit heeft geleid tot verschillende afspraken, waaronder een aandelenruil, tussen Tajiri B.V. (bestuurder [eiser in HA ZA 25-176] ) en BL Capital B.V. (bestuurder [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ). Deze afspraken zijn vastgelegd in de overeenkomst van 9 april 2020 (hierna: de ruilovereenkomst).

Artikel 46 van de ruilovereenkomst (Vertrouwelijkheid) luidt als volgt: “Ieder van de Partijen zal geheimhouding betrachten omtrent de voorwaarden van de transacties zoals opgenomen in deze overeenkomst, behoudens voor zover op grond van dwingend wettelijk voorschrift een verplichting tot het doen van een mededeling bestaat.

Partijen zullen gezamenlijk een persbericht uitbrengen over de transacties zoals opgenomen in deze overeenkomsten en het staat ieder der Partijen vrij om mededelingen te doen aan derden voor zover deze qua inhoud en strekking overeenkomen met dit persbericht.”

Tussen Tajiri B.V. en BL Capital B.V. is nadien een geschil ontstaan over de afwikkeling van de ruilovereenkomst en over mondeling gemaakte afspraken. Dit heeft geleid tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst op 26 augustus 2021 (hierna: de vso). Uitsluitend in verband met het bepaalde onder I sub 3 vso en het bepaalde onder II vso hebben [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de vso voor zichzelf ondertekend.

Lid 3 van artikel II (Geheimhouding) van de vso luidt: “ [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zullen zich ten opzichte van de ander gedragen overeenkomstig de eisen van het normale maatschappelijke verkeer en hebben de bedoeling hun oude vriendschap te herstellen. Ze zullen zich derhalve onthouden van negatieve berichtgeving over de ander. Indien een van hen na afwikkeling van onderhavige overeenkomst van mening is dat de ander niet overeenkomstig de verwachtingen handelt, dan zal rechtstreeks met elkaar contact worden opgenomen om die niet waargemaakte verwachtingen te bespreken.”

Lid 2 van artikel III (Diversen) van de vso luidt: “Behoudens anders bepaald in de Vaststellingsovereenkomst verklaren de Partijen hierbij afstand te doen van elk recht dat zij mogelijk hebben tot ontbinding, vernietiging of wijziging van de Vaststellingsovereenkomst in of buiten rechte op grond van de artikelen 6:265, 6:228 of 6:230 van het Burgerlijk Wetboek.”

[eiser in HA ZA 25-176] is een psychologisch traject gestart. Hij schrijft samen met de psycholoog

dr. [A] een psychobiografie. Dit is een persoonlijk verhaal van zijn leven, waardoor [eiser in HA ZA 25-176] zijn eigen verhaal kan doorgronden en kan gebruiken als reflectiepunt naar de toekomst toe.

[eiser in HA ZA 25-176] schrijft hierover op 2 februari 2024 in een WhatsApp bericht aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] : “Goeie morgen [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ik ben een boek aan het schrijven al twee maanden het is mega zwaar maar voor mij een goeie verwerking herbeleving van mijn leven en kan zo alles afsluiten erg zwaar maar ook weer mooi. Ik heb een schrijver in gehuurd omdat ik niet kon schrijven en heb besloten om hem uit te geven Ik zet mijn eigen energie alleen nog in voor mijn 3 kinderen en 3 kleinkinderen en [B] als ze iets er van zou willen en de mensen die er zo voor mij geweest zijn de afgelopen 4 jaar de rest mag het boek kopen als mij boek klaar is hoef ik nooit meer met iemand er over te praten. Ik heb de afgelopen jaar met iedereen op geschoond ik wil nooit meer in mijn kindpijn en onmin leven voelt zo vrij en fijn nooit meer op de glijbaan. Omdat jij ook een belangrijke rol in mijn leven bent geweest met hoogte en diepte punten sta jij er ook in de schrijver gaat contact met jou opnemen. Het boek wordt 100% eerlijk en open vanuit liefde zonder iemand schade te brengen maar wel mijn verhaal. [A] gaat jou contacten voel je vrij om wel of niet mee te werken alles is goed en weet dat ik van jou hou”

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft op 2 februari 2024 als volgt gereageerd: “Dank je [eiser in HA ZA 25-176] . Ik

waardeer je bericht en bijzonder om dit te doen. [A] kan mij zeker bellen. Ik ga nadenken of ik dit wil en kan. Je bent me ook dierbaar en ik wens je ook heel veel rust en geluk. Als het boek je daar in helpt dan is het een goede beslissing. Take care”

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft op 4 februari 2024 aan [eiser in HA ZA 25-176] meegedeeld dat hij heeft besloten om niet mee te werken aan het boek van [eiser in HA ZA 25-176] .

[eiser in HA ZA 25-176] heeft op 29 oktober 2024 een eerste versie van de tekst van de psychobiografie (hierna ook: het werkdocument) aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] gestuurd met daarbij het bericht: “Ha [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] hierbij het stuk wat ik geschreven over jou en ons leven samen ik deel dit met jou en hoop dat we samen tot iets kunnen komen wat voor beide goed voelt en recht doet aan onze tijd samen en aan mijn eigen gevoel en zonder schade in mijn boek kan.”

Op 31 oktober 2024 heeft [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] daarop geantwoord: “Beste [eiser in HA ZA 25-176] , conform artikel II lid 3 van de vso hierbij contact om de niet nagekomen verwachting te

bespreken, graag vernemend. Gr [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] "

Eveneens op 31 oktober 2024 heeft [eiser in HA ZA 25-176] teruggeschreven: “Lieve [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . Wat een verdrietig antwoord dit gaat niet over contracten dit gaat over ons als mensen en wat

wij hebben beleefd ik zou jou zo gunnen het vaak en liefdevol te lezen ik doe niks om jou of iemand te beschadigen maar treed wel in het licht dat is mijn roeping in het leven met respect eerst voor mijzelf en vanuit die liefde naar iedereen. Ik ga heel graag met jou als mens in gesprek om tot iets te komen wat voor ons beide goed is”

Waarop [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] diezelfde dag nog heeft gereageerd met dit bericht: “ [eiser in HA ZA 25-176] , bespreken heeft zin als je per omgaande en meteen bevestigd dat er geen negatieve passage

over mij in het boek komt zoals overeengekomen. Gr [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] "

Partijen hebben vervolgens een kort gedingprocedure gevoerd (hierna: het kort geding). In het kort gedingvonnis van 9 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van rechtbank Amsterdam onder meer overwogen:

“5.8. Tijdens de zitting heeft [eiser in HA ZA 25-176] bij monde van zijn advocaat toegezegd dat als de psychobiografie ooit zal worden gepubliceerd de uiteindelijke tekst met [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zal worden gedeeld, ten minste drie weken voor publicatie, zodat ruimte is voor overleg en eventueel een kort geding kan worden gestart.

Deze toezegging, vastgelegd in dit vonnis, biedt voldoende waarborg voor de gerechtvaardigde belangen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . (…)”

Bij e-mail van 16 december 2024 heeft [eiser in HA ZA 25-176] [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] (via hun advocaten) uitgenodigd voor een goed persoonlijk gesprek.

In zijn e-mail van 20 januari 2025 heeft de advocaat van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] als volgt geantwoord: “Cliënt gaat graag met uw cliënt in gesprek zoals al bericht einde jaar (zie hieronder). Op de vorm zou ik gezien onderstaande e-mailwisseling na de vakanties terugkomen. Terzake de vorm wordt dezerzijds voorgesteld het gesprek in bijzijn van advocaten te laten plaatsvinden. Uiteraard is het daarbij de bedoeling om beider cliënten zelf het gesprek te laten voeren, de advocaten zullen hooguit als gespreksmoderator hun rol hebben en zich terughoudend opstellen. Ook kan gekozen worden daarbij een onafhankelijk mediator als gespreksmoderator in te zetten, zodat zaken als gelijke spreektijd zijn geborgd voor beide partijen.”

De advocaat van [eiser in HA ZA 25-176] heeft vervolgens op 23 januari 2025 aan de advocaat van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] geschreven: “Namens [eiser in HA ZA 25-176] breng ik de teleurstelling over omtrent het feit dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] niet het persoonlijke gesprek aan wil gaan, terwijl partijen dat wel overeen zijn gekomen. Zij spraken immers af om rechtstreeks contact met elkaar op te nemen. Dat past ook bij de aard van het gesprek, waarbij zeer persoonlijke en

gevoelige kwesties aan de orde kunnen komen. Daarbij is geen plek en geen meerwaarde voor advocaten.

Aangezien ook de laatste tussenoplossing - het opnemen van het gesprek - wordt afgewezen, kan [eiser in HA ZA 25-176] uit uw laatste bericht niet anders dan concluderen dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de afspraak om persoonlijk in gesprek te gaan niet van plan is na te komen.”

Op 30 januari 2025 heeft de advocaat van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] aan de advocaat van [eiser in HA ZA 25-176] meegedeeld: “Het spijt cliënt dat uw cliënt nu voor de tweede keer het persoonlijke gesprek uit de weg gaat. Dat deed uw cliënt al toen cliënt rechtstreeks contact opnam in een eerder stadium en nu helaas weer. Het argument dat uw cliënt daarvoor aanvoert bevreemdt te meer, nu het kennelijk persoonlijke zaken zijn die wel in het openbaar

in een boek kunnen komen, ook aangaande cliënt, maar niet in de vertrouwelijkheid van een persoonlijk gesprek willen worden gedeeld, slechts in bijzijn van een meeluisterende advocaat die niet inhoudelijk deelneemt aan het gesprek. Ook het mediator aanbod gaat uw cliënt uit de weg begrijp ik uit uw bericht. Met deze vaststellingen staak ik voor nu de herhaalde pogingen van cliënt om in persoonlijk gesprek te komen met uw cliënt.

Mocht uw cliënt alsnog in persoonlijk gesprek willen komen met cliënt, weet me te vinden,”

Partijen hebben het hiervoor bedoelde ‘persoonlijk gesprek’ niet gehouden.

Op 7 februari 2025 heeft [eiser in HA ZA 25-176] aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] geschreven de vso gedeeltelijk, voor wat betreft artikel II lid 3, buitengerechtelijk te ontbinden.

[eiser in HA ZA 25-176] heeft in zijn e-mail van 7 oktober 2025 aan mr. (Dorien) Verhulst en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] geschreven:

“Beste [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ,

3 weken voor publicatie krijg jij mijn boek exclusief te lezen in vitrium en beveiligd systeem waar je jou eventuele opmerkingen in kunt plaatsen. Voor de duidelijkheid het is jou niet toegestaan om het met iemand te delen of bespreken het moet volledig geheim blijven graag de bevestiging dat jij je hier ook aan gaat houden.

Dorien alleen [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] krijgt toestemming en toegang tot dat systeem en verdere contacten met jou stel ik niet op prijs [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] kan mij zelf contacten of niet.”

Mr. Verhulst heeft op 14 oktober 2025 aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] het volgende meegedeeld: “Dank voor je bevestiging en de toelichting. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zal zich houden aan de vertrouwelijkheid zoals je die hieronder schetst. Wel is nodig dat ik als zijn advocaat - uitsluitend ten behoeve van juridisch advies aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] – ook toegang krijg tot het systeem (Vitrium), zodat ik relevante passages mee kan lezen en daarin namens [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] opmerkingen kan plaatsen.”

4. Het geschil in zaak 1

in conventie

[eiser in HA ZA 25-176] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat [eiser in HA ZA 25-176] op 7 februari 2025 rechtsgeldig artikel II lid 3 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 26 augustus 2021 heeft ontbonden;

II [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te veroordelen in de proceskosten.

[eiser in HA ZA 25-176] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] is tekortgeschoten door telkens te weigeren om in een rechtstreeks gesprek te treden met [eiser in HA ZA 25-176] . Deze tekortkoming

ondergraaft het doel van het gehele artikel II lid 3 vso: het herstellen van de vriendschap

tussen partijen. Hierdoor is de tekortkoming van voldoende zwaar gewicht om de gedeeltelijke ontbinding te rechtvaardigen. Dat geldt temeer nu het slechts gaat om een gedeeltelijke ontbinding, de overige artikelen van de vso blijven intact. [eiser in HA ZA 25-176] vraagt deze

verklaring voor recht om er zeker van te zijn dat de ontbonden bepaling in de toekomst geen rol meer speelt tussen partijen en het [eiser in HA ZA 25-176] dan ook vrijstaat om zijn mening te uiten, uiteraard binnen de kaders van zijn recht op uitingsvrijheid.

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] voert verweer. Hij voert aan dat de ontbindingsverklaring van [eiser in HA ZA 25-176] geen rechtsgevolg heeft en dat de bepaling onverkort van toepassing blijft, omdat geen sprake is van een tekortkoming en partijen in de vso hoe dan ook elk recht van

ontbinding hebben uitgesloten. De ontbindingsverklaring is bovendien onverenigbaar met doel en strekking van de vso en de goede trouw, omdat zij kennelijk beoogt [eiser in HA ZA 25-176] vrij baan te geven zich negatief uit te laten over [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , met betrekking tot het voorwerp van de vso en overigens. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in HA ZA 25-176] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in HA ZA 25-176] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

II [eiser in HA ZA 25-176] te veroordelen om bij een eventuele publicatie of verspreiding van de psychobiografie, of een daarmee vergelijkbaar manuscript, waarin [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] (al dan niet bij naam genoemd) voorkomt of wordt besproken, in boek- of andere (online of audiovisuele) vorm, de tekst c.q. inhoud daarvan tijdig vooraf met [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te delen, op een moment en wijze dat daarover gedurende een periode van tenminste 8 weken kan

worden overlegd en/of een kort geding kan worden gevoerd (waarvan de uitkomst door partijen zal worden afgewacht); op zo'n manier dat daarna eventuele inhoudelijke wijzigingen nog vóór publicatie kunnen worden verwerkt;

III [eiser in HA ZA 25-176] te gebieden om artikel II lid 2 en lid 3 vso en artikel 46 van de ruilovereenkomst na te komen;

IV de veroordelingen sub II en III ieder te versterken met een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 15 miljoen ineens, alsmede € 150.000,00 voor iedere dag dat een eventuele publicatie beschikbaar is of een overtreding overigens voortduurt; en

V [eiser in HA ZA 25-176] te veroordelen in de proceskosten.

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] legt hieraan ten grondslag dat hij een gegronde vrees heeft dat [eiser in HA ZA 25-176] binnenkort tot publicatie van zijn psychobiografie zal overgaan, met daarin diffamerende uitlatingen over [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . [eiser in HA ZA 25-176] heeft in kort geding weliswaar toegezegd om in dat geval 3 weken voor publicatie voorafgaande inzage te verlenen, maar zijn opstelling is sindsdien gewijzigd. Hij kondigt in de media aan dat zijn boek af is, dat rechtszaken hem niet van publicatie kunnen afhouden en valt in deze procedure artikel II lid 3 vso aan. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft in het licht van deze recente ontwikkelingen een gerechtvaardigd belang bij een verduidelijking en aanscherping van de procesafspraak tussen partijen en een veroordeling van [eiser in HA ZA 25-176] om zich intussen te houden aan artikel II lid 3 vso. Daarnaast is een veroordeling van [eiser in HA ZA 25-176] nodig tot nakoming van de geheimhoudingsbepalingen in artikel II lid 2 vso en artikel 46 ruilovereenkomst. Beide bepalingen verbieden het communiceren van details en voorwaarden van de overeenkomsten en de daaraan gerelateerde transacties. Deze bepalingen heeft [eiser in HA ZA 25-176] al geschonden, want zijn werkdocument bevat ook details over de ontvlechting, die onder deze geheimhoudingsbepalingen valt.

[eiser in HA ZA 25-176] voert verweer. Aangezien partijen op de zitting bij de voorzieningenrechter al een afspraak hebben gemaakt over de voorinzage, moet de vordering onder II worden afgewezen. [eiser in HA ZA 25-176] heeft deze afspraak op 19 maart 2025 ook nog aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] bevestigd. Onder alinea 5.8. en 5.9. van het kort gedingvonnis is 3 weken opgenomen en dit vonden rechter én partijen voldoende. Dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] acht weken nodig zou hebben om enkele bladzijden te lezen is onbegrijpelijk. De toezegging van [eiser in HA ZA 25-176] in kort geding is vrijwillig. De huidige feiten en omstandigheden zijn niet anders dan ten tijde van het maken van deze afspraak. Met een voorinzage van drie weken, zijn de belangen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] voldoende gediend. Vanzelfsprekend zal [eiser in HA ZA 25-176] een eventueel vonnis van de voorzieningenrechter afwachten, indien [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ervoor kiest een kort geding aanhangig te maken.

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] eist onder III van het petitum een preventief publicatieverbod. De vorderingen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zijn te vroeg, omdat hij niets weet van de inhoud van het eventueel te publiceren boek. Wat wél vaststaat is dat de eventueel te publiceren psychobiografie wezenlijk zal verschillen van het werkdocument dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft gekregen. De vorderingen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] nu toewijzen zou dan ook een onnodige en daarom evident disproportionele inperking vormen van de fundamentele rechten gewaarborgd door artikel 10 EVRM. Er moet volgens de rechtspraak immers een hoge mate van zekerheid bestaan dat een vso wordt geschonden, wil een maatregel tot nakoming opgelegd kunnen worden. Dit is een inperking van de uitingsvrijheid en vereist dus een voorafgaande, belangenafweging van de wederzijdse grondrechten. Bovendien dreigt er geen onherstelbare schade. Eventuele reputatieschade valt naar zijn aard juist heel goed te herstellen, bijvoorbeeld door rectificatie. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] rekt de kwestie overigens ten onrechte op door geheimhoudingsbepalingen mee te nemen in de gevorderde nakoming. [eiser in HA ZA 25-176] betwist dat hij vertrouwelijke details uit zakendeals zou delen in zijn eventuele psychobiografie. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling in zaak 1

in conventie en in reconventie

Centraal in deze procedure staat lid 3 van artikel II van de vso. Het gaat dan in conventie met name over het onderdeel dat de ene partij rechtstreeks contact zal opnemen met de andere partij als hij van mening is dat de ander niet overeenkomstig de verwachtingen handelt. En in reconventie gaat het vooral over het onderdeel dat partijen zich zullen onthouden van negatieve berichtgeving over elkaar.

De rechtbank neemt bij de beoordeling het volgende tot uitgangspunt. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex).

in conventie

Afstand van het recht tot ontbinding?

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] beroept zich primair op artikel III lid 2 vso, waarin is vermeld dat partijen afstand doen van elk recht dat zij hebben tot ontbinding op grond van artikel 6:265 BW.

[eiser in HA ZA 25-176] heeft aangevoerd dat artikel 6:265 BW alleen ziet op algehele ontbinding en dat gedeeltelijke ontbinding van de vso dus wel mogelijk is, omdat artikel 6:270 BW over gedeeltelijke ontbinding niet in artikel III lid 2 vso is vermeld.

De rechtbank verwerpt dit standpunt van [eiser in HA ZA 25-176] . De artikelen 6:265 BW en verder zijn zowel in geval van algehele als van gedeeltelijke ontbinding van toepassing. In dat opzicht is gedeeltelijke ontbinding niet een wezenlijk andere rechtsfiguur dan algehele ontbinding. Daar komt bij dat de vso is gesloten omdat er een geschil was ontstaan na de ruilovereenkomst. Volgens [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] wilden partijen met de categorische uitsluiting in artikel III lid 2 vso voorkomen dat zij achteraf toch weer aan gemaakte afspraken zouden gaan morrelen. Daarbij sluit aan dat [C] in zijn verslag van de gesprekken die uitmondden in de vso heeft geschreven dat [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] allebei het gevoel hadden dat "de totale afwikkeling fair en in balans" was (productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie). De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in deze omstandigheden aan artikel III lid 2 vso redelijkerwijs de betekenis heeft mogen toekennen dat partijen afstand deden van het recht op zowel gehele als gedeeltelijke ontbinding van de vso en dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] mocht verwachten dat [eiser in HA ZA 25-176] begreep dat hij, [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , redelijkerwijs aan artikel III lid 2 vso deze betekenis toekende. [eiser in HA ZA 25-176] heeft ook geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd voor zijn stelling dat een beroep van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] op deze bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat het doel van deze bepaling het herstellen van vriendschap is en dat dit niet meer haalbaar zou zijn, zoals [eiser in HA ZA 25-297] betoogt, volstaat niet, omdat artikel III lid 2 hier niets mee te maken heeft.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] op artikel III lid 2 vso slaagt en dat de buitengerechtelijke ontbinding van artikel II lid 3 vso door [eiser in HA ZA 25-176] daarom geen werking heeft.

Hoewel ten overvloede zal de rechtbank hierna ook nog ingaan op het inhoudelijke verweer van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] .

Tekortkoming van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ?

[eiser in HA ZA 25-176] verwijt [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] dat hij weigert om rechtstreeks met [eiser in HA ZA 25-176] in gesprek te gaan, terwijl artikel II lid 3 vso verplicht tot een rechtstreeks (en dus persoonlijk) gesprek, wat precies past bij de bedoeling van de gehele bepaling: het herstellen van de vriendschap tussen partijen. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] stelt eisen die niet volgen uit de vso en daarmee zelfs in strijd zijn. Enkel via het rechtstreekse gesprek, kunnen partijen eventueel hun vriendschap herstellen. Dat gebeurt uiteraard niet in een juridische setting in aanwezigheid van advocaten, aldus [eiser in HA ZA 25-176] .

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] betwist dat hij zou hebben geweigerd om in gesprek te gaan met [eiser in HA ZA 25-176] , of eisen zou hebben gesteld die haaks staan op de vso. De wederzijdse verplichtingen in artikel II lid 3 vso komen in feite neer op het betrachten van normale omgangsvormen jegens elkaar en expliciteren wat partijen daaronder over en weer verstaan. Dat de woorden ‘rechtstreeks contact’ zouden betekenen ‘een persoonlijk gesprek, zonder advocaten of andere derden, dat niet in een juridische setting plaatsvindt’ vindt geen steun in de tekst, strekking of doelstelling van de bepaling. Artikel II lid 3 vso staat in de sleutel van de geheimhouding die partijen in de eerste twee leden van dat artikel overeengekomen zijn. Tegen die achtergrond hebben [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en [eiser in HA ZA 25-176] in het derde lid ook de communicatie over elkaar (naar buiten toe) geregeld. In dat kader betekent ‘rechtstreeks contact’ dat [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] bij niet-waargemaakte verwachtingen contact leggen met elkaar in plaats van (op negatieve wijze) naar buiten te treden over elkaar. Artikel II lid 3 vso stelt geen nadere voorwaarden aan het rechtstreeks contact. ‘Rechtstreeks contact’ betekent niet meer of minder dan dat [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zelf aan het gesprek deel moeten nemen (en bijvoorbeeld niet slechts een vertegenwoordiger kunnen sturen). Die bewoordingen verhinderen niet dat bij dat gesprek ook derden aanwezig kunnen zijn. Partijen stelden ieder eigen voorwaarden aan het beoogde gesprek en zijn het niet eens geworden over de vorm. Bij die stand van zaken is het overleg over de randvoorwaarden bij e-mail van 30 januari 2025 gestaakt. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft daarbij, via zijn advocaat, verduidelijkt dat de bereidheid tot een gesprek er nog altijd was, aldus [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] .

De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat hier om de uitleg van de term ‘rechtstreeks contact’ in artikel II lid 3 vso. Volgens het Haviltex-arrest (5.2) moet daarbij niet alleen worden uitgegaan van de letterlijke tekst, maar moet – kort gezegd – worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. In dit geval is van belang dat met de ruilovereenkomst de zakelijke afwikkeling tussen [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] niet helemaal afgerond was en dat er tussen hen een geschil was ontstaan, dat zij wilden oplossen door het sluiten van de vso. Verder is van belang dat partijen in artikel II geheimhouding over de vso hebben afgesproken. Daarbij komt dat partijen bekende Nederlandse ondernemers zijn, die in de media gevolgd worden. Gezien deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] redelijkerwijs aan de derde volzin van artikel II lid 3 vso de betekenis heeft mogen toekennen dat als een partij vindt dat de andere partij niet overeenkomstig de verwachtingen handelt, hij dit rechtstreeks met de andere partij bespreekt en dus niet via derden of de media, en dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] redelijkerwijs mocht verwachten dat [eiser in HA ZA 25-176] begreep dat hij, [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , aan de derde volzin van artikel II lid 3 vso deze betekenis toekende. Een dergelijk gesprek hoeft niet ‘onder vier ogen’ te zijn. Dat in artikel II lid 3 vso ook is opgenomen dat partijen de bedoeling hebben hun oude vriendschap te herstellen, maakt dat niet anders. De rechtbank deelt niet het standpunt van [eiser in HA ZA 25-176] dat het herstellen van de vriendschap de (enige) bedoeling is van artikel II lid 3 vso. De rechtbank vindt wel dat een vriendschap ook in een gesprek, dat niet ‘onder vier ogen’ wordt gevoerd, kan worden hersteld, in de zin die [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] redelijkerwijs heeft mogen geven aan artikel II lid 3 vso. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] was bereid tot een gesprek met [eiser in HA ZA 25-176] . De eis van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] dat bij dat gesprek een advocaat of mediator aanwezig zou zijn, oordeelt de rechtbank geoorloofd, temeer nu dergelijke beroepsbeoefenaren regels hebben over geheimhouding. De communicatie tussen partijen en de advocaten van partijen over een mogelijk gesprek tussen partijen is netjes en overeenkomstig de eisen van het normale maatschappelijke verkeer verlopen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een tekortkoming van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . De buitengerechtelijke ontbinding door [eiser in HA ZA 25-176] was dan ook niet terecht.

De conclusie is dat het verweer van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] slaagt en dat de door [eiser in HA ZA 25-176] gevorderde verklaring voor recht over de ontbinding van artikel II lid 3 vso zal worden afgewezen.

Proceskosten

[eiser in HA ZA 25-176] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] worden begroot op:

- griffierecht

331,00

- salaris advocaat

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.785,00

in reconventie

Relatief bevoegde rechter

[eiser in HA ZA 25-176] heeft op de zitting een beroep gedaan op de forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam in artikel 47 van de ruilovereenkomst. Volgens hem is rechtbank Oost-Brabant voor wat betreft de vordering tot nakoming van artikel 46 van de ruilovereenkomst (onder III van het petitum) niet bevoegd.

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] voert gemotiveerd verweer.

In artikel 110 lid 1 Rv is bepaald dat het verweer dat een rechter niet relatief bevoegd is op straffe van verval van het recht gevoerd wordt vóór alle weren. [eiser in HA ZA 25-176] heeft niet bij antwoord in reconventie al een beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van rechtbank Oost-Brabant, zo is namens hem ook bevestigd op de zitting, en hij is daarmee dus te laat. Afgezien daarvan, wordt de zaak in reconventie behandeld en beslist door rechtbank Oost-Brabant, omdat die de zaak in conventie behandelt en beslist en de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet (artikel 97 Rv).

Voorinzage (vordering II)

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft gesteld dat er gegronde vrees is voor negatieve berichten over zijn persoon in een eventueel door [eiser in HA ZA 25-176] te publiceren boek. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het werkdocument (productie 6 bij dagvaarding) dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] van [eiser in HA ZA 25-176] heeft ontvangen, die vrees inderdaad gegrond is. Dat het te publiceren boek, volgens [eiser in HA ZA 25-176] , heel anders is dan het werkdocument dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft gezien, sluit niet uit dat in het boek ook (dergelijke) negatieve berichten over [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] staan; en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] kan dit niet beoordelen omdat [eiser in HA ZA 25-176] er niets concreets over heeft verteld. In dat verband oordeelt de rechtbank van belang dat [eiser in HA ZA 25-176] in een podcast heeft gezegd, dat men denkt dat hij, door hem in de rechtbank boetes op te leggen, niet “de waarheid en de eerlijkheid” naar buiten zal brengen (Dutch Dragon van 27 februari 2025, productie 9 van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ). Daarbij komt dat [eiser in HA ZA 25-176] op de zitting heeft gezegd dat hij gaat nadenken of hij [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in zijn boek gaat zetten of niet. De rechtbank leidt uit dergelijke uitingen af dat er mogelijk negatieve berichten over [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in het boek van [eiser in HA ZA 25-176] staan. [eiser in HA ZA 25-176] heeft niet – althans niet gemotiveerd – betwist dat het boek er komt en dat de vrees van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] dat daarin negatieve berichten over hem zullen staan, gegrond is. Gelet op artikel II lid 3 vso dat, zoals hiervoor in conventie is geoordeeld, nog steeds tussen partijen geldt, moeten zij zich onthouden van negatieve berichtgeving over elkaar. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] er een gerechtvaardigd belang bij heeft om de uiteindelijke tekst van de psychobiografie vóór publicatie te krijgen om te beoordelen of deze al dan niet strijdig is met artikel II lid 3 vso.

Aanscherping en verduidelijking

[eiser in HA ZA 25-176] stelt zich op het standpunt dat partijen zich moeten houden aan de afspraak over voorinzage zoals vermeld onder 5.8. en 5.9 van het kort gedingvonnis.

Volgens [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] is die afspraak te algemeen geformuleerd. Zo staat daarin niet wat precies de ‘publicatie’ is die leidt tot (de aanvang van) de daaraan voorafgaande inzagetermijn. Ook is niet afgesproken hoe [eiser in HA ZA 25-176] inzage moet geven, partijen hebben verder niet vastgelegd dat de op handen zijnde publicatie wordt opgeschort terwijl zij overleggen over de inhoud van het manuscript. Een termijn van drie weken is feitelijk te kort om het boek te lezen, daarover te overleggen én een kort geding voor te bereiden en te voeren. Ingeval van een daadwerkelijke publicatie van een boek zal de tekst daarvan, om

productie-logistieke redenen, namelijk al aanzienlijk meer dan drie weken vóór publicatie definitief (moeten) zijn, aldus [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] .

De rechtbank is van oordeel dat de afspraken tussen partijen over negatieve berichtgeving en geheimhouding niet alleen gelden bij berichtgeving in boekvorm, maar ook in het geval van bijvoorbeeld een documentaire of podcast (online). Nu [eiser in HA ZA 25-176] in een podcast ( [D] van 11 maart 2025) heeft gezegd dat hij naast het boek ook bezig is met een documentaire, moet een voorinzage naar het oordeel van de rechtbank ook betrekking hebben op andere vormen van berichtgeving (over de psychobiografie) dan een boek. Voor wat betreft de overige uitbreidingen en aanscherpingen is van belang dat [eiser in HA ZA 25-176] bij conclusie van antwoord in reconventie (van 4 juni 2025) heeft aangevoerd dat hij de uitkomst van een eventueel kort geding zal afwachten, maar vervolgens op 7 oktober 2025 aan de advocaat van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft geschreven dat zij geen kennis mocht nemen van de tekst van de psychobiografie. Beide uitspraken van [eiser in HA ZA 25-176] zijn moeilijk met elkaar te rijmen. De bedoeling van het petitum is functionele betekenisvolle informatieverstrekking en daarom moeten ook de advocaten van [eiser in HA ZA 25-176] kennis kunnen nemen van de psychobiografie. De rechtbank oordeelt dat de verduidelijkingen in de vordering van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , dat de uitkomst van een eventueel kort geding door partijen moet worden afgewacht en dat eventuele inhoudelijke wijzigingen vóór publicatie moeten worden verwerkt, ook kunnen bijdragen aan de beslechting van dit geschil door partijen. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft voldoende onderbouwd dat daarvoor een inzagetermijn van acht weken nodig is en [eiser in HA ZA 25-176] heeft dat niet gemotiveerd betwist. Bovendien blijkt uit niets dat [eiser in HA ZA 25-176] is benadeeld door een inzagetermijn van acht weken. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de tekst van het werkdocument en de uitingen van [eiser in HA ZA 25-176] tot dusver de beperkte maatregel zoals door [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] gevorderd.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt zoals bij de beslissing is vermeld.

De nakomingsvordering onder III

Zoals hiervoor onder 5.16 al is geoordeeld, is er – gelet op de inhoud van het werkdocument en uitingen van [eiser in HA ZA 25-176] – gegronde vrees dat publicatie van de psychobiografie een schending van artikel II lid 3 vso zal opleveren. Dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] het werkdocument aan een aantal mensen heeft doorgestuurd, is niet aan te merken als publicatie en daarom niet relevant. Naar het oordeel van de rechtbank geldt die gegronde vrees ook voor een schending van de geheimhoudingsbedingen in artikel II lid 2 vso en artikel 46 ruilovereenkomst. [eiser in HA ZA 25-176] betwist niet dat het werkdocument ook details bevat over de ontvlechting van zijn ondernemersactiviteiten met [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . Hij beroept zich er enkel op dat de inhoud van de psychobiografie anders zal zijn dan het werkdocument, maar hij heeft geen concrete informatie over deze inhoud gepresenteerd, zodat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en de rechtbank dit standpunt niet kunnen toetsen. Of er in de uiteindelijke psychobiografie sprake is van een schending, zal onderwerp kunnen zijn van een eventueel kort geding, waarbij ook een belangenafweging van de wederzijdse grondrechten aan de orde zal kunnen komen. De rechtbank merkt in dat verband al op dat de schade door een schending van een geheimhoudingsbeding vanwege de aard van het beding niet gerectificeerd kan worden; daarom is méér bescherming vooraf gewenst en nodig. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde geboden onder III moeten worden toegewezen, maar zal daaraan geen dwangsom verbinden. Immers, als het in het kader van de voorinzage tot een kort geding komt, kan de kortgedingrechter indien nodig een ‘aanvullende’ uitspraak geven waarbij alsnog een dwangsom aan de in dit vonnis onder III gegeven geboden wordt verbonden. Die dwangsom kan in dat geval dan worden afgestemd op de daadwerkelijke inhoud van de psychobiografie en de concrete schending.

Proceskosten

[eiser in HA ZA 25-176] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] worden begroot op:

- salaris advocaat

653,00

(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

801,00

6. Het geschil in zaak 2

[eiser in HA ZA 25-297] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te veroordelen om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis,

gedurende een aaneengesloten periode van zeven dagen voor rekening en risico van

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] aan [eiser in HA ZA 25-297] gebruiksklaar ter beschikking te stellen, en gedurende voornoemde periode beschikbaar te houden, (i) het Jacht B en de Bombardier, en (ii) de op Jacht B en de Bombardier gebruikelijk aanwezige bemanning en personeelsleden en alle faciliteiten, noodzakelijkheden en voorraden die gebruikelijk aanwezig zijn voor het accommoderen van een zevendaagse luxe pleziervaart en -vlucht(en), en;

II aan overtreding van (enig onderdeel van) het sub I gevorderde te verbinden een (direct

opeisbare) dwangsom van € 50.000,00 per dag voor iedere dag waarop die overtreding

door [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] voortduurt met een maximum van € 5.000.000,00, en

III [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiser in HA ZA 25-297] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Toen partijen zakelijk uit elkaar gingen verwierf [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de [E] en werd [eiser in HA ZA 25-297] 100% eigenaar van het ALC project. Op 11 mei 2023 werd een rondleiding georganiseerd door het ALC complex en een en ander werd afgesloten met een gezamenlijk diner ter plekke. Tijdens het diner hield [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] een speech, waarin hij spijt betuigde over het feit dat de persoonlijke relatie tussen hem en [eiser in HA ZA 25-297] was verstoord. In een poging om die relatie te herstellen en [eiser in HA ZA 25-297] voor het emotionele leed te compenseren deed [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] een aanbod dat door [eiser in HA ZA 25-297] ter plekke en onder luid applaus van de overige aanwezigen werd geaccepteerd. Dit aanbod behelsde het volgende. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] bezit een zogenaamd superjacht (hierna: Jacht B). [eiser in HA ZA 25-297] kreeg het recht van gebruik op een door [eiser in HA ZA 25-297] aangegeven moment en gedurende een week onbeperkt en kosteloos met bemanning en met een door hem uit te nodigen groep mensen met Jacht B te varen. Daarnaast bezit [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] een privévliegtuig (hierna: de Bombardier). [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] verstrekte [eiser in HA ZA 25-297] tevens het gebruiksrecht om kosteloos met de Bombardier naar en van Jacht B te vliegen, eveneens met bemanning en met een groep mensen naar keuze van [eiser in HA ZA 25-297] en op het moment dat het [eiser in HA ZA 25-297] past. [eiser in HA ZA 25-297] heeft [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] meermalen verzocht om de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst na te komen. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] is daarover door [eiser in HA ZA 25-297] ook formeel gesommeerd bij appbericht van 28 maart 2025, maar [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft daaraan geen gehoor gegeven. De overeenkomst tussen [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en [eiser in HA ZA 25-297] inzake het gebruik van Jacht B en de Bombardier kwalificeert als een (mondelinge) gebruiksovereenkomst, die de duidelijke en ondubbelzinnig strekking had dat [eiser in HA ZA 25-297] daarvan op een door hem gewenst moment en gedurende een vaste periode van zeven dagen gebruik mocht maken en dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de daarbij gemoeide kosten op zich zou nemen. Het aanbod van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] was niet aan enige voorwaarde of tijdsbepaling onderhavig en is door [eiser in HA ZA 25-297] aanstonds aanvaard.

[gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] voert verweer. Hij voert aan dat dit geschil in de kern gaat over een vrijblijvende, vriendschappelijke uitnodiging in een informele setting, die [eiser in HA ZA 25-297] pas jaren later en in een totaal veranderde en reeds geëscaleerde context tot rechtsvordering tracht te verheffen. Het gebaar dat hij tijdens het diner jegens [eiser in HA ZA 25-297] maakte zag alleen op zijn jacht en niet ook op het vliegtuig dat hij destijds had, maar dat in oktober 2023 is verkocht. Bovenal ging het om een uitnodiging in vriendschappelijke sfeer, buiten het obligatoire spectrum, waarvan niet in rechte nakoming kan worden gevorderd. Van aanbod en aanvaarding, in verbintenisrechtelijke zin, is geen sprake geweest. De uitnodiging die [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] tijdens het diner op 11 mei 2023 deed was een op vriendschap gebaseerd gebaar, dat door [eiser in HA ZA 25-297] ook duidelijk op die manier is opgevat. Na het diner sprak [eiser in HA ZA 25-297] niet meer over gebruikmaking van het jacht, alleen dat het leuk zou zijn om samen naar het jacht te gaan kijken of te gaan varen. Dat is ook niet vreemd, want [eiser in HA ZA 25-297] heeft zelf een jacht. De vele uitwisselingen tussen [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en [eiser in HA ZA 25-297] (via WhatsApp en overigens) over het jacht dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] liet bouwen waren een uitdrukking van de sociale band tussen hen beiden, die naar hun aard buiten het obligatoire spectrum vallen. Er was geen op rechtsgevolg gerichte wil. Het feit dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] geen afdwingbare overeenkomst voor ogen had en [eiser in HA ZA 25-297] dat ook niet zo heeft opgevat, betekent dat er geen obligatoire

overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen. Hun persoonlijke relatie is sinds 2024 ernstig onder druk komen te staan, door de aankondiging van [eiser in HA ZA 25-297] dat hij een psychobiografie ging publiceren, de relevante delen aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] liet lezen en de juridische procedures die daarop volgden. De aanspraak van [eiser in HA ZA 25-297] kwam pas in maart 2025, toen er al een juridisch conflict liep tussen partijen. Uit de stellingen en toon van [eiser in HA ZA 25-297] blijkt dat er enkel een emotioneel en principieel belang ten grondslag ligt aan zijn vorderingen. Het is hem niet te doen om de gebruikmaking van het jacht, hij zit naar eigen zeggen "niet om een boottocht of vliegreis verlegen". Van enig concreet rechtens relevant belang is geen sprake. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in HA ZA 25-297] , dan wel tot afwijzing dan wel tot beperking van de vorderingen van [eiser in HA ZA 25-297] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in HA ZA 25-297] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

7. De beoordeling in zaak 2

Ia sprake van een bruikleenovereenkomst?

In deze zaak moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] tijdens het diner aan [eiser in HA ZA 25-297] een aanbod heeft gedaan tot het sluiten van een bruikleenovereenkomst, zoals [eiser in HA ZA 25-297] meent, of dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] [eiser in HA ZA 25-297] heeft uitgenodigd als (niet in rechte afdwingbaar) vriendschappelijk gebaar, wat het standpunt van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] is. De bruikleenovereenkomst en de uitnodiging uit vriendschap hebben gemeen dat [eiser in HA ZA 25-297] op Jacht B mag verblijven en daarvoor niet hoeft te betalen. Of een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen, in die zin dat er rechtens afdwingbare afspraken zijn gemaakt, dan wel of sprake is geweest van een niet afdwingbare uitnodiging als gebaar van vriendschap is afhankelijk van de bedoeling van partijen en van wat partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard en redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van een overeenkomst rusten dus op degene die zich op het bestaan van deze overeenkomst beroept en daaraan rechtsgevolgen verbindt, in dit geval is dat [eiser in HA ZA 25-297] .

De rechtbank oordeelt de volgende omstandigheden van belang, die als onweersproken vast staan. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en [eiser in HA ZA 25-297] hadden allebei een jacht. Het diner vond plaats in of aan het einde van een periode waarin tussen partijen veel is gebeurd. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] blikte daarop terug bij het uitbrengen van een toast en nodigde [eiser in HA ZA 25-297] vervolgens uit voor een verblijf op zijn jacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser in HA ZA 25-297] in deze omstandigheden uit de uitnodiging van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] redelijkerwijs niet mogen afleiden dat hem een aanbod werd gedaan tot het sluiten van een bruikleenovereenkomst en mocht [eiser in HA ZA 25-297] redelijkerwijs niet verwachten dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zijn uitnodiging zo bedoelde. [eiser in HA ZA 25-297] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij de uitnodiging van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] daadwerkelijk als een aanbod beschouwde en redelijkerwijs heeft mogen beschouwen. Uit de WhatsAppberichten die [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in de conclusie van antwoord (rnrs 28 tot en met 32) heeft aangehaald, volgt juist het tegendeel. In die berichten leeft [eiser in HA ZA 25-297] mee met de bouw van het jacht van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en schrijft hij enkel dat hij graag een keer mee zou gaan. Op 13 oktober 2023 heeft [eiser in HA ZA 25-297] bijvoorbeeld geschreven: “Wordt echt gaaf [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] als je een keer gaat laat mij weten als je leuk vindt ga ik graag mee!” Daaruit leidt de rechtbank niet af dat [eiser in HA ZA 25-297] meent aanspraak te hebben op een week op Jacht B uit hoofde van een bruikleenovereenkomst. De rechtbank vergelijkt de situatie met een uitnodiging van de buren om een keer te komen eten: als het schikt ga je een keer eten bij de buren. Als dat er nooit van komt, ga je de buren niet in gebreke stellen en nakoming vorderen bij de rechtbank, en is er geen grond om schadevergoeding te vorderen. De buren hebben in zo’n geval nooit de intentie gehad daadwerkelijk juridische verhoudingen aan te gaan. Ingevolge artikel 3:33 BW vereist een rechtshandeling (zoals een aanbod) een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] met de uitnodiging aan [eiser in HA ZA 25-297] geen juridische verhouding aan willen gaan en heeft [eiser in HA ZA 25-297] dit redelijkerwijs moeten begrijpen. Dat heeft tot gevolg dat geen sprake is van een aanbod in juridische zin. Een aanvaarding van de uitnodiging, zoals [eiser in HA ZA 25-297] stelt te hebben gedaan, heeft dan ook geen overeenkomst tot stand gebracht. Er is slechts sprake van een informeel gebaar of een informele afspraak tussen partijen die niet bij de rechtbank afdwingbaar is. Dat betekent dat de vordering tot nakoming van [eiser in HA ZA 25-297] zal worden afgewezen. De vordering tot het opleggen van een dwangsom deelt het lot van de hoofdvordering en wordt eveneens afgewezen.

Proceskosten

[eiser in HA ZA 25-297] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] worden begroot op:

- griffierecht

331,00

- salaris advocaat

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.826,00

8. De beslissing in zaak 1

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen van [eiser in HA ZA 25-176] af,

veroordeelt [eiser in HA ZA 25-176] in de proceskosten van € 1.785,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

veroordeelt [eiser in HA ZA 25-176] om bij een eventuele publicatie of verspreiding van de psychobiografie, of een daarmee vergelijkbaar manuscript, waarin [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] (al dan niet bij naam genoemd) voorkomt of wordt besproken, in boek- of andere (online of audiovisuele) vorm, de tekst c.q. inhoud daarvan tijdig vooraf met [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te delen, op een moment en wijze dat daarover gedurende een periode van tenminste 8 (acht) weken kan worden overlegd en/of een kort geding kan worden gevoerd (waarvan de uitkomst door partijen zal worden afgewacht); op zo'n manier dat daarna eventuele inhoudelijke wijzigingen nog vóór publicatie kunnen worden verwerkt;

veroordeelt [eiser in HA ZA 25-176] om aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] een dwangsom te betalen van € 200.000,00 als hij niet voldoet aan de veroordeling onder 8.3, alsmede € 100.000,00 voor iedere dag dat een eventuele publicatie beschikbaar is, tot een maximum van

€ 2.000.000,00 is bereikt,

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

gebiedt [eiser in HA ZA 25-176] om artikel II lid 2 en lid 3 vso en artikel 46 van de ruilovereenkomst na te komen;

veroordeelt [eiser in HA ZA 25-176] in de proceskosten van € 801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser in HA ZA 25-176] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser in HA ZA 25-176] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 8.2, 8.3, 8.4, 8.6 8.7 en 8.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

9. De beslissing in zaak 2

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiser in HA ZA 25-297] af,

veroordeelt [eiser in HA ZA 25-297] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser in HA ZA 25-297] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand