RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 03.229222.25
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1960] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 januari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2025 t/m 9 juni 2025 te Landgraaf, althans in Nederland, in het openbaar mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding
tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag
heeft opgeruid, door een of meer (openbare) berichten en/of reacties te plaatsen op X , en welke berichten en/of reacties de navolgende inhoud hadden:
- ‘’Drie personen die ik intens haat en daar ben jij er een van en je vriendje [naam 1] en kontenneuker [naam 2] . Dus iemand die met een mes om zich heen wil steken ik weet een plekje’’,
- ‘’onmiddellijk liquideren dat kut gezicht met zijn pali pijper kop’’, althans woorden van gelijke aard of strekking;
T.a.v. feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2025 t/m 7 juni 2025 te Landgraaf, althans in Nederland, in het openbaar, mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding
heeft aangezet tot haat tegen en/of discriminatie van mensen en/of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten mensen met een donkerder getinte huidskleur en/of moslims en/of gesluierde vrouwen en/of Marokkaanse jongeren en/of asielzoekers en/of allochtone Nederlanders, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging,
door een of meer (openbare) berichten en/of reacties te plaatsen op X, en welke berichten de navolgende inhoud hadden:
- ‘’Het is een smerig tyfus volk wat uitgeroeid moet worden’’,
- ‘’We zullen niet rustenntot de laatste moslim gedeporteerd is’’,
- ‘’Afschieten nu het nog kan’’,
- ‘’Vlammenwerpers zijn de oplossing’’,
- ‘’Dat Marokaanse tuig terroriseert de hele stad. Erui trappen met geweld’’,
- ‘’Misschien eens op ze schieten. Een paar kogels lossen alles op’’,
- ‘’Geen nood wij staan achter [naam 4] , we zullen dat tuig opzoeken en voor eens en altijd ze het gevoel geven dat ze op de rails van de achtbaan liggen’’,
- ‘’Gewoon vol met de vlammenwerper erover heen, het moet wel pijnlijk zijn natuurlijk’’,
- ‘’met de vlammenwerper eroverheen’’,
- ‘’komt nu niemand op het idee om brandende bezine eroverhyte spuiten?’’,
- ‘’Ik zou er brandbommen tussen gooien, heb je dat kutvolk ineens grotendeels weg. Maar die rotzooi van vastgebrand vel op straat is moeilijk weg te krijgen’’, althans woorden van gelijke aard of strekking;
T.a.v. feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 31 mei 205 t/m 7 juni 2025 te Landgraaf, althans in Nederland, zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding
opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een donkerder getinte huidskleur en/of Marokkaanse jongeren, wegens hun ras, door een of meer (openbare) berichten en/of reacties te plaatsen op X, en welke berichten de navolgende inhoud hadden:
- ‘’Het is een smerig tyfus volk wat uitgeroeid moet worden’’,
- ‘’Ja het was weer te veewachten, weer een zwarte’’,
- ‘’Dat Marokaanse tuig terroriseert de hele stad. Erui trappen met geweld’’, althans woorden van gelijke aard of strekking;
T.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 4 juni 2025 te Landgraaf, althans in Nederland,
[slachtoffer] [functie] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door op het platform X, onder de (openbare) post van een gebruiker van X (accountnaam [accountnaam] ) met de tekst: ‘’wat haar ik deze man intens….. En ik denk meerdere mensen met mij. Wat doet dit in het [bedrijf] ???’’ met daarbij een afbeelding van die [slachtoffer] , de volgende (openbare) reactie te plaatsen: ‘’onmiddellijk liquideren dat kut gezicht met zijn pali pijper kop’’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Ten gevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan, en zoals door de officier van justitie ter zitting gememoreerd, staat onder feit 3 in de eerste regel “31 mei 205” vermeld in plaats van “31 mei 2025”. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
De bewijsmiddelen:
T.a.v. feit 1:
T.a.v. feit 2:
T.a.v. feit 3:
T.a.v. feit 4:
Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Op grond van de inhoud van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, een en ander, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.
De bewezenverklaring.
-“Ja het was weer te veewachten, weer een zwarte”,
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
T.a.v. feit 1:
in de periode van 1 april 2025 t/m 9 juni 2025 te Landgraaf, in het openbaar bij geschrift tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag
heeft opgeruid, door openbare reacties te plaatsen op X, en welke reacties de navolgende inhoud hadden:
- “Drie personen die ik intens haat en daar ben jij er een van en je vriendje [naam 1] en kontenneuker [naam 2] . Dus iemand die met een mes om zich heen wil steken ik weet een plekje”,
- “onmiddellijk liquideren dat kut gezicht met zijn pali pijper kop”;
T.a.v. feit 2:
omstreeks de periode van 2 mei 2025 t/m 7 juni 2025 te Landgraaf, in het openbaar, bij geschrift heeft aangezet tot haat tegen en/of discriminatie van mensen en/of gewelddadig optreden tegen mensen, te weten mensen met een donkerder getinte huidskleur en/of moslims en/of gesluierde vrouwen en/of Marokkaanse jongeren en/of asielzoekers en/of allochtone Nederlanders, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging,
door openbare reacties te plaatsen op X, en welke berichten de navolgende inhoud hadden:
- “Het is een smerig tyfus volk wat uitgeroeid moet worden”,
- “We zullen niet rustenntot de laatste moslim gedeporteerd is”,
- “Afschieten nu het nog kan”,
- “Vlammenwerpers zijn de oplossing”,
- “Dat Marokaanse tuig terroriseert de hele stad. Erui trappen met geweld”,
- “Misschien eens op ze schieten. Een paar kogels lossen alles op”,
- “Geen nood wij staan achter [naam 4] , we zullen dat tuig opzoeken en voor eens en altijd ze het gevoel geven dat ze op de rails van de achtbaan liggen”,
- “Gewoon vol met de vlammenwerper erover heen, het moet wel pijnlijk zijn natuurlijk”,
- “met de vlammenwerper eroverheen”,
- “komt nu niemand op het idee om brandende bezine eroverhyte spuiten? ”,
- “Ik zou er brandbommen tussen gooien, heb je dat kutvolk ineens grotendeels weg. Maar die rotzooi van vastgebrand vel op straat is moeilijk weg te krijgen”;
T.a.v. feit 3:
in de periode van 31 mei 2025 t/m 7 juni 2025 te Landgraaf, zich in het openbaar, bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een donkerder getinte huidskleur en/of Marokkaanse jongeren, wegens hun ras, door openbare berichten en/of reacties te plaatsen op X, en welke berichten de navolgende inhoud hadden:
- “Het is een smerig tyfus volk wat uitgeroeid moet worden”,
- “Dat Marokaanse tuig terroriseert de hele stad. Erui trappen met geweld”;
T.a.v. feit 4:
op 4 juni 2025 te Landgraaf, [slachtoffer] [functie] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door op het platform X, onder de openbare post van een gebruiker van X (accountnaam [accountnaam] ) met de tekst: “wat haar ik deze man intens….. En ik denk meerdere mensen met mij. Wat doet dit in het [bedrijf] ???” met daarbij een afbeelding van die [slachtoffer] , de volgende openbare reactie te plaatsen: “onmiddellijk liquideren dat kut gezicht met zijn pali pijper kop”.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren onder aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt dat de meewerkende houding van verdachte gedurende het onderzoek en het gegeven dat hij oprechte spijt heeft betuigd van zijn handelen in het voordeel van verdachte meegewogen dient te worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan de bedreiging van een politicus en opruiing tot geweld tegen meerdere politici, omdat hij het kennelijk niet eens was met hun standpunten.
Hoewel er in het kader van de vrijheid van meningsuiting veel gezegd en geschreven mag worden, heeft de verdachte de strafrechtelijk toelaatbare grenzen met zijn berichten op internet overschreden. De verdachte heeft angst aangejaagd bij de slachtoffers en heeft bewust het risico genomen dat andere personen aangezet zouden worden tot het plegen van strafbare feiten, meer specifiek tot gewelddadig optreden tegen deze politici.
Naast het feit dat dergelijke feiten ingrijpend zijn en gevoelens van angst en onveiligheid meebrengen voor de slachtoffers, rekent de rechtbank het de verdachte in deze zaak extra zwaar aan dat hij zich richtte op politici. De verdachte heeft door zijn uitlatingen niet alleen hun persoonlijke vrijheid aangetast, maar ook bijgedragen aan een klimaat waarin politici niet langer ongehinderd en zonder angst moeilijke discussies kunnen voeren en hun werk kunnen doen. De door verdachte geplaatste reacties zijn dan ook ondermijnend voor hun werk als volksvertegenwoordiger en daarmee voor het functioneren van de democratische rechtsstaat.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan groepsbeledigingen en het aanzetten tot haat. Verdachte heeft met zijn uitlatingen geen enkele bijdrage geleverd aan het publieke debat en enkel aangezet tot (verdere) polarisatie en onverdraagzaamheid in de samenleving.
De persoon van de verdachte.
De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het volgende. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten inziet, onder meer door een excuusbrief te schrijven aan de politici tegen wie een aantal van zijn uitlatingen gericht waren. Hij heeft oprechte spijt betuigd, zowel tijdens het verhoor bij de politie als ter terechtzitting.
Samenloop.
De rechtbank neemt ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 1 en feit 4 eendaadse samenloop aan als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, nu de bewezenverklaarde gedragingen deels samenvallen en de strekking van de desbetreffende strafbepalingen overeenkomt.
De strafmodaliteit.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en bij straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Deze dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank legt gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten een taakstraf op voor de duur van 150 uren. Als verdachte deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht dan kan hij maximaal 75 dagen in hechtenis worden genomen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het oogpunt van juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met alleen oplegging van een taakstraf. Daarom zal de rechtbank ook een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. Deze straf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat.
Conclusie.
Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur te verrichten arbeid. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaren.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 131, 137c, 137d, 285 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 2:
- In het openbaar bij geschrift aanzetten tot haat tegen en discriminatie van mensen en gewelddadig optreden tegen mensen wegens hun ras en godsdienst en levensovertuiging, meermalen gepleegd
T.a.v. feit 3:
- Zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en godsdienst en levensovertuiging, meermalen gepleegd
De eendaadse samenloop van:
T.a.v. feit 1:
- In het openbaar bij geschrift tot enig strafbaar feit en gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien, meermalen gepleegd
T.a.v. feit 4:
- Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:
- Een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht
Waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur te verrichten arbeid.
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:
- Een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 1 september 2025 al geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. A.H.J. Saes, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 9 maart 2026.