RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422716 / HA ZA 26-55
Vonnis in incident van 11 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Moeskops’ Bouwbedrijf B.V.,
te Bergeijk,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Moeskops' Bouwbedrijf,
advocaat: mr. E. Beele,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Asten,
te Asten,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Gemeente Asten,
advocaten: mr. L.E. Blum en mr. G.J. van Essen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van Moeskops’ Bouwbedrijf,- de incidentele vordering tot aanhouding van Gemeente Asten,
- de conclusie van antwoord in het incident tot aanhouding van Moeskops’ Bouwbedrijf.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Gemeente Asten heeft een incidentele vordering tot aanhouding ingesteld. Daartoe voert Gemeente Asten aan dat zij een verzoekschrift voorlopige bewijsverrichting (ex art. 196 Rv) heeft ingediend, waarin zij heeft verzocht een deskundige aan te wijzen. Het afwachten van het deskundigenbericht is voor Gemeente Asten van belang voor de hoofdzaak. Indien de procedure in de hoofdzaak zou worden voortgezet zonder het verzochte deskundigenbericht af te wachten, wordt Gemeente Asten de mogelijkheid ontnomen om een onderbouwd verweer in conventie te voeren en een goed onderbouwde vordering in reconventie in te stellen, zo voert zij aan. Gelet op het voorgaande verzoekt Gemeente Asten om de procedure in de hoofdzaak aan te houden tot het door de deskundige uitbrengen van het voorlopige deskundigenbericht.
Moeskops’ Bouwbedrijf heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De procedure in de hoofdzaak wordt aangehouden
De rechtbank zal het verzoek tot aanhouding van de procedure in de hoofdzaak toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Een incident waarin om aanhouding van de zaak wordt verzocht is niet in de wet geregeld, maar is wel mogelijk. De eisen van een goede procesorde, waaronder begrepen de eisen van een doelmatige en voortvarende rechtspleging, bepalen of er voldoende grond bestaat voor een aanhouding. Uitgangspunt daarbij is onder meer dat moet worden gewaakt tegen een onredelijke vertraging van de procedure. Bij de afweging die de rechter moet maken moet mede rekening worden gehouden met de aard, de feitelijke of juridische ingewikkeldheid en het belang van de zaak (voor partijen) en met het (procedeer)gedrag van partijen. Ook als er een andere procedure loopt waarin deels dezelfde rechtsvraag speelt, kan de rechter aanleiding vinden, op verzoek of ambtshalve, om de procedure aan te houden, maar ook dan geldt dat de rechter tot zijn oordeel moet komen aan de hand van onder meer het voorschrift dat onredelijke vertraging van de procedure moet worden voorkomen (art. 20 lid 1 Rv en art. 6 lid 1 EVRM), de belangen van partijen en de eisen van de proceseconomie.
De rechtbank is van oordeel dat de aangevoerde en niet weersproken gronden de gevorderde aanhouding kunnen dragen.
Daarom wordt de procedure in de hoofdzaak aangehouden tot het door de deskundige uitbrengen van een voorlopig deskundigenbericht. De zaak wordt in afwachting van het deskundigenbericht naar de parkeerrol verwezen.
De proceskosten in het incident worden gecompenseerd
In het incident kan geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank:
in het incident
wijst de vordering tot aanhouding van de procedure in de hoofdzaak toe,
compenseert de proceskosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 7 oktober 2026,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-Den Besten en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.