RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.330604.24
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 januari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Geldropseweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-onder invloed van en/of na gebruik van alcoholhoudende drank en/of
-na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de wegenverkeerswet 1994, te weten
morfine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 150 microgram per liter bloed betrof, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde, en/of
-na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de wegenverkeerswet 1994, te weten
canabis (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 1.1 microgram per liter bloed betrof, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde, en/of
-onvoldoende aandacht te hebben en/of te houden voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse en/of
-zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
-tegen een voor hem, verdachte, in gelijke richting rijdende, althans zich bevindende personenauto (Audi) te rijden en/of te botsen,
waardoor, althans mede waardoor, deze personenauto (Audi) tegen een boom is gebotst en/of geduwd,
waardoor de bestuurder van deze personenauto (Audi) (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een gebroken oogkas, waarvoor operatie noodzakelijk was, en/of een hersenschudding en/of verminderd gevoel in de hoektanden, of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uiteofening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;
Ten aanzien van feit 2:
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Eindhoven,
als bestuurder van een voertuig, (bestelauto) dit voertuig heeft bestuurd,
na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof(fen) te weten morfine en/of cannabis en/of alcohol
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde wet, het gehalte in zijn bloed, bij iedere aangewezen stof en/of alcohol,
1,1 microgram THC per liter bloed, en/of
150 microgram morfine per liter bloed en/of
2,06 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg,
in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
Ten aanzien van feit 3:
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Eindhoven terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Geldropseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
Ten aanzien van feit 4:
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, Geldropseweg,
-onvoldoende aandacht heeft gehad en/of gehouden voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse en/of
-zijn snelheid niet zodanig te heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
-tegen een voor hem, verdachte, in gelijke richting rijdende, althans zich bevindende personenauto (Audi) is gereden en/of gebotst, en/of (vervolgens)
-met het door hem bestuurde motorrijtuig op de weghelft bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer terecht te komen en/of (vervolgens) tegen een zich op die weghelft bevindende auto (Skoda) te botsen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Onder feit 1 is ten laste gelegd dat verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Dit is een kennelijke vergissing nu het gaat om alcohol, morfine en cannabis. Gelet op de aanduiding van deze stoffen in het onder 1 tenlastegelegde verbetert de rechtbank “terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994” in “terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994”. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 (zeer onvoorzichtig rijgedrag), 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feiten 1, 3 en 4. Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman subsidiair verzocht om verdachte vrij te spreken van het bestanddeel roekeloosheid. Voor wat betreft feit 2 heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken van het morfinegebruik en de gehalten van de overige middelen (alcohol en THC) uit de bewezenverklaring te strepen, omdat de bloedafname meer dan 90 minuten na de staandehouding zou hebben plaatsgevonden.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Feiten en omstandigheden.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 4 februari 2024 heeft er een meervoudig ongeval plaatsgevonden op de Geldropseweg te Eindhoven. Bij dit ongeval waren drie voertuigen betrokken: een zwarte Volkswagen bestuurd door verdachte, een zilveren Skoda bestuurd door de heer [slachtoffer 2] en een witte Audi bestuurd door mevrouw [slachtoffer 1] .
Verdachte vertoonde in de minuten voorafgaand aan het ongeval op de Geldropseweg opvallend rijgedrag, waarbij hij onder meer een noodstop moest maken om te voorkomen dat hij op de achterkant van een andere auto bij een verkeerslicht zou rijden. Ook stond verdachte lang stil bij een groen verkeerslicht en reed hij met lage snelheid op de linkerbaan.
Bij het verkeerslicht op de kruising van de Geldropseweg met de Sint Petrus Canisiuslaan heeft omstreeks 19:40 uur een kop-staart botsing plaatsgevonden, waarbij de Volkswagen van verdachte betrokken was.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit ongeval heeft veroorzaakt doordat hij met de door hem bestuurde Volkswagen achter op de Audi bestuurd door [slachtoffer 1] is gereden. Uit het schadebeeld dat volgt uit de foto’s die ter terechtzitting zijn getoond, blijkt dat de Volkswagen enkel schade heeft aan de voor- en zijkant, terwijl de Audi aan de achterzijde de grootste schade heeft. De schade aan de voorzijde van de Volkswagen van verdachte past bij een kop-staart botsing met de Audi van [slachtoffer 1] .
Op de ter zitting getoonde dashcambeelden is bovendien te zien dat de Audi met schade aan de achterzijde met snelheid door het oranje verkeerslicht rijdt, om vervolgens aan de overzijde van het kruispunt tot stilstand te komen. In beeld zijn op het wegdek zowel zwarte als witte stukken puin, naar het oordeel van de rechtbank delen van voertuigen, te zien. Aan de snelheid waarmee de Audi over het kruispunt rijdt na de botsing in combinatie met het oranje verkeerslicht, is af te leiden dat de Audi (nog) niet stil heeft gestaan voor het verkeerslicht. Verdachte heeft dus aanzienlijk harder gereden dan zijn voorligger mevrouw [slachtoffer 1] , aangezien er anders van een kop-staart botsing met dergelijke schade geen sprake kan zijn.
Als gevolg van de kop-staart botsing met de Audi is de Volkswagen over de verhoogde middenberm geraakt en op de voor het tegengestelde verkeer bestemde rijstrook terecht gekomen. Daar is de Volkswagen met de rechtervoorzijde in botsing gekomen met de Skoda, zoals eveneens blijkt uit de foto’s die ter terechtzitting zijn getoond. De schade aan de rechterzijde van de Volkswagen past in het beeld van de aanrijding met de Skoda.
Verbalisanten treffen verdachte aan als bestuurder van de Volkswagen. In het voertuig worden lege en volle blikken bier aangetroffen. Verdachte praat met een dubbele tong, heeft bloeddoorlopen ogen en er wordt een alcohollucht bij hem geroken. Verdachte heeft vervolgens een voorlopige ademtest gedaan, waar een uitslag G/F volgt (positief). Nadat verdachte naar het ziekenhuis is gebracht en daar medische behandeling heeft gekregen, wordt om 21:20 uur, met gevraagde toestemming van verdachte, bloed afgenomen door een verpleegkundige. De verpleegkundige verklaart dat verdachte op dat moment enkel het medicijn droperidol toegediend heeft gekregen.
Verdachte had om 21:20 uur de volgende stoffen in zijn bloed: (1) 2,06 milligram alcohol per milliliter bloed, (2) 150 microgram morfine per liter bloed en (3) 1,1 microgram THC per liter bloed. Bij gecombineerd gebruik van deze middelen betreft dit respectievelijk (1) ruim 10 keer de grenswaarde, (2) 15 keer de grenswaarde en (3) 0,1 microgram meer dan de grenswaarde.
Als gevolg van de kop-staartbotsing heeft mevrouw [slachtoffer 1] een gebroken neus, gebroken oogkas, een hersenschudding en verminderd gevoel aan haar boventanden. Mevrouw [slachtoffer 1] is geopereerde aan haar oogkas in verband met dubbelzien. Het volledige herstel kan 1 tot 1,5 jaar duren. De heer [slachtoffer 2] en zijn zoon hebben voor zover bekend geen letsel aan het ongeval overgehouden.
De rechtbank zal deze feitenvaststelling als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de bewijsvraag. Daar wordt hierna per feit op ingegaan.
Feit 1.
De rechtbank trekt op basis van de hiervoor vastgestelde feiten de volgende conclusies over het rijgedrag van verdachte.
Verdachte heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen om een aanrijding te voorkomen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Dat rijgedrag is ook in lijn met de eerder door ambulancechauffeur [persoon] waargenomen situatie waarin verdachte bij een verkeerslicht op dezelfde weg bijna op zijn voorganger rijdt en een noodstop moet maken. De rechtbank stelt bovendien vast dat verdachte onder zodanige invloed was van de hiervoor beschreven zeer forse hoeveelheid middelen dat hij ten tijde van het ongeval, niet tot behoorlijk besturen in staat was.
De volgende vraag die dan voorligt, is in welke mate verdachte schuld heeft aan het ongeval. In het algemeen geldt dat onder 'schuld' als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”.
De hiervoor omschreven omstandigheden leiden volgens de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte "zeer onvoorzichtig en onoplettend" heeft gereden, maar zij zijn niet toereikend voor het oordeel dat de verdachte "roekeloos" in voornoemde zin heeft gereden, zodat de verdachte van het als roekeloos tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
Letsel.
Gelet op de aard van het letsel, de noodzaak tot medisch operatief ingrijpen en de duur van het verwachte herstel, komt de rechtbank tot het oordeel dat bij het slachtoffer [slachtoffer 1] sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie ten aanzien van feit 1.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 2.
De raadsman heeft op de terechtzitting voor wat betreft feit 2 gedeeltelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en namens verdachte erkend dat hij het voertuig onder invloed heeft bestuurd. Dat daarbij de grenswaarden zijn overschreden, wordt ook erkend. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet in de rede ligt om te veronderstellen dat verdachte de morfine na het ongeval maar voorafgaand aan de bloedafname in het ziekenhuis toegediend heeft gekregen. Immers, door de verpleegkundige van de spoedeisende hulp is verklaard dat enkel droperidol is toegediend en de rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan die verklaring te twijfelen.
Ook de stelling dat de bloedafname in strijd met artikel 12 lid 3 van het Besluit Alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer langer dan 90 minuten op zich heeft laten wachten en dat daardoor de gehalten van de middelen niet vast te stellen zijn, volgt de rechtbank niet. Hoewel de 90-minuten termijn is overschreden (met maximaal 40 minuten), beoogt deze termijn te bewerkstelligen dat een verdachte zo kort mogelijk en zo min mogelijk onnodig van zijn vrijheid wordt beroofd. Ook beoogt dit voorschrift te bewerkstelligen dat de factor tijd zo min mogelijk in het voordeel van een verdachte is en deze niet ten onrechte vrijuit gaat, doordat de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedend middel met het tijdsverloop wordt afgebroken.
De medewerkers van het ziekenhuis hebben verdachte eerst aan zijn verwondingen behandeld voordat zij zijn overgegaan tot het afnemen van bloed voor onderzoek. Een situatie als bedoeld in artikel 359a Sv is niet aan de orde. Er is niet gebleken – en niet gesteld – dat en waarom verdachte door het overschrijden van de 90-minuten termijn in zijn belangen is geschaad. Die overschrijding is voor de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 3.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde rijden met een ongeldig rijbewijs niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank stelt voorop dat, om tot een bewezenverklaring te komen, uit de bewijsvoering moet blijken:
a. dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, dat het desbetreffende besluit aan hem bekend is gemaakt en dat dit besluit van kracht was doordat zes dagen zijn verlopen na die bekendmaking;
b. dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven voor de categorie waartoe het motorrijtuig behoort dat hij bestuurde;
c. dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Uit de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief naar de verdachte is verzonden, kan niet worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Dat leidt ertoe dat het onder 3 ten laste gelegde niet is wettig en overtuigen is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Feit 4.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Als gevolg van die kop-staart botsing met de Audi, is verdachte op de weghelft beland voor het voor hem tegemoetkomende verkeer en daar in aanrijding gekomen met de door [slachtoffer 2] bestuurde Skoda.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn hiervoor beschreven gedragingen gevaar heeft veroorzaakt op de weg en het verkeer op de weg heeft gehinderd in de zin van artikel 5 WVW 1994. De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 4 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
op 4 februari 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Geldropseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,
-onder invloed van en na gebruik van alcoholhoudende drank en
-na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten morfine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 150 microgram per liter bloed betrof, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde, en
-na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 1,1 microgram per liter bloed betrof, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde, en
-zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en
-tegen een voor hem, verdachte, in gelijke richting rijdende personenauto (Audi) te rijden waardoor, althans mede waardoor, deze personenauto (Audi) tegen een boom is gebotst, waardoor bij de bestuurder van deze personenauto (Audi) (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken oogkas, waarvoor operatie noodzakelijk was, en een hersenschudding en verminderd gevoel in de hoektanden, is ontstaan,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
Ten aanzien van feit 2:
op 4 februari 2024 te Eindhoven, als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd, na gebruik van in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen, te weten morfine en cannabis en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde wet, het gehalte in zijn bloed, bij iedere aangewezen stof en/of alcohol,
1,1 microgram THC per liter bloed, en
150 microgram morfine per liter bloed en
2,06 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg;
Ten aanzien van feit 4:
op 4 februari 2024 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, Geldropseweg,
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en
-tegen een voor hem, verdachte, in gelijke richting rijdende personenauto (Audi) is gereden, en vervolgens
-met het door hem bestuurde motorrijtuig op de weghelft bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer terecht te komen en vervolgens tegen een zich op die weghelft bevindende auto (Skoda) te botsen,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft voor de feiten 1, 2 en 3 gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren gevorderd. Voor feit 4 heeft de officier van justitie een geldboete van 1.000 euro gevorderd, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat rekening gehouden dient te worden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft als gevolg van het ongeval zelf lichamelijk letsel overgehouden en heeft momenteel geen werk. De raadsman acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en heeft eveneens aangegeven dat verdachte een geldboete gelet op zijn financiële situatie niet kan betalen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn draagkracht. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft als bestuurder van een voertuig een verkeersongeval veroorzaakt dat aan zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag te wijten is. Door zijn gedrag in het verkeer heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol, cannabis én medicijnen waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Desondanks is hij na gebruik van die stoffen toch in de auto gestapt. Verdachte is vervolgens zwaar onder invloed achterop de auto van mevrouw [slachtoffer 1] gereden. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat de gebeurtenis zeer ingrijpend is (geweest) en forse gevolgen voor haar heeft gehad, blijkt uit de omstandigheid dat zij een operatie heeft moeten ondergaan en dat er sprake is van een herstelperiode van meer dan een jaar. Door de aanrijding met de auto van mevrouw [slachtoffer 1] is verdachte met zijn auto op het weggedeelte van tegemoetkomend verkeer terecht gekomen waarbij hij in aanrijding is gekomen met de auto van [slachtoffer 2] , die met zijn zoon met de schrik is vrijgekomen. Verdachte heeft kort voor deze aanrijdingen op dezelfde weg bij een daarvoor staand verkeerslicht ook bijna een botsing veroorzaakt die hij door een noodstop op het laatste moment kon voorkomen. Die gevaarlijke situatie is voor hem klaarblijkelijk geen reden geweest om niet verder te rijden, waarna de kop-staart botsing heeft plaatsgevonden met alle gevolgen van dien.
De persoon van verdachte.
Verdachte heeft op geen enkel moment zijn verantwoordelijkheid richting de slachtoffers genomen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat sprake is van veelvuldige recidive voor wat betreft het rijden onder invloed. Een eerder opgelegde EMA (Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer) en de diverse veroordelingen hebben geen verandering teweeggebracht in het gedrag van verdachte. Verdachte is kennelijk niet bereid of in staat om zich aan verkeersregels te houden. Toepassing van het strafrecht lijkt te zijn aangewezen om de maatschappij tegen verder gevaar voor het verkeersgedrag van verdachte te beschermen.
Samenloop.
Naar het oordeel van de rechtbank is tussen de bewezenverklaarde feiten sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het onder invloed van alcohol, THC en morfine veroorzaken van een verkeersongeval (feit 1) en het rijden onder invloed van voormelde middelen (feit 2) leveren een dusdanig samenhangend, op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. De strekking van de desbetreffende strafbepalingen – bescherming van de verkeersveiligheid – komt in grote mate overeen. Om onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen zal de rechtbank hier in de strafoplegging rekening mee houden. Gelet op artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht wordt voor feit 4 wel een aparte straf opgelegd.
Redelijke termijn.
Elke verdachte heeft recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het uitgangspunt is dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aangevangen op 5 februari 2024, zijnde de dag waarop verdachte voor het eerst is gehoord. Tussen 5 februari 2024 en de datum van het eindvonnis (10 maart 2026) ligt een periode van twee jaar en één maand. Er is daarom sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn is mede veroorzaakt door het op verzoek van de verdediging horen van getuigen door de rechter-commissaris. Gelet op de geringe overschrijding stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is overschreden maar verbindt zij daar geen verdere gevolgen aan.
De op te leggen straf.
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank heeft gekeken naar de schuldvariant ‘zeer hoge mate van schuld’ met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en met toepassing van de hoogste categorie alcoholgebruik. Hiervoor is in het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren opgenomen.
De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank volgt dat niet en zal gelet op de bijzondere ernst van het gebeurde en de veelvuldige recidive een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.
Feit 1 en 2.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde, waarbij eveneens van belang is dat verdachte veelvuldig gerecidiveerd is voor rijden onder invloed.
Voorts zal de rechtbank ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan verdachte opleggen voor de duur van vier jaren om verkeersdeelnemers te beveiligen tegen het onverantwoorde gedrag van verdachte in het verkeer.
Feit 4.
Met de voor feit 1 en 2 opgelegde straffen komt voldoende tot uitdrukking dat verdachte gevaar voor medeweggebruikers heeft veroorzaakt. De rechtbank zal in reactie op feit 4 volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 55, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 8, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven en de overtreding:
Ten aanzien van feit 1:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Ten aanzien van feit 4:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
- legt op de volgende straffen:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden
en
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren
Ten aanzien van feit 4:
een geldboete ter hoogte van 1.000,00 euro subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 10 maart 2026.