RECHTBANK OOST-BRABANT
[verzoekster], uit [woonplaats],
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre,
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/3704
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
verzoekster,
(gemachtigde: mr. L.T. van Eyck van Heslinga),
en
het college,
(gemachtigden: mr. C van de Laar en mr. F.P.G. Ricken-Cleven).
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de last onder dwangsom die het college aan eiseres heeft opgelegd wegens (gesteld) gebruik van grond in strijd met de bestemming door het aanwezig hebben van een tuinhuis zonder daartoe een omgevingsvergunning te hebben.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft beroep ingesteld (geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/1965) en het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Het college is met het bestreden besluit van 2 juli 2025 gebleven bij de oplegging van de last onder dwangsom, die is opgelegd met het besluit van 9 januari 2025.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 februari 2026 op zitting behandeld gelijktijdig met het beroep. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
De beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van 11 maart 2026 van de rechtbank Oost-Brabant in het beroep SHE 25/1965. Hierin heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien om een voorlopige voorziening te treffen met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht. Onder verwijzing naar deze uitspraak wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van een der partijen of vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: