RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummers: 01.006867.24 en 01.400787.24 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1955] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 februari 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 21 januari 2026.
Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.006867.24 (de belagingszaak) ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 18 juli 2023 tot en met 5 januari 2024 te Helmond, althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,
door
- meermalen, althans eenmaal, berichten (via sms-diensten en/of Facebook) te sturen en/of
- meermalen, althans eenmaal, te (video)bellen en/of
- camera('s) op de woning van die [slachtoffer] te richten en/of daarvan meerdere, althans één, opname(s) te maken en/of daarvan meerdere, althans één, screenshot(s) te maken,
Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.400787.24 (de vernielingszaak) ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Helmond
opzettelijk en wederrechtelijk een videodeurbel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich in beide zaken op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich in beide zaken, wat de bewezenverklaring betreft, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht. In aanvulling op deze bewijsmiddelen overweegt de rechtbank als volgt.
De belagingszaak
De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake was van een vormverzuim in het vooronderzoek doordat de politie, nadat zij een nummer belde en verdachte de telefoon opnam, toch met hem in gesprek is gegaan zonder hem de cautie te geven. Nu de raadsman heeft nagelaten aan te voeren dat er nadeel voor verdachte is ontstaan en/of tot welk rechtsgevolg dit verzuim dient te leiden en de rechtbank ook ambtshalve geen aanleiding ziet om te concluderen dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden, zal de rechtbank dit verweer verder onbesproken laten.
De vraag die de rechtbank in de zaak met parketnummer 01.006867.24 moet beantwoorden, is of de gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Belaging vereist het stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het oogmerk de ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van de vraag of het gaat om belaging zijn, volgens vaste rechtspraak, verschillende factoren van belang; te weten de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte. Ook de omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, zijn factoren van belang.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte in de periode van 18 juli 2023 tot en met 5 januari 2024 veelvuldig en stelselmatig berichten heeft gestuurd aan mevrouw [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer). Verdachte heeft in het verhoor bij de politie erkend deze berichten te hebben gestuurd. Het slachtoffer heeft in haar aangifte, met als bijlage 628 berichten van verdachte, verklaard dat de berichten variëren van berichten met een neutrale toon tot berichten met een dreigende toon, waarin ook gesproken wordt over engelen en demonen. De berichten die verdachte in de maanden november en december 2023 heeft gestuurd heeft het slachtoffer ook aan de politie toegezonden. Onder de berichten van verdachte zitten berichten met teksten als “Ik wil dat je komt, alleen zo kunnen we verder.” “Durf je niet?” en “Ik wil mijn vijand ontmoeten.” Verdachte heeft het slachtoffer in de berichten ook “trut”, een “slechte heks”, en “kutwijf” genoemd. Ook zijn er berichten met teksten als: “Je maakt alles maar erger. Dit loopt nog eens slecht met je af. Ik zou gaan verhuizen. Voor jou een optie” en “Echt, spring van een brug en verlos jezelf, en anderen” en “Wat een domme gans ben jij, je verdient je straf iig.” “Je mag gaan van deze aardkloot.” Het slachtoffer heeft verder in haar aangifte verklaard dat zij berichten van verdachte kreeg, waaruit zij heeft afgeleid dat hij haar in de gaten hield. Het slachtoffer noemt als voorbeeld dat als zij boodschappen heeft gedaan, verdachte haar een bericht stuurt waarin hij dat vermeldt. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte haar berichten heeft gestuurd over de voordeur van haar woning die openstaat en even later weer dicht is, over het al of niet open zijn van de jaloezieën en over het ’s avonds alleen over straat gaan. Bovendien heeft verdachte het slachtoffer verschillende keren gebeld. Ook dat heeft verdachte in het verhoor bij de politie erkend. Verder volgt uit het dossier dat een camera aan de achtergevel van de woning van verdachte was gemonteerd. Deze camera stond gericht op de woning van het slachtoffer en was aangesloten op een recorder. Deze recorder bevatte opnames over de periode tussen 29 juli 2023 en 25 september 2023. Op een aantal van deze opnames is te zien dat de camera inzoomt op de woning van het slachtoffer. De laptop van verdachte bevatte verder verschillende screenshots van de camerabeelden waarop het slachtoffer is te zien. Over deze opnames en screenshots heeft verdachte verklaard dat hij op het internet heeft gezien dat het slachtoffer hem zwart maakte en onwaarheden deelde. Hij deed dit als reactie.
Naar het oordeel van de rechtbank maken al deze gedragingen tezamen dat verdachte een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer heeft gemaakt. Hij heeft steeds op indringende en intensieve wijze het slachtoffer gedwongen contact met hem te dulden, terwijl zij dit niet wilde. Dat heeft zij verdachte ook duidelijk laten weten. Daarnaast heeft hij het slachtoffer verschillende keren gebeld en een camera op haar woning gericht en opnames en screenshots gemaakt. Deze gedragingen van verdachte hebben een grote invloed op het persoonlijke leven van het slachtoffer gehad en hebben meer in het bijzonder geleid tot angst en stress bij het slachtoffer.
Gelet op de aard, de duur, de frequentie, de intensiteit van de gedragingen en de invloed die deze gedragingen op het persoonlijk leven van het slachtoffer hebben gehad, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging in de zin van artikel 258b, eerste lid, Sr. Daarmee is het onder parketnummer 01.006867.24 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezen is verklaard.
De vernielingszaak
Wat de vernieling betreft, heeft het slachtoffer in haar aangifte verklaard dat zij op vrijdag 6 september 2024 rond 21:25 uur hoorde dat iemand ‘iets’ door haar brievenbus deed. Zij heeft beschreven dat het leek alsof er een pakketje door de brievenbus werd geduwd, omdat ze veel geluid hoorde. Toen is ze gaan kijken en zag ze dat de videodeurbel, die rechts naast de deur op de muur is gemonteerd, was vernield. Zij zag ook dat er een brief was gepost. Het slachtoffer heeft daarnaast een e-mail aan de politie gestuurd met als bijlage de laatste afbeelding van de videodeurbel, voordat deze werd vernield. Zowel het slachtoffer als haar zoon hebben verdachte op de foto herkend. Verdachte heeft bij de politie verklaard op die avond en rond dat tijdstip inderdaad een brief bij het slachtoffer in de brievenbus te hebben gedaan. Verder heeft verdachte verklaard dat de persoon op de laatste afbeelding van de videodeurbel hetzelfde postuur en dezelfde houding heeft als hij.
De rechtbank komt op basis van deze feiten en omstandigheden tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die de videodeurbel heeft vernield. Ook het onder parketnummer 01.400787.24 ten laste gelegde feit kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen, zoals hierna bewezen is verklaard.
De bewezenverklaring.
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en te dulden.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
Ten aanzien van 01.006867.24:
in de periode van 18 juli 2023 tot en met 5 januari 2024 te Helmond, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- meermalen berichten te sturen en
- meermalen te (video)bellen en
- een camera op de woning van die [slachtoffer] te richten en daarvan opnames en screenshots te maken,
Ten aanzien van 01.400787.24:
op 6 september 2024 te Helmond opzettelijk en wederrechtelijk een videodeurbel die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft vernield.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van de feiten en van verdachte.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten en van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van zes maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals de reclassering in haar rapport van 10 februari 2026 heeft geadviseerd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod.
Verder heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op leggen, als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van twee jaar in de vorm van een locatie- en een contactverbod. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht te bevelen dat vervangende hechtenis van één week zal worden toegepast voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt. Het locatieverbod houdt in dat verdachte niet meer in straat van de woning van het slachtoffer mag komen.
Ook heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De raadsman heeft in dit kader op het rapport van de reclassering gewezen, waaruit volgt dat zij behandeling noodzakelijk vindt om gedragsverandering te bewerkstelligen en zo tot een beperking van het recidiverisico te komen. Uit het reclasseringsrapport volgt dat de reclassering het vermoeden heeft dat er geestelijke problematiek bestaat. Het is aan de rechtbank om vast te stellen of bij verdachte ten tijde van de strafbare feiten een psychische stoornis aanwezig was. Dat in deze zaak geen deskundigenadvies over de psychische gesteldheid van verdachte is uitgebracht, staat hier volgens de raadsman niet aan in de weg. Verder is verdachte ongeneeslijk ziek en niet geschikt voor detentie. Al met al vindt de raadsman een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging (ook wel stalking genoemd) van het slachtoffer dat bij hem in de buurt woonde en het vernielen van haar videodeurbel. Uit de aangifte blijkt dat verdachte aangeefster al vijf jaar lastig valt en dat zij twee keer eerder aangifte deed van belaging. Nu heeft verdachte haar over een periode van ruim vijf maanden vele berichten gestuurd, verschillende keren gebeld en een camera op haar woning gericht en daarmee opnames en screenshots van haar gemaakt. Verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Zij heeft in haar slachtofferverklaring duidelijk gemaakt welke impact het gedrag van verdachte op haar heeft gehad. Niet alleen heeft de belaging langer dan de ten laste gelegde periode haar leven beheerst, de belaging riep ook voortdurend angst en stress bij haar op. Dat volgt niet alleen uit haar slachtofferverklaring, maar ook uit de aangifte en de verschillende contacten die zij met de politie heeft gehad.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 10 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte een gepensioneerde man is, die zich erg eenzaam voelt. Hij heeft in 2013 een hartinfarct gehad en hij gebruikte daarvoor medicatie. Verdachte zegt zelf dat zijn gedrag sterk is veranderd als gevolg van zijn medicatiegebruik. Dat heeft hem zijn baan, familiaire en sociale netwerk gekost. De reclassering ziet een directe delict-relatie ten aanzien van zijn gedrag en psychisch functioneren, het ontbreken van een passende dagbesteding, het niet beschikken over een klankbord, zoals familie of vrienden, en problematisch alcoholgebruik. Deze factoren beschouwt de reclassering als criminogene- en daarmee risico-verhogende factoren. De reclassering schat het risico op recidive hoog in en het risico op letselschade gemiddeld. Deze risico’s kunnen volgens de reclassering alleen worden verlaagd als verdachte de juiste begeleiding en behandeling krijgt om bestendige gedragsverandering te kunnen bewerkstelligen. Hoewel de reclassering, gezien de gezondheid en houding van verdachte, twijfels heeft over de haalbaarheid van de bijzondere voorwaarden, vindt zij het toch nodig om bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering heeft daarom geadviseerd om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met onder andere de bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling.
Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank in het reclasseringsrapport geen reden om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De reclassering maakt weliswaar melding van het psychisch functioneren van verdachte, maar uit enkel dat gegeven kan de rechtbank niet zonder meer concluderen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Verdachte heeft de reclassering bovendien geen toestemming gegeven om referenten van onder andere de instantie Savant Zorg te mogen raadplegen, om de informatie die verdachte de reclassering heeft gegeven te kunnen verifiëren. Er heeft verder geen onderzoek naar de psychische gesteldheid van verdachte plaatsgevonden. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen of een psychische stoornis ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bestond en of die eventuele stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed.
De op te leggen straf
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de straffen die in soortgelijke zaken door rechtbanken zijn opgelegd.
De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de gevangenisstraf. Een andere of lichtere straf vindt de rechtbank niet passend. De rechtbank acht bovendien een taakstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden en gezondheid van verdachte en het advies van de reclassering, niet haalbaar.
Alles afwegende, ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van zes maanden. Deze straf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen verder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met uitzondering van het contact- en locatieverbod omdat hierin wordt voorzien door een op te leggen maatregel.
De op te leggen maatregel
De rechtbank zal verdachte ook ter voorkoming van strafbare feiten, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen. Deze maatregel zal een contactverbod en een locatieverbod inhouden voor de duur van twee jaar. Voor iedere keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt zal vervangende hechtenis voor de duur van één week worden toegepast, tot een maximum van zes maanden.
De rechtbank acht de oplegging van de hiervoor genoemde straf en maatregel passend en geboden.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij heeft in de zaak met parketnummer 01.006867.24 (de belagingszaak) een vergoeding verzocht van immateriële schade ter hoogte van € 2.300,-. De benadeelde partij heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
In de zaak met parketnummer 01.400787.24 (de vernielingszaak) heeft de benadeelde partij een vergoeding verzocht van materiële schade ter hoogte van € 185,98. Dit bedrag bestaat uit € 68,- voor de vernielde deurbel en € 117,98 voor de meerwaarde van de aangeschafte vervangende deurbel.
Het standpunt van de officier van justitie.
Wat de vordering in de belagingszaak betreft, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, vermeerderd met de wettelijke rente.
Over de vordering in de vernielingszaak heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding voor de vernielde deurbel, te weten een bedrag van € 68,-, redelijk is. Volgens de officier van justitie is het niet redelijk om ook de meerwaarde van de aangeschafte vervangende deurbel als beveiligingsmaatregel te vorderen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft over de vordering in de belagingszaak gesteld dat het slachtoffer weliswaar psychische hulp heeft ontvangen, maar dat uit de stukken over de behandeling en de hulpvraag niet volgt dat de belaging bij de behandeling aan de orde is geweest. Om die reden zou de rechtbank het gevorderde bedrag aan immateriële schade volgens de raadsman lager moeten vaststellen.
De raadsman heeft zich wat betreft de vordering in de vernielingszaak aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank.
De belagingszaak
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade, onder andere als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen of anderszins in zijn persoon is aangetast.
De benadeelde partij heeft in haar vordering tot schadevergoeding toegelicht dat de huisarts haar heeft doorverwezen en dat zij onder behandeling is geweest bij een psycholoog. Zij heeft in totaal twaalf sessies gevolgd, die bestonden uit traumagerichte EMDR-therapie. Volgens de benadeelde partij stonden de klachten, waaronder angst, verhoogde waakzaamheid, herbelevingen en vermijdingsgedrag in direct verband met het grensoverschrijdende gedrag van verdachte, waaronder het intensieve berichtenverkeer en de op haar woning gerichte camera. Voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de benadeelde partij op hoofdstuk 17 van de Rotterdamse schaal gewezen. Zij heeft gesteld dat categorie (b) ‘Ernstig’ het meest passend is bij haar situatie.
De rechtbank kan dit standpunt volgen. In categorie (b) van hoofdstuk 17 van voornoemde Rotterdamse schaal gaat het om een belaging die ernstig is, maar vaak minder lang en/of minder frequent en/of minder intensief is dan de meest ernstige gevallen. De dader maakt veelal gebruik van verschillende middelen om de benadeelde te benaderen.
Het gaat in deze zaak niet om de meest ernstige vorm van belaging, maar verdachte heeft bijvoorbeeld wel gebruik gemaakt van verschillende middelen om de benadeelde partij te benaderen. De rechtbank acht daarom deze categorie het meest passend voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. Voor deze categorie (b) geldt als richtsnoer een bedrag tussen de € 2.000,- en € 5.000,-. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 2.300,- billijk. Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank geen reden om dit bedrag lager vast te stellen, omdat de behandeling van de benadeelde partij niet zou zien op de belaging. Zoals de benadeelde partij ter terechtzitting heeft opgemerkt, is de reden van de doorverwijzing de belaging, die ook oude trauma’s heeft getriggerd. Uit de verwijzing volgt ook dat de oude trauma’s door toedoen van het gedrag van verdachte zijn getriggerd. Verder volgt uit het overgelegde specialistenbericht niet dat de EMDR-therapie in het geheel geen betrekking had op de belaging door verdachte.
De vernielingszaak
De rechtbank acht in de vernielingszaak een bedrag van € 68,- voor de vernielde videodeurbel toewijsbaar. Het bedrag van € 117,98 acht de rechtbank niet toewijsbaar.
In zijn arrest van 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:840 heeft de Hoge Raad overwogen dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.
De benadeelde partij heeft na de vernieling van haar deurbel een nieuwe deurbelcamera met bijbehorende ‘chime’ aangeschaft van het merk ‘Ring’. Zij vordert het prijsverschil tussen de vernielde videodeurbel en de deurbel die zij ter vervanging heeft aangeschaft, te weten een bedrag van € 117,98. De meeruitgave is volgens de benadeelde partij gerechtvaardigd, omdat deze aanschaf uitsluitend heeft plaatsgevonden met het oog op het herstel van het veiligheidsgevoel van de benadeelde. De benadeelde partij heeft hevige gevoelens van angst en onveiligheid ervaren, waardoor zij zich niet meer veilig voelde in haar eigen woning.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij in de situatie moet worden gebracht waarin zij had verkeerd als het schade toebrengende feit niet was gepleegd door verdachte. Bij zaaksbeschadiging geldt in beginsel waardevergoeding. Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat de videodeurbel nog geen jaar oud was en dat reparatie niet mogelijk bleek. Dat betekent dat de rechtbank het gevorderde aankoopbedrag van de vernielde videodeurbel van € 68,- als vermogensschade zal toewijzen. Naast dit bedrag heeft de benadeelde partij het prijsverschil gevorderd tussen de vernielde videodeurbel en de variant die zij nadien ter vervanging heeft aangeschaft. In de toelichting bij deze vordering staat dat deze aanschaf uitsluitend heeft plaatsgevonden om het veiligheidsgevoel van de benadeelde te herstellen, na de belaging door verdachte. Dit gedeelte van de vordering zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren, nu dit geen rechtstreekse schade betreft die de benadeelde partij als gevolg van de vernieling heeft geleden.
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, een bedrag van € 2.300,- aan immateriële schadevergoeding in de belagingszaak en een bedrag van € 68,- aan materiële schadevergoeding in de vernielingszaak toewijzen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
Ten aanzien van 01.006867.24:
belaging
Ten aanzien van 01.400787.24:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar Voorwaarde is, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:
De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat veroordeelde:
De rechtbank legt op de volgende maatregelen:
o dat veroordeelde zich gedurende twee jaar zal onthouden van contact met [slachtoffer] . [slachtoffer] ( [1959] ) en bepaalt dat zulks met zich brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel, nog middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke middelen) zal hebben met de genoemde persoon;
o dat veroordeelde zich gedurende twee jaar niet zal bevinden in de [adres 2] .
De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 2.368,00, bestaande uit € 68,00 materiële schadevergoeding (aankoopbedrag videodeurbel) en € 2.300,00 immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2024, zijnde de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van 01.006867.24:
De rechtbank legt op de volgende bijkomende straf:
verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. Grimbergen, voorzitter,
mrs. C.A. Mandemakers en C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 11 maart 2026.