ECLI:NL:RBOBR:2026:1616

ECLI:NL:RBOBR:2026:1616

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 71/130762/22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Afsplitsing onderzoek 26Gosport. Procesafspraken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt overtreding van de Opiumwet en Geneesmiddelenwet en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 64 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 71.130762.22

Datum uitspraak: 13 maart 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 augustus 2024, 15 oktober 2024, 10 januari 2025, 31 maart 2025, 2 juni 2025, 14 augustus 2025, 27 november 2025 en 27 februari 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juli 2024.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

Ten aanzien van feit 1:

Op een of meer tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 10 april 2020 te

Vlaardingen, Amsterdam en/of Amersfoort, althans in Nederland en/of een of meer plaatsen in het Verenigd Koninkrijk in vereniging gepleegd, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van ongeveer 97 kilogram cocaïne en/of ongeveer 24,75

kilogram heroïne en/of ongeveer 80 kilogram cocaïne en/of heroïne en/of opzettelijk werkzaamheden heeft verricht die betrekking hebben op deze hoeveelheid cocaïne en/of

heroïne, althans dit aanwezig heeft gehad, ex artikel 2 onder A, B en/of C van de Opiumwet.

Subsidiair wordt hem ditzelfde feitencomplex verweten, maar dan als voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet.

Ten aanzien van feit 2:

Op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2020 tot en met 9 april

2020 te Vlaardingen, Amsterdam en/of Amersfoort, althans in Nederland en/of een of meer

plaatsen in het Verenigd Koninkrijk in vereniging gepleegd en zonder registratie ongeveer

25 kilogram ketamine heeft bewerkt en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland

heeft gebracht, dan wel met deze stof een groothandel heeft gedreven, ex artikel 38 lid 1

van de Geneesmiddelenwet.

Ten aanzien feit 3:

In de periode van 30 maart 2020 tot en met 31 oktober 2023 in Nederland, België, het

Verenigd Koninkrijk en/of de Verenigde Arabische Emiraten heeft deelgenomen aan een

organisatie die gevormd werd door - kort gezegd - verdachten beschreven in het onderzoek

26Gosport, zaaksdossier Criminele organisatie en die tot oogmerk had het plegen van

misdrijven als bedoel in de Opiumwet, de Geneesmiddelenwet en de witwas bepalingen

opgenomen in het Wetboek van Strafrecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van procesafspraken.

Het Openbaar Ministerie en verdachte hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die is ondertekend door de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsrouw op 10 april 2025. Deze overeenkomst bevindt zich in het dossier.

Het Openbaar Ministerie en verdachte zijn overeengekomen dat:

Verdachte in het kader van deze overeenkomst:

Het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst:

Daarbij merken partijen op dat zij af zullen zien van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door zijn raadsvrouw en dat verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen weten dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. Dit heeft de rechtbank ter terechtzitting van 14 augustus 2025 met de partijen besproken.

De rechtbank heeft deze procesafspraken ter terechtzitting doorgenomen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn uitdrukkelijk met verdachte besproken. Verdachte heeft ter terechtzitting van 14 augustus 2025 ten overstaan van de rechtbank nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.

De rechtbank constateert dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank constateert verder dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. Dit betekent dat de rechtbank de procesafspraken bij de verdere beoordeling zal betrekken.

Het bewijs.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de procesafspraken, op het standpunt gesteld dat het aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 maart 2020 tot en met 10 april 2020 te Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Amersfoort in elk geval in Nederland en /of een of meer plaatsen in het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en /of (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en /of verstrekt en /of vervoerd en /of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;

- in of omstreeks de periode van 30 maart 2020 tot en met 1 april 2020 ongeveer 97 stuks/kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en /of

- in of omstreeks de periode van 3 april 2020 tot en met 8 april 2020 ongeveer 24,75 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en /of

- in of omstreeks de periode van 6 april 2020 tot en met 9 april 2020 ongeveer 80 kilogram cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel ( en ) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I , dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet ;

Ten aanzien van feit 2:

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2020 tot en met 9 april 2020 te Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander ( en ) , althans alleen, opzettelijk, zonder registratie (in totaal) 25 kilogram ketamine , in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ketamine, in elk geval werkzame stof heeft bereid en/of ingevoerd en/of in voorraad heeft gehad en /of verkocht en/of afgeleverd en/of heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in een werkzame stof, te weten ketamine, een groothandel heeft gedreven ;

Ten aanzien van feit 3:

in of omstreeks de periode van 30 maart 2020 tot en met 31 oktober 2023 te Eindhoven en/of (andere) plaatsen in Nederland en /of in een of meer plaatsen in België en /of in een of meer plaatsen in het Verenigd Koninkrijk en /of in een of meer plaatsen in de Verenigde Arabische Emiraten, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en /of een of meer anderen, zoals beschreven in onderzoek “26Gosport”,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en /of vijfde lid Opiumwet en /of artikel 10a Opiumwet en /of artikel 420bis Wetboek van Strafrecht en /of artikel 420ter Wetboek van Strafrecht en /of artikel 38 Geneesmiddelenwet.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 64 maanden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht ook voor wat de strafmaat betreft aan te sluiten bij de overeenkomst.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de wettelijke strafmaxima en de straffen die voor min of meer vergelijkbare feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verder heeft de rechtbank gelet op de afspraken in de overeenkomst.

Verdachte heeft zich kortgezegd schuldig gemaakt aan de uitvoer van ruim tweehonderd kilogram harddrugs (feit 1 primair), de invoer/uitvoer van 25 kilogram ketamine (feit 2) en deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de (internationale) handel in harddrugs (waaronder ketamine, een werkzame stof als bedoeld in de Geneesmiddelenwet maar die als harddrug gebruikt wordt) en witwassen (feit 3). Het is algemeen bekend dat cocaïne en ketamine schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Daarnaast bekostigen gebruikers hun drugsgebruik niet zelden door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor anderen schade en overlast ondervinden.

Uit de juridische documentatie van verdachte blijkt dat hij in het verleden al meermalen voor Opiumwetfeiten is veroordeeld tot gevangenisstraffen. Verdachte heeft zich daar kennelijk weinig van aangetrokken.

Tussen verdachte en het Openbaar Ministerie is een strafeis van 64 maanden overeengekomen. Gelet op wat hiervoor werd overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd en met welke eis verdachte heeft ingestemd, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals deze blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank is van oordeel dat deze straf in afdoende mate recht doet aan deze zaak, en dat aldus het belang van verdachte en dat van de maatschappij geëerbiedigd worden. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot de straf zoals de officier van justitie – conform de procesafspraken – heeft geëist.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis.

De voorlopige hechtenis van verdachte is eerder geschorst tot aan de einduitspraak in deze strafzaak. De rechtbank neemt geen nieuwe beslissing met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis eindigt op het moment van de uitspraak.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;

38 van de Geneesmiddelenwet;

2 en 10 van de Opiumwet;

1. en 6 van de Wet op de economische delicten.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod., meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, lid 1, van de Geneesmiddelenwet

Ten aanzien van feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

- legt op de volgende straf:

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3:

Een gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. W.M.T. Keukens en mr. S.H. Schepers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,

en is uitgesproken op 13 maart 2026.

Bijlage: de tenlastelegging.

zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of
handelshoeveelheden cocaïne en/of heroïne en/of

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 maart 2020 tot en met 10 april 2020 te Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Amersfoort in elk geval in Nederland en/of een of meer plaatsen in het Verenigd Koninkrijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;

- in of omstreeks de periode van 30 maart 2020 tot en met 1 april 2020 ongeveer 97 stuks/kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- in of omstreeks de periode van 3 april 2020 tot en met 8 april 2020 ongeveer 24,75 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- in of omstreeks de periode van 6 april 2020 tot en met 9 april 2020 ongeveer 80 kilogram cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne,

(Zaaksdossier Luton)

(art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10 lid 3 Opiumwet, art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 maart 2020 tot en met 10 april 2020 te Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Amersfoort in elk geval in Nederland en/of in een of meer plaatsen in het Verenigd Koninkrijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid cocaïne en/of heroïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van

- (een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van

dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- mobiele telefoons, met het beveiligingsprogramma [naam 1] en/of [naam 2] , voorhanden gehad en/of verstrekt en/of gebruik gemaakt van communicatie via een [naam 1] en/of [naam 2] en/of

- in persoon en/of telefonisch en/of via ( [naam 1] en/of [naam 2] )chatberichten contact met één of meer mededader(s) en/of contactperso(o)n(en) gezocht en/of onderhouden en/of informatie en/of foto's uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het afleveren en/of transporteren en/of opslaan en/of in ontvangst nemen van voornoemde hoeveelheden cocaïne en/of heroïne middels de dekladingen van wasbakken dan wel middels willekeurige andere deklading(en) en/of

- personen en/of bedrijven benaderd en/of laten benaderen om zich ter beschikking te stellen als transporteur voor de deklading en/of voor de ontvangst en/of opslag van voornoemde

- inlichtingen uitgewisseld over de beschikbaarheid en/of (wijze van) transport van cocaïne en/of heroïne naar het buitenland (te weten het Verenigd Koninkrijk) en/of

- de deklading(en) met cocaïne en/of heroïne voorzien van een baken om het transport en/of de aankomst te volgen en/of

- in persoon en/of telefonisch en/of via ( [naam 1] en/of [naam 2] )chatberichten contact met één of meer mededader(s) en/of contactperso(o)n(en) gezocht en/of onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over de betaling van het transport en/of de cocaïne en/of heroïne;

(Zaaksdossier Luton)

(art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van

Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2020 tot en met 9 april 2020 te Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk, zonder registratie

(in totaal) 25 kilogram ketamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

ketamine, in elk geval werkzame stof

heeft bereid en/of ingevoerd en/of in voorraad gehad en/of verkocht en/of afgeleverd en/of

uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht,

dan wel in een werkzame stof, te weten ketamine, een groothandel heeft gedreven;

(Zaaksdossier Luton)

(art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet)

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2020 tot en met 31 oktober 2023

te Eindhoven en/of (andere) plaatsen in Nederland en/of in een of meer plaatsen in België en/of in een of meer plaatsen in het Verenigd Koninkrijk en/of in een of meer plaatsen in de Verenigde Arabische Emiraten,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en/of een of meer

anderen, zoals beschreven in onderzoek "26Gosport",

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en/of vijfde lid Opiumwet en/of artikel 10a Opiumwet en/of artikel 420bis Wetboek van Strafrecht en/of artikel 420ter Wetboek van Strafrecht en/of artikel 38 Geneesmiddelenwet;

(art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?