ECLI:NL:RBOBR:2026:1634

ECLI:NL:RBOBR:2026:1634

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer SHE 26/13
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van het compensatieplan voor het project de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat. Verzoekers willen dat wordt gestopt met kappen van bomen voordat zij inspraak hebben gehad op dit compensatieplan. De rechtbank oordeelt dat het compensatieplan geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/13

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekers]

verzoekers,

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

en

Het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant,

het college,

(gemachtigde: mr. E. Euverman).

1. Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening speelt in het kader van de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (hierna: het project). Er zijn, en worden, kapvergunningen verleend voor dat project en er wordt ook inmiddels in de praktijk groen verwijderd. Er bestaat een herplantplicht. In het kader van het project is een kap- & groencompensatieplan (hierna: het compensatieplan) opgesteld door de uitvoerende aannemerscombinatie.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij stellen dat het bevoegd gezag goedkeuring heeft verleend aan het compensatieplan en vinden dat de goedkeuring van het compensatieplan door het bevoegd gezag een besluit is waartegen bezwaar en beroep open staat. Ze willen dat de kap wordt stilgelegd.

De voorzieningenrechter verklaart verzoekers niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Procesverloop

Omstreeks december 2025 is het compensatieplan gepubliceerd op de website van het project. Verzoekers hebben naar aanleiding hiervan op 21 december 2025 het college van GS van de provincie Noord-Brabant, de colleges van bij het project betrokken gemeentes en een waterschap aangeschreven met het verzoek over het compensatieplan uiterlijk 1 januari 2026 een besluit te nemen, zodat bezwaar en beroep daartegen mogelijk zou zijn. De colleges hebben niet op dat verzoek gereageerd.

Verzoekers hebben op 2 januari 2026 een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [naam] de heer [naam] , de heer [naam] en de heer [naam] namens de respectieve verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college.

3. Beoordeling door de voorzieningenrechter

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoekers stellen in hun verzoekschrift van 2 januari 2026 dat geen sprake is van een besluit, maar van een fictieve weigering om een besluit te nemen. De gemachtigde van verzoekers heeft later het standpunt ingenomen dat toch een besluit is genomen, en dat de brief van 21 december 2025 van verzoekers aan de respectieve colleges een bezwaar tegen dat besluit betreft. Hoewel deze tegenstrijdigheid vragen opwerpt, zal de voorzieningenrechter uitgaan van het door de gemachtigde gehuldigde standpunt, omdat tijdens de zitting door het college is beaamd dat de brief van 21 december 2025 op zichzelf als bezwaar tegen een vermeend besluit mag worden beschouwd. Waarmee het college niet heeft aangegeven dat sprake is van een daadwerkelijk ontvankelijk bezwaar tegen een daadwerkelijk besluit.

De discussie tussen partijen spitst zich dan (eerst) toe op de vraag of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Verzoekers stellen dat een besluit tot goedkeuring van het compensatieplan is genomen, maar wanneer en hoe dat is gebeurd is niet duidelijk voor hen. Uit andere documenten leiden zij wel af dat sprake zou zijn van een goedkeuringsbesluit. Ook voor de voorzieningenrechter is niet duidelijk geworden wat de inhoud zou zijn geweest van het vermeende besluit, of wat verzoekers menen te hebben opgemaakt uit de documenten, noch of het zou gaan om een schriftelijk document en welk college of welke colleges (van de provincie en/of een of meer gemeentes en of het waterschap) dit besluit zou(den) hebben genomen.

Het voorgaande is niet de enige complicatie die in deze procedure speelt. Verzoekers baseren hun stelling dat een besluit, in de zin van artikel 1:3 van de Awb, tot goedkeuring moet worden genomen (met name) op de inhoud van een kapvergunning, afgegeven door de gemeente Heusden. Dit terwijl hun verzoek zich in eerste instantie richtte tot de colleges van zowel de provincie als de betrokken gemeentes en het waterschap. Uiteindelijk is de provincie aangewezen als verweerder in deze procedure, zodat in deze zaak het college van de gemeente Heusden geen partij is.

Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling of goedkeuring van het compensatieplan (door het college) op zich niet leidt tot een verandering in rechtsgevolgen. Op zichzelf is juist dat uit het compensatieplan kan worden afgeleid hoe de aannemerscombinatie meent invulling te kunnen geven aan de herplantplicht, maar dat neemt niet weg dat de herplantplicht al is komen vast te staan met de kapvergunning. Anders hadden verzoekers ook helemaal niet kunnen vaststellen wat volgens hen de herplantplicht op grond van de vergunning inhoudt, en dat het compensatieplan daaraan niet voldoet. Als met de uitvoering van het compensatieplan niet wordt voldaan aan herplantplicht, dan ontstaat daardoor een overtreding van de vergunningvoorschriften en kan worden verzocht om handhaving.

In de door verzoekers genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2018, lag dit anders. In de betreffende uitspraak ging het om een vergunning waarbij in de vergunningvoorschriften is bepaald dat goedkeuring moest worden gegeven voor een soortgelijk plan als het compensatieplan. Deze situatie is hier niet aan de orde. Anders dan verzoekers, leest de voorzieningenrechter een dergelijk voorschrift namelijk niet in de door het college van de gemeente Heusden afgeven vergunning. Het enkele feit dat er een relatie bestaat tussen de omgevingsvergunning en de verplichting tot het opstellen van een compensatieplan over de uitvoering herplantplicht (waarin overigens ook de uitvoering van de kap wordt behandeld), maakt de beoordeling van een compensatieplan door het college niet gelijk tot een publiekrechtelijk besluit met rechtsgevolgen.

Het opstellen van het compensatieplan door de aannemerscombinatie betreft, zoals het college terecht stelt, onder deze omstandigheden een feitelijke handeling. Er wordt namelijk uitvoering gegeven aan de voorschriften uit de omgevingsvergunning. Een eventuele goedkeuring of instemming van het college (van in het geval van de betreffende vergunning; de gemeente Heusden, laat staan de provincie) van/met dit plan betreft geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Dat volgt namelijk niet uit de vergunningvoorschriften en daarvoor is ook geen grondslag buiten de vergunning.

De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat geen sprake is van formele connexiteit. Er is namelijk geen aanhangig besluit en dus ook geen ontvankelijke bezwaarprocedure gericht tegen een besluit. Verzoekers zijn reeds daarom niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter kan en zal dus de rest van het geschil onbesproken laten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N. Duin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?