RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.081094.21 en 01.002528.23 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 februari 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
In deze zaak is tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie (hierna te noemen: het OM) een overeenkomst gesloten betreffende procesafspraken en een afdoeningsvoorstel. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 23 januari 2026.
Nadat de tenlastelegging met parketnummer 01-081094-21 op de terechtzitting van 27 februari 2026 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 23 maart 2021 te Drunen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- één of meer voorwerpen en/of één of meer stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- een garagebox (nummer [nummer] ) aan de [adres 2] te Drunen gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of
- in die garage:
- 151 - 151 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, BMK-Glycidezuur en/of
- 120 - 120 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, waterstofperoxide en/of
- - reactiekolven en/of
- - filterzeven en/of
- - watertanks en/of
- - TL-armaturen en/of
- - diverse gereedschapsstukken;
ten behoeve van de productie van BMK en/of amfetamine gekocht of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of vervoerd en/of voorhanden gehad;
t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 3 november 2021 te 's-Hertogenbosch, opzettelijk, aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 700 gram van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I van die wet,
- ongeveer 2000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende mefedron, (4- methylmethcathinon) zijnde mefedron, (4-methylmethcathinon) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 3 november 2021 te ’s-Hertogenbosch, althans in het arrondissement Oost-Brabant, van (een) voorwerp(en), te weten:
- (een) contant(e) geldbedrag(en) van (in totaal) 11.980 euro en/of
- drie polshorloges (te weten van het merk Rolex en/of Audemars Piquet)
de werkelijke aard en/of herkomst heeft verhuld en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is en/of
voormeld(e) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of van voormeld(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat
voormeld(e) voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
t.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 3 november 2021 te 's-Hertogenbosch, een wapen en/of munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk FN, model 1910-22, kaliber 7.65 mm.) en/of een patroonhouder met (8) patronen, voorhanden heeft gehad.
Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.002528.23 tenlastegelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 2 januari 2023 te Boxtel en/of Vught, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 27,99 gram en/of 28,37 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 2,94 gram en/of 22,71 gram en/of 16,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA
t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 2 januari 2023 te Boxtel en/of Vught, in elk geval in Nederland, zonder registratie en/of vergunning een hoeveelheid van ongeveer 48,87 gram ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad;
T.a.v. feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2022 tot en met 2 januari 2023, te Nieuwkuijk en/of ’s-Hertogenbosch, althans Nederland,
(van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een motorvoertuig (Ford Focus, kenteken [kenteken] )
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Overwegingen met betrekking tot de overeenkomst.
Totstandkoming.
De officier van justitie en de verdediging hebben een overeenkomst gesloten, inhoudende procesafspraken en een afdoeningsvoorstel. Deze overeenkomst is op 27 februari 2026 door de verdediging en door de officier van justitie ondertekend. De rechtbank heeft kennis genomen van deze overeenkomst.
De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. De officieren van justitie en de verdediging hebben gezamenlijk een voorstel voor afdoening van de zaak aan de rechtbank voorgelegd.
Inhoud afspraken.
De overeenkomst houdt (samengevat) in een bewezenverklaring en een strafoplegging, zoals hierna omschreven:
- het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard met uitzondering van feit 3 opgenomen onder parketnummer 01.002528.23. Voor dit feit zal de officier van justitie tot vrijspraak rekwireren;
- de officier van justitie eist voor de strafbare feiten een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.
Verder is overeengekomen dat:
- het OM niet tot vervolging zal overgaan van voorbereidingshandelingen als in art. 10a van de Opiumwet (hierna: OW) op basis van de zich in het dossier Mayaguez bevindende ENCRO-berichten van 2020 en/of de berichten uit 2021 in de bij de doorzoeking inbeslaggenomen telefoon;
- de verdediging ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt al ingediende onderzoekswensen uiterlijk ter zitting en bij voorkeur al schriftelijk in;
- de verdediging zal geen bezwaar maken tegen de vordering wijziging tenlastelegging inzake 01.81094.21;
- door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
- door de verdediging en het OM wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het OM gemaakte afspraken;
- verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
- verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.
Oordeel rechtbank.
De rechtbank is bij haar beoordeling van de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank constateert dat de gemaakte afspraken er blijk van geven dat partijen ervan doordrongen zijn dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging. Ook wordt tot uitdrukking gebracht dat partijen onderkennen dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken en het afdoeningsvoorstel. Tevens heeft de rechtbank dit ter terechtzitting van 27 februari 2026 met partijen besproken.
De rechtbank stelt verder vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel rechtsgeldig is vertegenwoordigd en is bijgestaan door zijn raadsman.
De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 27 februari 2026 de overeenkomst en de consequenties daarvan met verdachte besproken. Verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank expliciet bevestigd de inhoud van de gemaakte afspraken en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank stelt op basis van het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust is van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de voorgestelde afdoening en daarmee afstand te doen van bepaalde verdedigingsrechten.
De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet daarnaast geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. Dit betekent dat de rechtbank de procesafspraken bij de verdere beoordeling zal betrekken.
Conclusie.
De rechtbank ziet met betrekking tot de bewezenverklaring geen aanleiding om van het afdoeningsvoorstel af te wijken. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte vrij zal spreken ten aanzien van feit 3 onder 01.002528.23 en het tenlastegelegde voor het overige wettig en overtuigend bewezen acht.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.
Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
t.a.v. 01.081094.21:
feit 1:
op 23 maart 2021 te Drunen,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, wist dat deze bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende hij, verdachte, een garagebox (nummer [nummer] ) aan de [adres 2] te Drunen gehuurd en in die garage: - 151 kilogram, BMK-Glycidezuur en - 120 kilogram, waterstofperoxide en - reactiekolven en - filterzeven en - watertanks en - Tl-armaturen en - diverse gereedschapsstukken, ten behoeve van de productie van BMK en/of amfetamine voorhanden gehad;
feit 2:
op 3 november 2021 te 's-Hertogenbosch, opzettelijk, aanwezig heeft gehad, ongeveer 700 gram van een materiaal bevattende heroïne en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I van die wet, en ongeveer 2000 gram (4-methylmethcathinon) zijnde mefedron (4-methylmethcathinon) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 3:
op 3 november 2021 te 's-Hertogenbosch, van voorwerpen, te weten: - contante geldbedragen van in totaal 11.980 euro en - drie polshorloges (te weten van het merk Rolex en Audemars Piquet) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte wist, dat voormelde voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
feit 4:
op 3 november 2021 te 's-Hertogenbosch, een wapen en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk FN, model 1910-22, kaliber 7.65 mm.) en een patroonhouder met 8 patronen, voorhanden heeft gehad.
T.a.v. 01-002528-23:
feit 1:
op 2 januari 2023 te Boxtel en Vught, opzettelijk heeft vervoerd - ongeveer 27,99 gram en 28,37 gram cocaïne en - 2,94 gram en 22,71 gram en 16,73 gram MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2:
op 2 januari 2023 te Boxtel en Vught, zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 48,87 gram ketamine in voorraad heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, zoals tussen verdachte en het OM is overeengekomen, gevorderd een gevangenisstraf van 20 maanden op te leggen. Hierbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat het OM, waren er geen procesafspraken gemaakt, een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden zou hebben geëist.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij het afdoeningsvoorstel.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is zoals gezegd niet gebonden aan de procesafspraken, maar het staat de rechtbank vrij om – binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum – te komen tot een sanctiebeslissing die in overeenstemming is met de procesafspraken. Als de rechter van oordeel is dat het afdoeningsvoorstel in de procesafspraken niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, zal de rechter komen tot een andere sanctiebeslissing (HR 29 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd en bij de beoordeling of de procesafspraken in redelijke verhouding staan tot de ernstig van de zaak, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn draagkracht. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van harddrugs, het voorhanden hebben van heroïne, cocaïne, mefedron en ketamine, witwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Dit betreffen ernstige strafbare feiten.
Het is algemeen bekend dat harddrugs middelen zijn die voor gebruikers sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. De grootschalige productie, handel en consumptie van harddrugs veroorzaken regelmatig overlast of generen andere vorm van criminaliteit. Met het verrichtten van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van harddrugs en het voorhanden hebben van harddrugs heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan drugshandel. Daarnaast verhoogt het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen het risico op een levensbedreigend geweldsdelict.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het afdoeningsvoorstel van het OM en verdachte. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan. Hierbij zijn ook het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en persoonlijke omstandigheden van verdachte betrokken.
De rechtbank heeft bij de beoordeling van de in het afdoeningsvoorstel vermelde straf meegewogen dat sprake is van oude feiten. De rechtbank stelt vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de zaak met parketnummer 01.081094.21 een aanvang heeft genomen op 3 november 2021, de dag van de doorzoeking op het woonadres van verdachte. In de zaak met parketnummer 01-002528.23 is deze termijn aangevangen op 2 januari 2023, de dag van de aanhouding van verdachte. Deze uitspraak is van 13 maart 2026.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het recht van verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in beide zaken is geschonden. Deze termijn is in de strafzaak met parketnummer 01-081094.21 met ruim 2 jaren en 4 maanden overschreden en in de strafzaak met parketnummer 01.002528.23 met 1 jaar en 2 maanden.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de procesafspraken niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aan verdachte gemaakte verwijten. De rechtbank is van oordeel dat het tussen het OM en de verdediging overeengekomen afdoeningsvoorstel voldoende recht doet aan alle bij dit strafproces te wegen belangen, zoals de aard van de zaak, de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarom aansluiten bij het tussen het OM en de verdediging overeengekomen afdoeningsvoorstel.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen betreffen met betrekking tot welke de feiten zijn begaan. Ten aanzien van de auto geldt dat deze ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde. Ten aanzien van de horloges is niet komen vast te staan aan wie deze toebehoorden.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 57, 420bis Wetboek van Strafrecht
1a, 2, 6 Wet economische delicten
40 Geneesmiddelenwet
2, 10, 10a Opiumwet
26, 55 Wet wapens en munitie.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 01.002528.23 onder 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. 01.081094.21:
Feit 1:
Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige
reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van
dat feit.
Feit 2:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Feit 3:
Witwassen.
Feit 4:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
T.a.v. 01.002528.23:
Feit 1:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
Feit 2:
Het overtreden van een voorschrift gesteld bij art. 38 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.
T.a.v. 01-081094-21 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, 01-002528-23 feit 1, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
- twee horloges van het merk Rolex;
- een horloge van het merk Audemars Piquet;
- een Ford Focus met kenteken [kenteken] .
- een geldbedrag ter grootte van € 13.545,-
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,
en is uitgesproken op 13 maart 2026.