RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01.256767.20
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
De vordering van de officier van justitie.
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.330,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De procedure.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 27 februari 2026. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, is op die terechtzitting verschenen en gehoord.
In deze zaak is tussen verdachte en het Openbaar Ministerie (hierna te noemen: het OM) een overeenkomst gesloten die mede betrekking heeft op de afdoening van de vordering. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie zich conform die overeenkomst op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 7.330,- en dat een betalingsverplichting ter grootte van dat bedrag moet worden opgelegd.
De verdediging heeft verzocht om de ontnemingsvordering conform de overeenkomst af te doen.
Overwegingen met betrekking tot de overeenkomst.
Totstandkoming.
De officier van justitie en de verdediging hebben een overeenkomst gesloten. De overeenkomst is op 27 februari 2026 door de verdediging en door de officier van justitie ondertekend.
De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. De officieren van justitie en de verdediging hebben gezamenlijk een voorstel voor afdoening van de ontnemingszaak aan de rechtbank voorgelegd.
Inhoud afspraken.
De overeenkomst houdt in dat het OM ter terechtzitting zal rekwireren tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 7.330,- en tot oplegging van een betalingsverplichting tot een bedrag van € 7.330,-.
Oordeel rechtbank.
De rechtbank is bij haar beoordeling van de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank constateert dat de gemaakte afspraken er blijk van geven dat partijen onderkennen dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de overeenkomst. Tevens heeft de rechtbank dit ter terechtzitting van 27 februari 2026 met partijen besproken.
De rechtbank stelt verder vast dat verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst rechtsgeldig is vertegenwoordigd en is bijgestaan door zijn raadsman.
De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 27 februari 2026 de overeenkomst en de consequenties daarvan met verdachte besproken. Verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank expliciet bevestigd de inhoud van de gemaakte afspraken en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank stelt op basis van het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust is van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de voorgestelde afdoening en daarmee afstand te doen van bepaalde verdedigingsrechten.
De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet daarnaast geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. Dit betekent dat de rechtbank de procesafspraken bij de verdere beoordeling zal betrekken.
De beoordeling van de vordering.
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 13 maart 2026, waarbij rekening is gehouden met de gemaakte procesafspraken, onder andere veroordeeld voor het telen van hennep.
De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 7.330,-.
In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.
De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde, overeenkomstig de procesafspraken, de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.330,-.
Daarbij bepaalt de rechtbank dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 73 dagen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak.
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 7.330,- (voluit zevenduizend driehonderddertig euro).
De rechtbank legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 7.330,- (voluit zevenduizend driehonderddertig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 73 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H.C. Merkx, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. F. Kooijman, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,
en is uitgesproken op 13 maart 2026.