ECLI:NL:RBOBR:2026:1659

ECLI:NL:RBOBR:2026:1659

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 16-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 23/1015
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Reeks van uitspraken over Saint Gobain. In de zaak 24/2453 (over de revisievergunning van Saint Gobain) wordt een einduitspraak gedaan na een tussenuitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2024:5576) . In het herstelbesluit heeft GS voldoende gemotiveerd waarom geen vaste verhouding is opgenomen voor het gebruik van een bindermateriaal ter beperking van de stikstofdepositie vanwege Saint Gobain. De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van de bevoegdheden op basis van de Wnb (nu de Omgevingswet) hiervoor de aangewezen weg is. Verder is terecht een grenswaarde opgenomen voor het gebruik van nitraat. In de zaak SHE 23/858 oordeelt de rechtbank dat GS het verzoek tot actualisatie van de ammoniak emissienorm in de voorliggende omgevingsvergunning van Saint Gobain terecht heeft geweigerd. In de zaken SHE 23/306 en 1017 wordt een einduitspraak gedaan na een tussenuitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2024:5565. Het college heeft op grond van artikel 2.4, eerste lid, Wnb, de maximale toegestane stikstofemissie van Saint Gobain beperkt en een informatieverplichting opgelegd aan Saint Gobain. De rechtbank is van oordeel dat het emissieplafond juist is bepaald en dat de informatieverplichting terecht is opgelegd. Het college had beter moeten motiveren waarom wordt afgezien van een verdere beperking van de emissies en zal hierover een nieuw besluit moeten nemen. In de zaak SHE 23/1015 wordt het beroep tegen een eerder verleende positieve weigering van een natuurvergunning voor Saint Gobain (voor de wijziging van het bedrijf die wordt vergund in de revisievergunning) niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het huidige bedrijf niet kan worden beschouwd als één-en-hetzelfde project als het bedrijf waarvoor de positief geweigerde natuurvergunning is aangevraagd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

Inleiding

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 23/1015

(gemachtigde: mr. M. Haan),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college

(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink, mr. M. van der Stappen, mr. M. Box en [naam] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] ( [naam] )

(gemachtigden: mr. S. Nijenhuis, mr. A.S.D. Lijkwan en mr. J.C.W. van Eekeren).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de positieve weigering van de door Saint Gobain aangevraagde natuurvergunning.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het huidige bedrijf niet kan worden beschouwd als één-en-hetzelfde project als het bedrijf waarvoor de positief geweigerde natuurvergunning is aangevraagd

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. In rechtsoverweging 2 staat het procesverloop. Daarna volgt de beoordeling van de rechtmatigheid van het herstelbesluit.

Procesverloop

2. Het college heeft bij afzonderlijk besluit van 22 februari 2023 de aanvraag van Isover B.V. van 20 februari 2020 om een vergunning op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) voor de exploitatie van een industrieel bedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats], afgewezen omdat vanwege intern salderen geen sprake is van een vergunningplicht (positieve weigering).Het hiertegen door eiseres ingestelde beroep is geregistreerd onder nummer SHE 23/1015.

In deze zaak is, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1017 en SHE 23/858, op 16 mei 2024 een inlichtingencomparitie gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1017, SHE 23/858 en SHE 24/2453. Aan de inlichtingencomparitie en de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en mr. J.C.W. van Eekeren en mr. S. Nijenhuis namens Saint Gobain. 2.2 Bij brief van 4 november 2025 heeft eiseres verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).2.4 In de zaken is een tweede zitting gehouden op 11 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en namens Saint Gobain [naam] en [naam] , alsmede mr. S. Nijenhuis en mr. A.S.D. Lijkwan.

Beoordeling van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

Bij de beoordeling is van belang dat de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking zijn getreden. Als voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend blijft, op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Omdat de aanvraag van Saint Gobain is ingediend voor 1 januari 2024, blijven de Wnb en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals die golden voor 1 januari 2024, van toepassing.

Behandeling beroepsgronden

4. Naar de mening van eiseres heeft het college de door Saint Gobain aangevraagde natuurvergunning weliswaar terecht geweigerd maar heeft het college met de zogenoemde ‘positieve weigering’ het bestreden besluit een inhoud, strekking en betekenis gegeven die het bestek van een bestuurlijk rechtsoordeel ver te buiten gaan. Met de eigen berekening heeft het college indirect een emissieplafond opgelegd. Een positieve weigering kan alleen antwoord geven op de vraag of in een concreet geval op een concreet moment een vergunningplicht bestaat of niet. Het emissieplafond is veel te hoog vastgesteld, op een worst case scenario.

In het bestreden besluit heeft het college de gevraagde vergunning geweigerd omdat de aangevraagde situatie gelijk blijft aan de referentiesituatie. In het bestreden besluit heeft het college de emissie van de aangevraagde situatie aangepast met een andere benadering dan in de aanvraag is gedaan en is daarmee gekomen tot (wat zij noemt) een emissieplafond zonder dat hierbij de productiecapaciteit in het gedrang komt. Het college komt tot een emissie vanuit de stenen en stalen schoorsteen van 219 ton NOx en 222,65 ton NH3 in plaats van de aangevraagde 858,48 ton NOx en 306,60 ton NH3. Het college noemt het emissieplafond een bestuurlijk rechtsoordeel over de referentiesituatie waarmee rekening zal worden gehouden bij de beoordeling van toekomstige verzoeken van het bedrijf.

Het college geeft in het verweerschrift aan dat de positieve weigering alleen geldt voor de aangevraagde situatie onder de huidige wet- en regelgeving. Het college heeft de aanvraag geweigerd omdat de aangevraagde situatie gelijk is aan de referentiesituatie op basis van de op 7 maart 2017 verleende veranderingsvergunning, zijnde de vergunde situatie met de laagst toegestane ammoniakemissie vanaf de referentiedatum.

In de nadere reactie heeft het college aangegeven dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (Afdeling) van 18 december 2024, het bestreden besluit niet in stand kan blijven en de aanvraag vervolgens opnieuw beoordeeld moet worden.

Saint Gobain is van mening dat eiseres geen belanghebbende is bij dit besluit. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 stelt zij dat bij het besluit geen belangen van anderen dan die van Saint Gobain in het geding zijn. De omstandigheid dat eiseres zekerheid wil hebben over de betekenis en reikwijdte van de positieve weigering maakt haar geen belanghebbende bij dit specifieke besluit.

Desgevraagd heeft eiseres aangegeven dat de berekening van de emissies niet wordt betwist. Saint Gobain heeft geen beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, ook al zijn de emissies in de benadering van het college lager dan de emissies die Saint Gobain heeft genoemd in de aanvraag. De juistheid van het emissieplafond is dus niet in geschil.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 1 december 2022 een oordeel gegeven over het karakter van een positieve weigering. Het college is niet bevoegd een natuurvergunning te verlenen voor een activiteit die niet vergunningplichtig is. Dit oordeel is door de Afdeling bevestigd in de uitspraak van 17 januari 2024. De rechtbank heeft verder het volgende overwogen: “De rechtbank volgt eisers ook niet in de stelling dat de positieve weigering moet worden gelijkgesteld met een natuurvergunning. Zoals gezegd mag het project op grond van de wet worden uitgevoerd. Het college is dan ook niet bevoegd om op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming voorschriften aan de positieve weigering te verbinden. Het college is evenmin bevoegd om de positieve weigering op grond van artikel 5.3, tweede lid, van de Wet natuurbescherming onder beperkingen te verlenen. Deze bepalingen bieden niet de mogelijkheid om voorschriften of beperkingen te verbinden aan een project dat op grond van de wet mag worden uitgevoerd. Daarbij komt nog dat een natuurvergunning tot een nieuwe referentiesituatie zou leiden. Een positieve weigering doet dat niet. Er zijn dus belangrijke verschillen tussen een natuurvergunning en een positieve weigering.

Na de eerste zitting heeft de Afdeling op 18 december 2024 de rechtspraak-lijn over intern salderen gewijzigd. Die wijziging komt er in de kern op neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is. De rechtbank zal de rechtmatigheid van het bestreden besluit met inachtneming van deze nieuwe rechtspraak-lijn van de Afdeling beoordelen want die is gebaseerd op wetgeving en op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) die er ook was ten tijde van het bestreden besluit.

De rechtbank stelt voorop dat eiseres wel als belanghebbende kan worden aangemerkt en verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025 waarin eiseres ook als belanghebbende is aangemerkt. Eiseres heeft een andere statutaire doelstelling dan de rechtspersoon in de door Saint Gobain genoemde uitspraak van 17 januari 2024.

De rechtbank stelt vast dat partijen procederen over een besluit op een aanvraag uit 2020 die niet overeenstemt met de bedrijfssituatie waarvoor op 25 april 2024 een revisievergunning is verleend. Deze vergunning voorziet onder meer het in werking brengen en houden van een nieuwe oven voor de productie van glaswol (de Isover TEL-oven), ter vervanging van de oude, volledig gasgestookte oven. De vervanging heeft plaatsgevonden en de nieuwe oven is gebouwd. Deze situatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als één-en-hetzelfde project als het project waarvoor een natuurvergunning is aangevraagd die in het bestreden besluit (positief) is geweigerd. Het huidige bedrijf is niet onder dezelfde voorwaarden in werking en de activiteiten worden niet onder dezelfde voorwaarden uitgevoerd. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van het Hof van 7 november 2018, het arrest van het Hof van 10 november 2022 en de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak kan worden afgeleid dat de voortzetting van een activiteit slechts kan worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit, met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd, geen continuïteit en identiteit bestaat.

Partijen hebben geen enkel (proces)belang bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zeker niet na de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024. Het bestreden besluit vormt niet de referentiesituatie en kan niet gelijk worden gesteld met een natuurvergunning. Het huidige bedrijf is in werking zonder vergunning voor een Natura 2000-activiteit. Deze vergunning is wel vereist omdat het huidige bedrijf niet kan worden beschouwd als één-en-hetzelfde project als het bedrijf dat is vergund in de milieuvergunning van 2017. Gelet op het bovenstaande is het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk.

Schadevergoeding redelijke termijn

5. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiseres gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiseres. In beginsel is in het geval het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure een totale lengte van de procedure bij de rechtbank van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroepschrift. De termijn eindigt op het moment waarop de rechtbank op het beroep beslist en uitspraak doet. Heeft de totale periode langer geduurd dan twee jaar, dan dient vervolgens te worden bezien of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500,00 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

Sinds het instellen van beroep door eiseres op 3 april 2023 zijn ten tijde van deze uitspraak - naar boven afgerond - 3 jaar verstreken. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan, in het licht van de hiervoor genoemde criteria, deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Dat betekent dat de procedure 12 maanden te lang heeft geduurd.

Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag € 1.000,00. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel is toe te rekenen aan de rechtbank zal de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan eiseres, als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Eiseres heeft geen recht op vergoeding van de proceskosten die zij voor de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Zij heeft ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat der Nederlanden de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten zal wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) worden gehanteerd, omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. De hoogte van de proceskostenvergoeding bedraagt € 467,- (1 punt, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,00 aan eiseres;- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.J.H.M. Verhoeven
  • mr. D.J. Hutten
  • mr. R.H.W. Frins

Griffier

  • mr. M.P.C. Moers-Anssems

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand