RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
Inleiding
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/858
(gemachtigde: mr. M. Haan),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink, mr. M. van der Stappen, mr. M. Box en [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] ([naam])
(gemachtigden: mr. S. Nijenhuis, mr. A.S.D. Lijkwan en mr. J.C.W. van Eekeren).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de weigering van het verzoek van eiseres tot actualisatie van de ammoniak emissienorm in de omgevingsvergunning van Saint Gobain. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. In rechtsoverweging 2 staat het procesverloop. Daarna volgt de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Procesverloop
2. Het college heeft op 2 februari 2023 het verzoek van eiseres tot het wijzigen van de vergunningvoorschriften van de omgevingsvergunning van Saint Gobain op grond van artikel 2.30 jo. 2.31, eerste lid, onder b, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (Wabo), en het verzoek tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift voor het aanpassen van de emissiegrenswaarde voor ammoniak zoals opgenomen in artikel 2.5 jo. 2.7 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
In deze zaak is, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1015 en SHE 23/1017, op 16 mei 2024 een inlichtingencomparitie gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft de beroepen op 24 september 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1017, SHE 23/1015 en SHE 24/2453. Aan de inlichtingencomparitie en de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en mr. J.C.W. van Eekeren en mr. S. Nijenhuis namens Saint Gobain.
Bij brief van 4 november 2025 heeft eiseres verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
In de zaken is een tweede zitting gehouden op 11 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en namens Saint Gobain [naam] en [naam], alsmede mr. S. Nijenhuis en mr. A.S.D. Lijkwan.
Beoordeling van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. De Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet zijn op 1 januari 2024 in werking getreden. Als een verzoek is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Het verzoek is ingediend op 14 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Behandeling beroepsgronden
4. Volgens eiseres had het college alle aspecten uit artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo moeten meenemen bij de beoordeling van het verzoek.
Het college heeft geen aanleiding gezien het volledige toetsingskader van artikel 2.14 van de Wabo te betrekken bij de beoordeling. Op het verzoek van een derde tot wijziging van de vergunning is artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo van toepassing, of als er sprake is van een actualisatieplicht artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo.
De rechtbank is het eens met het college, reeds omdat de tekst van de Wabo hierover klip en klaar is. Er is ook geen aanleiding het volledige toetsingskader erbij te betrekken omdat artikel 2.31, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder b, van de Wabo een ruime grondslag bieden voor wijziging van een omgevingsvergunning (milieu). De rechtbank voegt daar aan toe dat voor wat betreft Natura 2000-gebieden de Wnb een aanvullend, toereikend toetsingskader biedt voor bescherming tegen de door eiseres genoemde nadelige gevolgen van stikstof- en ammoniakemissie. In het beroepschrift noemt eiseres ook nog enkele andere natuurgebieden die behoren tot het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) waaronder het NNN-gebied Halsters Laag. Dat gebied heeft eiseres echter niet genoemd in het inleidende verzoek om aanpassing van de omgevingsvergunning en het college kan niet worden tegengeworpen dat het niet op dit verzoek heeft beslist.
5. Eiseres is van mening dat het college ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de aspecten die de toestand en bescherming van het milieu betreffen. Het bestreden besluit is dus niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gebracht en evenmin op de juiste wijze gemotiveerd.
Saint Gobain heeft na het verzoek van eiseres een gefaseerde aanvraag voor een omgevingsvergunning (milieu) revisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en 2.6 van de Wabo ingediend. Het college heeft deze vergunning verleend op 25 april 2024. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Dat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 24/2453. De rechtbank heeft in de uitspraak van heden het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het betreffende besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten en het beroep van rechtswege van eiseres tegen het herstelbesluit ongegrond verklaard.
De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van heden en de tussenuitspraak van 20 november 2024 in de zaak SHE 24/2453 van oordeel dat het college in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om het verzoek van eiseres in te willigen. Schadevergoeding redelijke termijn
6. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiseres gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiseres. In beginsel is in het geval het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure een totale lengte van de procedure bij de rechtbank van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroepschrift. De termijn eindigt op het moment waarop de rechtbank op het beroep beslist en uitspraak doet. Heeft de totale periode langer geduurd dan twee jaar, dan dient vervolgens te worden bezien of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500,00 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Sinds het instellen van beroep door eiseres op 16 maart 2023 is ten tijde van deze uitspraak drie jaar verstreken. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan, in het licht van de hiervoor genoemde criteria, deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Dat betekent dat de procedure 12 maanden te lang heeft geduurd.
Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag € 1.000,00. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel is toe te rekenen aan de rechtbank, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan eiseres, als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.000,00, omdat de procedure te lang heeft geduurd. Zij heeft ook recht op vergoeding van haar proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat der Nederlanden ook de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten zal wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) worden gehanteerd, omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Dat leidt tot een proceskostenvergoeding van € 467,- (0,5 x € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,00 aan eiseres;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.