RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.301891.25
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortejaar] ,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is, na verwijzing door de politierechter ter zitting van 10 februari 2026, op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 8 november 2025 te Erp, gemeente Meierijstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meerdere ambtenaren werkzaam bij de [korpsnaam] , te weten [slachtoffer] (aspirant), [slachtoffer 1] (aspirant) en/of [slachtoffer 2] (brigadier), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem bestuurde bedrijfsauto een naast hem rijdende politieauto, waarin voornoemde ambtenaren zich bevonden, heeft geramd en/of tegen die politieauto is gereden waardoor die politieauto tegen een boom is geduwd, gebotst en/of gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van
Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 november 2025 te Erp, gemeente Meierijstad,
[slachtoffer] (aspirant), [slachtoffer 1] (aspirant) en/of [slachtoffer 2]
(brigadier) heeft mishandeld, door met een door hem bestuurde bedrijfsauto een
naast hem rijdende politieauto, waarin voornoemde ambtenaren zich bevonden, te
rammen en/of tegen die politieauto te rijden waardoor die politieauto tegen een
boom is geduwd, gebotst en/of gereden,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een of meerdere ambtenaren gedurende of
ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van
Strafrecht )
T.a.v. feit 2:
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Erp, gemeente Meierijstad, op/aan [adres]
, op of omstreeks 8 november 2025 de (voornoemde) plaats van
vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of
redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] , [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;
( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b
Wegenverkeerswet 1994 )
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 8 november 2025 te Boekel, in elk geval in Nederland, als degene
tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bedrijfsauto (bestelauto)
te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan
wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een
ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een
voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan
alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven
aanwijzingen;
( art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 )
T.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 10 november 2025 te 's-Hertogenbosch, zich met geweld en/of
bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren werkzaam
bij de [korpsnaam] , te weten [slachtoffer 3] (surveillant), [slachtoffer 4]
(Team Arrestantentaken) en/of [slachtoffer 5] (Team Arrestantentaken),
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter
verplaatsing van de verdachte naar de observatiecel, door
- zijn armen los te rukken,
- te proberen die [slachtoffer 3] te schoppen,
- te bijten en/of te krabben in de bil van die [slachtoffer 3] en/of
- op de grond te liggen en zijn armen onder zijn buik te houden,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig
lichamelijk letsel, te weten een bijtwond op de bil bij die [slachtoffer 3] ten gevolge
heeft gehad;
( art 181 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair. Verdachte had het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de politieagenten. Ook de feiten 2, 3 en 4 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Het dossier biedt wellicht wettig, maar geen overtuigend bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel.
Verdachte dient, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, tevens te worden vrijgesproken van feit 2.
Feit 3 wordt door verdachte bekend.
Feit 4 wordt, met uitzondering van het bijten dan wel schoppen, ook door verdachte bekend.
Het oordeel van de rechtbank.
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen.
T.a.v. feit 1 primair:
Verdachte wordt onder feit 1 primair verweten dat hij gepoogd heeft de politieambtenaren, die zich in de politiewagen bevonden, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met de bedrijfswagen waarin hij reed tegen de hem achtervolgende politiewagen aan te rijden. Deze laatste is daardoor tegen een boom gebotst.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er sprake is geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de slachtoffers. Daarbij kan ook sprake zijn van zogenoemd “voorwaardelijk opzet”. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg kan worden gesproken als de verdachte blijkens zijn gedraging(en) zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg – het zwaar lichamelijk letsel van de slachtoffers – zal intreden. De beantwoording van de vraag of (een) gedraging(en) de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Dat wil zeggen een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Ten slotte is niet alleen vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde handelen vol opzet of de intentie heeft gehad (‘willens en wetens’) om de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte heeft verklaard dat hij in paniek handelde en dat hij weg wilde komen van de politie. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt niet op te maken dat de verdachte uit was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de slachtoffers.
Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet.
De verdachte is er, nadat hem te kennen was gegeven dat hij mee moest naar het politiebureau, in zijn auto vandoor gegaan. Daarna heeft de politie een achtervolging ingezet, omdat de verdenking bestond dat verdachte onder invloed van alcohol was.
Verdachte was bekend met de omgeving en de route die hij reed en deed er alles aan om de politie van zich af te schudden. Op enig moment reed hij op een smalle landweg met aan beide zijden van de weg een bomenrij. De politiewagen trachtte verdachte op die weg links in te halen. Verdachte heeft toen, zo blijkt uit de verklaringen van de slachtoffers en de getuige [getuige] , naar links gestuurd en de politiewagen geraakt. Zowel uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting, als uit de verklaringen van de getuige en de verklaringen van de slachtoffers, blijkt dat verdachte op dat moment de politiewagen zag. De rechtbank leidt daaruit af dat de stuurbeweging van verdachte een bewuste handeling was.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de snelheid van de voertuigen op dat moment tussen de 40 en de 50 kilometer per uur was. De politiewagen is vervolgens de weg afgeschoten en tegen een boom tot stilstand gekomen. Gelet op het bewijs gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van verdachte dat de politiewagen verdachte ramde.
Het hiervoor beschreven handelen van verdachte brengt naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans met zich dat de inzittenden van de politiewagen zwaar lichamelijk letsel op zouden lopen. Bij de op dat moment gereden snelheid op een weg omzoomd door bomen is het naar algemene ervaringsregels te verwachten dat wanneer je een naast je rijdende auto ramt, deze auto van de weg raakt en tegen een boom belandt en dat de daarbij horende impact tot ernstig letsel bij de inzittenden kan leiden.
De wetenschap van de aanmerkelijke kans op dat zwaar lichamelijke letsel mag bij verdachte, gelet op de algemene ervaringsregels, worden verondersteld. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij de aanmerkelijke kans dat de drie politieambtenaren daardoor zwaar lichamelijk letsel op zouden lopen, bewust aanvaard.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 2:
Verdachte heeft verklaard dat de politiewagen achter hem aanreed en hem op enig moment links wilde inhalen. Toen de politiewagen naast hem zat voelde verdachte dat beide auto’s tegen elkaar aankwamen. De slachtoffers, de getuige [getuige] en ook verdachte zelf verklaren dat verdachte hierna niet is gestopt, maar is doorgereden.
Naar het oordeel van de rechtbank moest verdachte op het moment van de botsing minst genomen vermoeden dat de politiewagen schade had opgelopen. Dat de politiewagen hem direct na de botsing niet meer achtervolgde, had voor verdachte een teken moeten zijn dat er iets mis was, dat de politiewagen niet meer verder kon rijden en dat de inzittenden van de politiewagen mogelijk gewond waren. Verdachte is echter niet gestopt. Hij heeft zich nadien ook niet gemeld, terwijl zijn eigen voertuig aan de bestuurderskant dusdanige schade had, dat het niet anders kon zijn dan dat de politiewagen ook schade had opgelopen. Ook nadat hij van zijn moeder hoorde dat de politiewagen schade had opgelopen, is verdachte zich niet komen melden.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 3:
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op 8 november 2025, nadat hem verteld was dat hij een “A” had geblazen en mee moest naar het politiebureau, is weggereden.
Vaststaat dat verdachte niet heeft meegewerkt aan een ademanalyse en dat hij, nadat hem was gevorderd mee te werken aan een ademanalyse, zich hieraan heeft onttrokken.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezen verklaard.
Feit 4:
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op 10 november 2025 verzet heeft gepleegd tegen de politieambtenaren die hem wilden overbrengen naar een observatiecel. Verdachte heeft geprobeerd zijn armen los te rukken en heeft, toen hij op de grond lag, zijn armen onder zijn buik gehouden. De rechtbank acht deze handelingen wettig en overtuigend bewezen.
Verdachte ontkent dat hij geprobeerd heeft om surveillant [slachtoffer 3] te schoppen. Ook ontkent verdachte dat hij deze [slachtoffer 3] in zijn bil heeft gebeten.
In het door [slachtoffer 3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is te lezen dat verdachte hem heeft proberen te schoppen en in zijn bil heeft gebeten. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, mede gelet op de foto van het letsel.
De rechtbank acht daarom ook het trachten te schoppen en het bijten in de bil van die [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezen verklaard.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 8 november 2025 te Erp, gemeente Meierijstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan ambtenaren werkzaam bij de [korpsnaam] , te weten [slachtoffer] (aspirant), [slachtoffer 1] (aspirant) en [slachtoffer 2] (brigadier), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem bestuurde bedrijfsauto tegen een naast hem rijdende politieauto is gereden, waarin voornoemde ambtenaren zich bevonden, waardoor die politieauto tegen een boom is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2:
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Erp, gemeente Meierijstad, op [adres] , op 8 november 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;
t.a.v. feit 3:
op 8 november 2025 te Boekel, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bedrijfsauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;
t.a.v. feit 4:
op 10 november 2025 te 's-Hertogenbosch, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren werkzaam bij de [korpsnaam] , te weten [slachtoffer 3] (surveillant) en [slachtoffer 4] (Team Arrestantentaken), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter verplaatsing van de verdachte naar de observatiecel, door
- zijn armen los te rukken,
- te proberen die [slachtoffer 3] te schoppen,
- te bijten in de bil van die [slachtoffer 3] en
- op de grond te liggen en zijn armen onder zijn buik te houden,
terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een bijtwond op de bil bij die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, en ten aanzien van feit 1 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twintig maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte voor de feiten 3 en 4 ten hoogste een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest dient te worden opgelegd. Bij een eventueel voorwaardelijk strafdeel dienen, gelet op het reclasseringsrapport van 27 januari 2026, geen bijzondere voorwaarden te worden opgelegd.
Een ontzegging van de rijbevoegdheid dient eveneens gelijk te zijn aan de duur van de voorlopige hechtenis, omdat verdachte zijn rijbewijs voor zijn werk nodig heeft.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een viertal strafbare feiten. Hij is, na een positieve alcoholcontrole, weggereden en heeft zich zo onttrokken aan de verdere vaststelling van de hoogte van zijn alcoholgebruik. Vervolgens heeft hij gevaarlijk rijgedrag vertoond door midden op de weg te gaan rijden en schijnbewegingen te maken met als doel de hem achtervolgende politiewagen van zich af te schudden. Uiteindelijk heeft verdachte de politiewagen geramd. Er mag van geluk worden gesproken dat het bij beperkt letsel van de slachtoffers en beperkte materiële schade is gebleven. Voor verdachte, andere verkeersdeelnemers en de samenleving moet duidelijk zijn dat dergelijk risicovol en onverantwoord gedrag in het verkeer onaanvaardbaar is. Na zich enige tijd onvindbaar te hebben gehouden, is verdachte aangehouden. Hij vertoonde in zijn cel suïcidaal gedrag en is voor zijn eigen veiligheid naar een observatiecel overgebracht. Hierbij heeft verdachte zich hevig verzet en heeft hij een politieambtenaar, die zijn werk deed en verdachte naar een voor verdachte veilige omgeving wilde brengen, gebeten.
Het gedrag van verdachte laat een zorgelijk disrespect zien voor de politieambtenaren, die met hun werk juist de veiligheid van verdachte en de samenleving in het algemeen bevorderen.
De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan.
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 6 februari 2026. Hieruit volgt dat hij eerder in beeld is geweest voor rijden onder invloed, verkeersovertredingen en het plegen van verzet, waarvoor hij straffen opgelegd heeft gekregen.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twaalf maanden.
De rechtbank legt hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer] (feit 1 primair) en [slachtoffer 3] (feit 4).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen ieder voor integrale toewijzing vatbaar met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Gelet op de gevoerde vrijspraakverweren voor feit 1 primair en subsidiair en feit 2 dienen de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer] niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Subsidiair dienen de gevorderde bedragen lager te worden vastgesteld, omdat verdachte kampt met een grote schuldenproblematiek.
Het ten aanzien van feit 4 door benadeelde partij [slachtoffer 3] gevorderde bedrag dient ook lager te worden vastgesteld.
Beoordeling van de vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer] (feit 1 primair).
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partijen, ieder voor zich, door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade hebben geleden. Deze schade valt binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.
Door de achtervolging en de daarmee gepaard gaande botsing zijn de benadeelden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer] in de persoon aangetast. Zij hebben lichamelijk letsel opgelopen en zijn op andere wijze in hun persoon aangetast. Tijdens de achtervolging en het rammen van hun auto hebben zij veel angst ervaren. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit 1 primair toegebrachte schade, de immateriële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank de Rotterdamse schaal (ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor “Licht letsel” zoals opgenomen onder hoofdstuk 13.
De rechtbank komt gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de onderbouwing van de vorderingen, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal een vergoeding van de immateriële schade tot de volgende bedragen billijk voor:
De rechtbank zal het overige gevorderde afwijzen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Beoordeling van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 4).
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden. Deze schade valt binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.
Doordat de benadeelde partij is gebeten door verdachte heeft hij namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de immateriële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank de Rotterdamse schaal (ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor “Licht letsel” zoals opgenomen onder hoofdstuk 13.
De rechtbank komt gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal een vergoeding van de immateriële schade tot de volgende bedragen billijk voor:
Schadevergoeding [slachtoffer 3] : € 500,= (Hoofdstuk 13 onder “C”)
De rechtbank zal het overige gevorderde afwijzen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregelen (feit 1 primair en feit 4).
De rechtbank zal voor de hiervoor toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 45, 57, 60a, 63, 181, 302, 304 van het Wetboek van Strafrecht;
7, 163, 176, 179a van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder feiten 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd
t.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994
t.a.v. feit 3:
overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
t.a.v. feit 4:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar legt op de volgende (bijkomende) straffen en maatregelen:
T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4:
Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
T.a.v. feit 1 primair:
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994
T.a.v. feit 1 primair:
Een maatregel van schadevergoeding. De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.000,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 08 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Een maatregel tot schadevergoeding. De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 750,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 08 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Een maatregel van schadevergoeding. De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 750,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 08 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
T.a.v. feit 4:
Een maatregel tot schadevergoeding. De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 500,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
T.a.v. feit 1 primair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 08 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst de vordering voor het overige af.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 750,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 08 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst de vordering voor het overige af.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 750,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 08 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst de vordering voor het overige af.
T.a.v. feit 4:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst de vordering voor het overige af.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelden bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. Grimbergen, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,
en is uitgesproken op 18 maart 2026.