ECLI:NL:RBOBR:2026:1815

ECLI:NL:RBOBR:2026:1815

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 25/2634, 25/2853, 25/2863
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Uitspraak over de tijdelijke omgevingsvergunning voor 15 jaar voor 24 tijdelijke woningen op sportpark De Hoge Heide in Vlijmen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning op een aantal onderdelen gebreken vertoont. Het college zal in een nieuw te nemen besluit de gebreken moeten herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

(zaaknummer SHE 25/2634) [eisers 1] , uit [woonplaats] ,

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden,

[naam] uit [vestigingsplaats] (de vergunninghoudster).

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 25/2634, SHE 25/2853 en SHE 25/2863

eisers 1,

(gemachtigde: mr. J.H.D. Elings),

(zaaknummer SHE 25/2853)

[eiser 2] ,uit [woonplaats] ,

eiser 2,

(gemachtigde mr. S.K. Reijke)

(zaaknummer SHE 25/2863)

[eiser 3] uit [woonplaats] ,

eiser 3,

(gemachtigde mr. F. Khalil)

hierna tezamen te noemen: eisers

en

het college,

(gemachtigde: [naam] , [naam] en [naam] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

1. Deze uitspraak gaat over de tijdelijke omgevingsvergunning voor 15 jaar voor 24 tijdelijke woningen op sportpark De Hoge Heide in Vlijmen. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit op een aantal onderdelen gebreken vertoont. Het bestreden besluit kan om die reden dus niet in stand blijven en het college zal in een nieuw te nemen besluit de gebreken moeten herstellen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 16 september 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

Met het besluit van 13 januari 2026 (het wijzigingsbesluit) heeft het college voorschrift 3 gewijzigd, in die zin dat de termijn van 15 jaar gaat lopen vanaf het moment dat daadwerkelijk met de bouw van de woningen is begonnen. De beroepen van eisers hebben op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit.

De beroepen worden door de rechtbank op grond van de Crisis- en herstelwet (Chw) versneld behandeld.

De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 1 en eiser 3, de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van het college en [naam] namens de vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Vooraf

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

 Het bouwplan bestaat uit de realisatie van 24 tijdelijke woningen op sportpark De Hoge Heide in Vlijmen, kadastraal bekend als [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] (de locatie).

 Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Heusden (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingsrecht gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Vlijmen en Vliedberg herziening 2013” als onderdeel van dat omgevingsplan. Binnen dit bestemmingsplan kennen de gronden binnen de locatie de bestemming ‘Sport’. Aan de gronden is tevens een bouwvlak toegekend.

 Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:

o bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo);

o gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).

Voor wat betreft de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan heeft het college onder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo de omgevingsvergunning verleend.

 Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor een periode van 15 jaar.

 Met het bestreden besluit op bezwaar heeft het college onder aanvullende motivering, met extra voorschriften en aan de hand van een nieuwe stikstofberekening de omgevingsvergunning in stand gelaten.

 Ingevolge voorschrift 3 bij de omgevingsvergunning moesten de tijdelijke woningen uiterlijk 28 juni 2039 verwijderd worden. Met het wijzigingsbesluit van 13 januari 2026 heeft het college die uiterste datum losgelaten, en bepaald dat de termijn van 15 jaar aanvangt vanaf het moment dat daadwerkelijk met de bouw van de woningen is begonnen.

 Eisers wonen allen grenzend aan het sportpark De Hoge Heide waarop de tijdelijke woningen worden gebouwd.

Bespreking van de beroepsgronden

Onjuiste procedure

5. Eiser 2 voert aan dat het college toepassing had moeten geven aan de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure, en niet de reguliere voorbereidingsprocedure. De Crisis- en herstelwet biedt onder strikte voorwaarden de mogelijkheid om af te wijken van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, maar alleen voor projecten die passen binnen de experimentele kaders van die regeling. In dit geval is het plan daar niet onder te scharen. De oorspronkelijke opzet gericht op spoedzoekers is door het college gewijzigd naar een bredere doelgroep van alle woningzoekenden. Daarmee is het projectdoel fundamenteel veranderd en voldoet het niet langer aan de voorwaarden van het experiment zoals bedoeld in de Crisis- en herstelwet.

Het college heeft toegelicht dat vanwege het grote woningentekort en de wens van de vergunninghoudster om snel tijdelijke woningen te bouwen, gebruik is gemaakt van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet, zodat voor het buitenplans afwijken (op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo) toch de reguliere procedure gevolgd kon worden. In eerste instantie was sprake van 19 flexwoningen en dit plan was op het verzoek van het college opgenomen in de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche van 24 november 2021 (Stcrt. 2021, 47783). Het project valt onder het “Hernieuwd besluit verklaring van geen bedenkingen 2016” en dit is ook bij de aanvraag om opgenomen te worden in de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet aangegeven. Als een verklaring van geen bedenkingen volgens het ministerie toch nodig was geweest dan had het project niet opgenomen kunnen worden in de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet. Hierna is het plan gewijzigd in 24 flexwoningen, is sprake van het draaien van het project en is aangegeven dat door extra woningen te bouwen de druk op de woningmarkt verlicht wordt en dat er daardoor meer woningzoekenden een (nieuw) thuis kunnen vinden. Dit gewijzigde plan is opgenomen in de drieëntwintigste tranche van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet van 4 juli 2023 (Stcrt. 2023, 18603). Gelet op het vorenstaande en het overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet, kon voor het bestreden besluit de reguliere procedure gevolgd worden. De belangen van eisers zijn met het volgen van de reguliere procedure niet geschaad. Tegen de verleende omgevingsvergunning kon immers bezwaar worden gemaakt en hiervan is door eisers en andere omwonenden gebruik gemaakt, aldus het college.

Met het college stelt de rechtbank vast dat het (gewijzigde) project, zoals het college terecht heeft uiteengezet, is opgenomen in artikel 3.6, aanhef en onder o. van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet. In dat artikel is bepaald dat artikel 6, eerste en tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet geldt. Artikel 6, eerste lid, bepaalt kortgezegd dat artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo niet van toepassing is, zodat de reguliere voorbereidingsprocedure geldt. Vanwege het voorgaande kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat het college terecht de reguliere procedure heeft gevolgd. Hetgeen eiser 2 heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

De beroepsgrond slaagt niet.

Het wijzigingsbesluit

6. Eiser 2 voert aan dat het wijzigingsbesluit rechtsonzeker is, omdat de datum waarop de woningen verwijderd moeten zijn automatisch meeschuift met een toekomstige gebeurtenis waarvan het tijdstip onbekend en onvoorspelbaar is. In het primaire besluit had het college nog een duidelijke en vaste einddatum vastgesteld. De tijdelijke flexwoningen moesten namelijk uiterlijk op 28 juni 2039 zijn verwijderd. Deze datum staat volledig los van het moment waarop de bouw daadwerkelijk start en biedt daarmee wel voldoende rechtszekerheid voor eiser 2.

Eisers 1 vinden de aanpassing van voorschrift 3 geen ondergeschikte wijziging. Als inderdaad pas wordt gestart met de bouwwerkzaamheden in 2028, dan wordt de looptijd van de omgevingsvergunning in feite verlengd met 5 jaar vanaf de datum van vergunningverlening. Door de termijn van 15 jaar opnieuw in te laten gaan per start bouwwerkzaamheden heeft de omgevingsvergunning een totale termijn van in ieder geval 16,5 jaar, waar het volgens artikel 5.16 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bor) ten hoogste 15 jaar mag zijn. Ook heeft het college ten onrechte de belangen van eisers niet meegewogen, maar enkel gekeken naar de financiële belangen van de vergunninghoudster. Eisers worden nu langer geconfronteerd met het bouwplan.

Het college acht het wijzigen van de termijn een wijziging van ondergeschikte aard. Volgens het college maakt de wijziging niet dat sprake is van een ander project. Ook is geen sprake van een andere ruimtelijke afweging. De aanvraag en het bestreden besluit zagen op het afwijken van de regels van het omgevingsplan voor een termijn van maximaal 15 jaar. Pas met de start van de bouw van de flexwoningen neemt het hiermee strijdige gebruik een aanvang en deze termijn is voor ontwikkelingen die zien op het bouwen van flexwoningen gebruikelijk. Bovendien is in de Crisis- en herstelwet een termijn van 15 jaar opgenomen, omdat het ontwikkelen en plaatsen van de flexwoningen niet goedkoop is. Een periode korter dan 15 jaar maakt het project financieel onverantwoord.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, moet per concreet geval worden beantwoord.

Artikel 5.16, eerste lid, van het Bor luidt:

In een omgevingsvergunning voor het bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet, van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, wordt bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij de omgevingsvergunning aangegeven termijn van ten hoogste vijftien jaar verplicht is de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat het wijzigen van het aanvangsmoment van de 15-jaarstermijn van (in eerste instantie) de datum van de vergunningverlening naar de datum van de start van de bouw van het project op zichzelf bezien mogelijk is. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de in artikel 5.16 van het Bor aangewezen categorie, de categorie tijdelijke bouwwerken als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (hierna: Bouwbesluit) betreft. Met het oog op deze categorie in het Bor is een definitie van het begrip aan artikel 1.1 van het Bouwbesluit toegevoegd. Een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in het Bouwbesluit is een bouwwerk dat bedoeld is om voor een termijn van ten hoogste vijftien jaar op een bepaalde plaats aanwezig te zijn. Gelet hierop is het moment van vergunningverlening dus niet per definitie bepalend voor de einddatum. Het gaat erom dat een tijdelijk bouwwerk niet meer dan 15 jaar op een bepaalde plaats aanwezig mag zijn.

Dat de vergunning al een periode van (ongeveer) anderhalf jaar in werking is geweest voordat de termijn is gewijzigd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de bedoelde termijn van 15 jaar wordt overschreden. De tijdelijke bouwwerken zijn immers nog niet gerealiseerd, zodat het strijdig gebruik nog niet is aangevangen.

Anders dan eisers 1 stellen volgt niet uit de uitspraak van rechtbank Limburg van 2 maart 2021 dat de termijn van een tijdelijke vergunning niet later kan ingaan dan de datum van vergunningverlening.

Verder gaat het naar het oordeel van de rechtbank om een wijziging van ondergeschikte aard. Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of een wijziging van ondergeschikte aard is per concreet geval beantwoord dient te worden. Daarbij moeten de wijzigingen van het bouwplan worden afgezet tegen het gehele bouwplan zoals oorspronkelijk is aangevraagd. Het gaat hier niet om een (ingrijpende) wijziging in ruimtelijk opzicht. Met het wijzigen van het aanvangsmoment van de 15-jaarstermijn wordt beoogd te bewerkstelligen dat de 15-jaarstermijn van de vergunning zo goed mogelijk, daadwerkelijk benut kan worden. Alleen het aanvangsmoment van de 15-jaarsperiode wijzigt dus. Qua ruimtelijke uitstraling wijzigt niets aan het bouwplan. Onder verwijzing naar jurisprudentie betogen eisers 1 dat de wijziging van de termijn niet van ondergeschikte aard is, maar de betreffende uitspraak gaat over het wijzigen van een tijdelijke naar een permanente omgevingsvergunning. Dat is hier niet aan de orde. Omdat sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard hoefde geen nieuwe aanvraag te worden gedaan en is de wijziging onderdeel van de vergunning die in deze procedure ter discussie staat.

Deze beroepsgrond faalt dus in zoverre.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 2 wel gelijk dat het wijzigingsbesluit rechtsonzekerheid met zich meebrengt. Volgens het wijzigingsbesluit gaat de termijn van 15 jaar in op de datum waarop de bouw op de locatie van de 24 tijdelijke woningen aan de Hoge Heide feitelijk aanvangt. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het college gevraagd nader te duiden welk moment wordt bedoeld met de feitelijke aanvang van de bouw op de locatie. Namens het college is daarop aangegeven dat het plaatsen van de (grotendeels in de fabriek vervaardigde) woningen als het aanvangsmoment van de bouw zou moeten worden aangemerkt. Vóór die tijd vinden immers slechts grondwerkzaamheden plaats en zijn de woningen in die zin nog niet ter plaatse aanwezig, aldus het college. Het aanvangsmoment van de bouw, en daarmee dus van de 15-jaarstermijn van de vergunning, is echter niet (duidelijk) gedefinieerd in het bestreden besluit en ook niet in het wijzigingsbesluit. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de start van de bouw al eerder is dan het college meent, te weten op het moment dat voorbereidende werkzaamheden op de locatie die voorafgaand aan het plaatsen van de woningen plaatsvinden, zoals grond- of funderingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Voorts staat in het bestreden besluit wel een verplichting voor vergunninghoudster om de start van de bouw te melden, maar er is geen koppeling tussen die melding en de aanvang van de termijn van 15 jaar gemaakt in de vergunning. In zoverre is de rechtbank van oordeel dat de vergunning rechtsonzeker is en dat de vergunning op dit punt beter moet worden gemotiveerd. Indien het college het moment van de melding koppelt aan de start van de bouw en aldus van de aanvang van de 15-jaarstermijn, is er een duidelijkere markering en vastlegging van de aanvang van de termijn. Daarbij merkt de rechtbank verder nog op dat met het wijzigingsbesluit het aanvangsmoment van de termijn van 15 jaar is gewijzigd, maar dat in de vergunning tevens nog een einddatum staat vermeld. Ook op dat vlak dient het college de onduidelijkheid weg te nemen in een nieuw te nemen besluit.

Deze beroepsgrond slaagt dus in zoverre.

Doelgroep

7. Eisers 1 en 2 vrezen voor overlast vanwege de beoogde doelgroep van de woningen. Gelet op de beperkte omvang van de woningen en het ontbreken van ruime privévoorzieningen, ligt het in de rede dat nog steeds spoedzoekers, jongeren, studenten en andere kortdurende huurders zullen worden aangetrokken. Dit vergroot de kans op woonoverlast, vermindering van sociale cohesie en afname van binding met de buurt. Het is onjuist dat het in het kader van de goede ruimtelijke ordening niet relevant is wie er in de woningen komen te wonen. Er zijn nu eenmaal doelgroepen die een grotere belasting leggen op de omgeving dan andere doelgroepen. Door de vergunninghouder is aangegeven dat er sprake is van reguliere verhuur, waarmee er sprake is van een mix aan bewoners, zoals ook bij een reguliere woningbouwontwikkeling plaatsvindt. Eisers 1 zien dit graag geborgd in de omgevingsvergunning. Zonder die borging vrezen eisers 1 dat toch met name de spoedzoekers met een hoger risico op een grotere belasting voor het woon- en leefklimaat van de omgeving zullen kiezen voor de woningen. Eisers 1 wijzen op een recent onderzoek van het Planbureau voor de leefomgeving. In dat onderzoek zien zij de bevestiging dat men eigenlijk niet op een locatie als de onderhavige in zeer kleine woningen wil wonen. De toekomstige bewoners willen snel verhuizen, zoeken geen aansluiting bij de omgeving en zullen enige frustratie met zich meedragen over hun situatie. Tel daarbij op dat het veelal personen zullen zijn in de laagste inkomensschaal die niet over dezelfde kansen en mogelijkheden beschikken als omwonenden, en je krijgt een reëel risico op een probleemsituatie die niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening, aldus eisers 1.

Verder wordt volgens eisers 1 in de ruimtelijke onderbouwing getoetst aan de Omgevingsvisie Heusden waarbij wordt opgemerkt dat er sprake is van het project spoedzoekers. Hierbij wordt opgemerkt dat het gaat om flexibele woningen die bedoeld zijn voor een- tot-driepersoonshuishoudens die met spoed een woning zoeken. Vervolgens wordt overwogen dat de onderhavige ontwikkeling specifiek is aangewezen voor

dit project. De uitlatingen van het college en de vergunninghouder dat er sprake is van reguliere verhuur en een mix aan bewoners wijkt dus af van wat in de Omgevingsvisie Heusden staat.

Het college ziet niet in waarom spoedzoekers, jongeren, studenten en andere (kortdurende) huurders de kans op woonoverlast vergroten, dat sprake zal zijn van vermindering van sociale cohesie en dat sprake zal zijn van afname van binding met de buurt. De conclusie van het rapport van het Planbureau is ook niet dat in

zijn geheel geen flexwoningen gebouwd moeten worden. Flexwoningen moeten wel op goed bereikbare en aantrekkelijke locaties gerealiseerd worden. Daar is volgens het college sprake van. De flexwoningen zijn gelegen nabij ov- en winkelvoorzieningen en de locatie sluit aan op een woongebied. Juist om snel betaalbare woningen beschikbaar te krijgen en om te kunnen voldoen aan de vraag naar woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens, is voor deze locatie gekozen voor flexwoningen. Daarnaast is het volgens het college zo dat overlast door toekomstige bewoners een onzekere omstandigheid is, die in beginsel geen rol kan spelen bij de vraag of een bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Daar komt bij dat overlastgevende personen overal kunnen gaan wonen. De vrees van eisers is dan ook geen reden om de gevraagde vergunning te weigeren. Bovendien wordt in de omgevingsvergunning niet bepaald wie er komen te wonen. Er is in dit geval daarom geen sprake van een ruimtelijk relevant onderscheid. Met de voorgestelde toewijzing van de woningen door de vergunninghoudster is geen strijd met de Omgevingsvisie. De woningen worden toegewezen aan iedereen die met spoed een woning zoekt. Hierdoor ontstaat juist een mix van verschillende bewoners.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een planologisch besluit geen verbod mag inhouden op het gebruik van een woning door personen buiten een bepaalde doelgroep, omdat dit zou leiden tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid. De woningen zijn bedoeld voor mensen die zich onderscheiden van alle andere bewoners in Vlijmen, omdat zij- al dan niet door omstandigheden - op korte termijn zijn aangewezen op een sociale huurwoningen. Gelet daarop valt niet in te zien dat deze mensen zich in enig ruimtelijk relevant aspect onderscheiden van andere burgers van Vlijmen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de ene doelgroep meer ruimtelijk effect heeft dan de andere doelgroep. Het standpunt van eisers 1 dat bepaalde doelgroepen meer overlast veroorzaken, is niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd en diskwalificeert de toekomstige bewoners op voorhand. De verwijzing van eisers 1 naar het onderzoek van het Planbureau geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. In dat onderzoek wordt immers niet geconcludeerd dat flexwoningen per definitie tot overlast leiden. Ook is de rechtbank, anders dan eisers 1, niet van oordeel dat het hier om een afgelegen locatie gaat, zodat de verwijzing naar de overwegingen in het rapport over de ongeschiktheid van afgelegen locaties niet opgaat. Van strijd met de Omgevingsvisie Heusden is de rechtbank niet gebleken, nu de tijdelijke woningen ook bedoeld zijn voor zogenoemde spoedzoekers.

Deze beroepsgrond faalt.

Economische uitvoerbaarheid

8. Eiser 3 betwijfelt op het project financieel nog uitvoerbaar is. Door het ministerie van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties (BZK) is een subsidie toegekend van € 5.000 per woning. In totaal bedroeg het subsidiebedrag € 95.000. De subsidie is ontvangen op grond van de 'Regeling huisvesting aandachtsgroepen’. Deze regeling is bedoeld voor een bijzondere categorie mensen, waaronder studenten, dak- en thuislozen en andere spoedzoekers. De verleende vergunning ziet echter niet op deze specifieke doelgroep zodat dat bedrag terugbetaald dient te worden. Het bedrag van € 95.000,- is aanzienlijk te noemen ten opzichte van de door de gemeenteraad reeds toegezegde bedragen van € 220.000,- en € 170.000,-. Op voorhand kan worden getwijfeld of het project nog wel uitvoerbaar is nu 20% van de financiering teruggestort dient te worden.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de beschikbaar gestelde kredieten, de economische uitvoerbaarheid van het project voldoende is aangetoond en dat dit geen belemmering vormt voor vergunningverlening. De subsidie die is toegekend op grond van de Regeling Huisvesting aandachtsgroepen is slechts een klein aandeel van kosten van het gehele project. Het wegvallen van deze subsidie zal daarom geen grote gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid. Daarnaast kan volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling in het kader van een procedure tegen een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik een betoog over de uitvoerbaarheid van het project, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd. Nu eiser niet heeft aangetoond dat het plan op voorhand redelijkerwijs niet kan worden uitgevoerd, kan het bestreden besluit in stand blijven. Ook vergunninghoudster heeft aangegeven, gelet op het grote maatschappelijke belang van deze tijdelijke woningen, deze woningen te willen en kunnen bouwen.

Een betoog dat een project niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld omdat het financieel-economisch niet haalbaar is, is meestal geen reden om het besluit over een omgevingsvergunning te vernietigen. Het is alleen een reden om te vernietigen als de bestuursrechter oordeelt dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd.

In wat eiser 3 aanvoert, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat de woningbouwontwikkeling financieel niet uitvoerbaar is. Het college heeft namelijk gesteld dat het wegvallen van de subsidie geen grote gevolgen zal hebben voor de uitvoerbaarheid, en ook de vergunninghoudster heeft aangegeven de woningen te willen en kunnen bouwen.

Deze beroepsgrond faalt.

Participatie

9. Eiser 2 voert aan dat het gevoerde participatietraject onvolwaardig is geweest. De participatiemomenten vonden voornamelijk plaats in een eerdere fase van het plan, toen de opzet nog wezenlijk anders was. De latere, ingrijpende wijzigingen die voor eiser aanzienlijker nadeliger uitpakken hadden aanleiding moeten zijn voor een nieuw participatietraject.

Het college heeft toegelicht dat in 2020 de eerste gesprekken met direct omwonenden hebben plaatsgevonden en bij brief van 20 november 2020 zijn bewoners van de Pieter Bruegelstraat en bewoners van twee woningen uit de Rembrandtstraat geïnformeerd. Daarnaast hebben in het voorjaar van 2021 gesprekken plaatsgevonden tussen de portefeuillehouder en direct omwonenden. In oktober 2021 is een brief naar omwonenden toegezonden om hun verder te informeren. Er zijn dus meerdere brieven gestuurd en ook zijn er informatieavonden gehouden, bijvoorbeeld op 6 december 2023. Het definitieve plan is na overleg met omwonenden vastgesteld. Zo zijn de flexwoningen gedraaid en is er, in plaats van de achtertuin van de flexwoningen te leggen tegen de bestaande woningachtertuinen van de eisers, een buffer met een groenvoorziening gepland. Het college vindt daarom niet dat er onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden.

Met het college is de rechtbank van oordeel dat voldoende sprake is geweest van participatie. Hetgeen eiser 2 daartegen heeft ingebracht is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen.

Deze beroepsgrond faalt.

De houtwal

10. In het bestreden besluit is het volgende voorschrift opgenomen over een houtwal/groenstrook tussen de tijdelijke woningen en de bestaande woningen aan de Pieter Bruegelstraat: “Na overleg met omwonenden wordt invulling gegeven aan het definitieve ontwerp van de houtwal/groenstrook en deze houtwal/groenstrook moet gedurende de tijd dat de tijdelijke woningen op deze locatie in gebruik zijn, in stand worden gehouden.”11.1. Eisers voeren aan dat dit voorschrift onvoldoende concreet is en tot rechtsonzekerheid leidt. Er ontbreken concrete eisen aan de inrichting, omvang, hoeveelheid, hoogte, dichtheid, soort bomen of struiken en het onderhoudsniveau van de houtwal/groenstrook (hierna: de houtwal). Het voorschrift bepaalt niet wanneer het overleg over de houtwal moet plaatsvinden en wanneer de houtwal moet zijn aangelegd. Eisers 1 willen dat er niet nog meer hoge beplanting nabij hun tuin wordt gerealiseerd. Eiser 2 wil dat zijn privacy wordt gewaarborgd. Eiser 3 wil dat in ieder geval wordt opgenomen dat de houtwal:

 uiterlijk vóór ingebruikname van de tijdelijke woningen moet zijn aangelegd;

 een minimale lengte, hoogte en breedte heeft;

 bestaat uit inheemse, bladhoudende struiken en bomen, zodanig geplant dat een gesloten, ondoorzichtige buffer ontstaat;

 gedurende de gehele periode dat de tijdelijke woningen aanwezig zijn, in stand wordt gehouden en onderhouden, waarbij uitval van beplanting direct wordt vervangen;

 zodanig wordt onderhouden dat de bufferwerking tegen inkijk en als landschappelijke afscheiding behouden blijft;

 de uitvoering en het onderhoud van de houtwal jaarlijks wordt gecontroleerd door het bevoegd gezag.

Het college stelt zich op het standpunt dat met de omwonenden is afgesproken dat samen met hen tot de definitieve invulling van de houtwal zal worden gekomen. Daarom is geen definitief ontwerp opgenomen. Het voorschrift bepaalt dat de houtwal wordt aangelegd, in stand wordt gelaten en dat participatie plaatsvindt met omwonenden. Daarmee is volgens het college voldoende geborgd dat de houtwal een effectieve buffer vormt tussen de flexwoningen en de bestaande bebouwing en dat de belangen van de omwonenden bij de vormgeving van de houtwal worden meegewogen.

De rechtbank stelt voorop dat het college tijdens de zitting desgevraagd heeft aangegeven de houtwal nodig te achten met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Ten tijde van het bestreden besluit was echter nog geen definitief ontwerp van de houtwal beschikbaar waaruit de invulling van de houtwal blijkt. Gelet hierop is niet geborgd hoe de houtwal eruit gaat zien en of deze een voldoende afschermende werking heeft waar het om het straat- en bebouwingsbeeld gaat. Daarbij komt dat de omwonenden in onzekerheid verkeren over de invulling van de houtwal. Zij wisten ten tijde van het bestreden besluit niet of de houtwal voldoende tegemoet zou komen aan hun belangen en weten dat nog steeds niet. Het vergunningvoorschrift dat tot overleg verplicht, neemt deze onzekerheid niet weg. Uit het voorschrift volgt immers niet wanneer het overleg moet plaatsvinden. Ook volgt daaruit niet dat de houtwal in overeenstemming met de resultaten van dat overleg moet worden gerealiseerd. Gelet op het voorgaande is de invulling van de houtwal naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende geborgd in de omgevingsvergunning. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Daarom dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

De beroepsgrond slaagt.

De wadi

11. Eiser 2 voert aan dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt of de aanleg van de wadi nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding op zijn perceel. Nu zijn perceel in de directe nabijheid van de geplande wadi ligt, had het college de mogelijke effecten op het grondwaterpeil expliciet moeten betrekken in de besluitvorming.

Het college stelt zich op het standpunt dat de wadi geen nadelige gevolgen heeft voor de percelen aan de Pieter Bruegelstraat. De waterdeskundige van de gemeente heeft toegelicht dat de wadi juist voorkomt dat hemelwater van deze locatie het aanwezige rioolstelsel extra belast en daarmee water op straat laat toenemen. 12.2. De rechtbank ziet in wat eiser 2 heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat het college de mogelijke effecten van de wadi op de waterhuishouding onvoldoende heeft onderzocht dan wel onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de waterdeskundige van de gemeente uitvoerig heeft toegelicht dat percelen aan de Pieter Bruegelstraat geen nadelige gevolgen zullen ondervinden van de wadi. Eiser 2 heeft niet op deze uitleg gereageerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de uitleg van de waterdeskundige te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Gebiedsbescherming

12. Eisers hebben kritiek op de stikstofberekening die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Volgens eisers is daarin ten onrechte intern gesaldeerd, staat de referentiesituatie niet vast en berust het stikstofonderzoek op onjuiste gegevens.13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de betrokken normen van de Wet natuurbescherming niet strekken tot bescherming van belangen van eisers. 13.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen vanwege schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die zich daarop beroept. Hiermee heeft de wetgever de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.

Eisers beroepen zich op bepalingen van de Wet natuurbescherming, die strekken tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden (gebiedsbescherming). Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 volgt dat de individuele belangen van natuurlijke personen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wet natuurbescherming kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Deze situatie doet zich concreet voor als het betreffende Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van een eiser. In dat geval raakt de aantasting van het gebied immers ook zijn belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van een eiser, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van een eiser en het Natura 2000-gebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het natuurgebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Dit Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 270 meter tot de woningen van eisers. Het Natura 2000-gebied begint achter de Heidijk en bevindt zich wat lager dan de Heidijk. Tussen de woningen van eisers en het Natura 2000-gebied bevinden zich twee bomenrijen. Eisers 1 hebben een foto overgelegd die vanuit hun schuur is genomen. Op de foto zijn met moeite toppen van bomen te onderscheiden achter de twee bomenrijen. Die boomtoppen bevinden zich in het Natura 2000-gebied. Daarmee is echter niet gezegd dat eisers 1 de boomtoppen vanuit hun woning kunnen zien. Het college heeft immers onweersproken gesteld dat het zicht vanuit de woning van eisers 1 wordt belemmerd door hun eigen schutting. Voor zover eisers 1 en de andere eisers vanuit hun woningen door de bomenrijen en eventuele andere belemmeringen al iets van het Natura 2000-gebied kunnen zien, gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om zicht van enige betekenis. Het Natura 2000-gebied maakt naar het oordeel van de rechtbank geen deel uit van de woon- en leefomgeving van eisers. De normen van de Wet natuurbescherming die strekken tot bescherming van dat gebied strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers. Daarom staat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van de omgevingsvergunning wegens deze beroepsgrond in de weg.

De beroepsgrond slaagt niet.

Soortenbescherming

13. Eiser 2 voert aan dat ten onrechte geen ecologisch onderzoek is uitgevoerd. Volgens eiser 2 zijn in de directe omgeving diverse beschermde diersoorten waargenomen, waaronder de steenmarter, de gewone pad, vleermuizen, de bosmuis, egels en verschillende beschermde vogelsoorten.

Het college stelt zich op het standpunt dat de betrokken normen van de Wet natuurbescherming niet strekken tot bescherming van belangen van eisers. Bovendien heeft de gemeente voor het gehele sportpark De Hoge Heide een ecologisch onderzoek laten uitvoeren. Uit dit nadere ecologisch onderzoek van 10 oktober 2025 blijkt dat het beoogde plangebied van de flexwoningen geen essentieel leefgebied vormt voor de genoemde soorten.

De rechtbank stelt vast dat eiser 2 zich beroept op bepalingen in de Wet natuurbescherming die strekken tot bescherming van plant- en diersoorten (soortenbescherming). Het is de vraag of het belang van eiser 2 bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving zo verweven is met het algemeen belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang. Bij de beantwoording van deze vraag, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning van eiser 2 en de locatie waarop de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt. Als een omgevingsvergunning voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling op gronden waarop uit hoofde van de Wet natuurbescherming beschermde diersoorten voorkomen en de afstand van de woning van de betrokken eiser tot die gronden hemelsbreed meer dan 100 meter bedraagt, zal in zijn algemeenheid niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. Eiser 2 woont echter op een kortere afstand dan 100 meter tot de locatie waar de tijdelijke woningen worden gerealiseerd. De kwaliteit van de directe leefomgeving van eiser houdt naar het oordeel van de rechtbank voldoende verband met de bescherming van de op die locatie levende beschermde diersoorten. Het beroep van het college op het relativiteitsvereiste slaagt dan ook niet.

Eiser 2 voert terecht aan dat het college ecologisch onderzoek had moeten doen naar de gevolgen van het voorgenomen project voor de beschermde diersoorten. Nu het college dat heeft nagelaten, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Ook dit gebrek leidt tot vernietiging van het bestreden besluit wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Het college heeft inmiddels een ecologisch onderzoek laten uitvoeren. Dat onderzoek ziet niet alleen op het onderhavige bouwplan, maar op de hele doorontwikkeling van het sportpark. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van Sweco van 10 oktober 2025. Het rapport is bij het verweerschrift gevoegd. Uit het ecologisch onderzoek blijkt inderdaad dat het beoogde plangebied van de flexwoningen geen essentieel leefgebied vormt voor de beschermde soorten. Ook blijkt uit dit rapport dat als gevolg van met het bestreden besluit vergunde activiteiten geen verbodsbepalingen van hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming worden overtreden, zodat ook geen ontheffing was benodigd. Dat neemt niet weg dat het rapport eindigt met aanbevelingen die in acht moeten worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels, algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieën. Het college heeft nog geen aandacht besteed aan de vraag of deze aanbevelingen moet leiden tot aanvullende vergunningvoorschriften. Dat dient het college alsnog te bezien bij het na vernietiging te nemen besluit.

Deze beroepsgrond slaagt.

Geluid

14. Eiser 2 voert aan dat het akoestisch rapport dat als bijlage bij het bestreden besluit is opgenomen is opgesteld na de hoorzitting. Eiser is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het bestreden besluit op dit aanvullende rapport te reageren. Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 7:9 Awb, waarin is bepaald dat belanghebbenden moeten worden gehoord over relevante feiten en omstandigheden die na het horen bekend zijn geworden en van betekenis kunnen zijn voor de besluitvorming. Daarnaast roept het aanvullende rapport twijfels op over de wijze van toetsing en de betrouwbaarheid van de gehanteerde uitgangspunten. De modellering is summier toegelicht en de onderliggende gegevens zijn niet volledig inzichtelijk of controleerbaar. Bovendien is uit de gepresenteerde resultaten niet duidelijk op te maken of aan de geluidsnormen wordt voldaan wanneer alle installaties gelijktijdig op vol vermogen draaien.

Eisers 1 hebben ook bedenkingen bij het akoestisch rapport dat als bijlage bij het bestreden besluit is opgenomen. In paragraaf 4.3 van het rapport staat dat uit de berekening volgt dat de hoogste geluidsbelasting ten gevolge van alle installaties tezamen 39 dB(A) is op MP-43. In bijlage 5 bij dat rapport komt deze uitslag echter niet naar voren. Voor het toetspunt MP-43 is 32,8 dB(A) gemeten. De vraag is dus waar 39 dB(A) is gemeten, en hoe die berekening tot stand is gekomen. In paragraaf 4.3 staat ook dat er formeel niet hoeft te worden getoetst aan het bronvermogen van alle installaties tezamen, maar dat is volgens eisers 1 onjuist.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat met het toevoegen van het aanvullende rapport aan het bestreden besluit niet in strijd is gehandeld met artikel 7:9 van de Awb. Aan het primaire besluit lag een akoestisch rapport ten grondslag waarmee volgens het college aannemelijk was dat voldaan werd aan het Bouwbesluit. In heroverweging is gebleken dat een aanvullend akoestisch rapport noodzakelijk was. Dit is opgesteld en op basis van dit aanvullend akoestisch rapport vond het college het nog steeds aannemelijk dat voldaan wordt aan het Bouwbesluit. Het aanvullend akoestisch rapport is een nadere motivering van het bestreden besluit. Dat is volgens het college geen feit of omstandigheid die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kon zijn. Het college wijst verder op artikel 3.8, tweede lid, en 3.9, derde lid van het Bouwbesluit waarin eisen worden gesteld aan buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking, onder meer dat op de perceelsgrens het geluidniveau niet meer mag bedragen dan 40 dB(A). Met de aanvullende notitie van Nelissen ingenieursbureau van 17 januari 2025 over de geluiduitstraling van de installaties is aangetoond dat de maximale geluidbelasting van 40 dB(A) op de perceelsgrens niet wordt overschreden. In paragraaf 4.1.2 van de aanvullende notitie is de modellering beschreven en in bijlage 2 en 3 zijn respectievelijk het akoestisch model en de invoergegevens opgenomen. In bijlage 2 van de aanvullende notitie staan de relevante posities van de toetspunten op de perceelsgrenzen van de aangrenzende percelen. Het klopt dat in paragraaf 4.3 staat dat de hoogste geluidbelasting op MP-43 39 dB(A) bedraagt. Dit is een verschrijving. De hoogste geluidsbelasting ten gevolge van alle installaties tezamen bedraagt 33 dB(A) bij de perceelsgrens van omliggende woningen. Uit de akoestische berekeningen blijkt dus dat de enkelvoudige geluidbelasting van een warmtepomp/airco-unit beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau, namelijk het niveau uit het Bouwbesluit 2012. De warmtepompen/airco-units waarvan de buitenunits op de daken van de flexwoningen worden geplaatst, zijn uitsluitend voor het eigen gebruik van de 24 flexwoningen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag er dan in beginsel vanuit worden gegaan dat het voldoen aan de enkelvoudige norm zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 ook betekent dat zich geen onaanvaardbare cumulatieve geluidhinder zal voordoen. Er doet zich geen bijzondere omstandigheid voor op grond waarvan het college aan dat uitgangspunt zou moeten twijfelen.

Artikel 7:9 van de Awb luidt: "Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord."

De rechtbank is van oordeel dat genoemde rapporten zijn aan te merken als na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feiten en omstandigheden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Nu eiser 2 niet in de gelegenheid is gesteld over het aanvullende akoestische rapport te worden gehoord, moet de conclusie zijn dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:9 van de Awb tot stand is gekomen.

In zoverre slaagt deze beroepsgrond

Eisers 1 en 2 hebben tijdens de procedure in rechte kennis genomen van het aanvullende geluidsrapport. Desgevraagd hebben eisers 1 en 2 tijdens de zitting aangegeven dat zij, na kennisneming van het aanvullende rapport, geen bezwaren meer hebben tegen de inhoud van het geluidsonderzoek. Eiser 2 heeft deze beroepsgrond ter zitting ingetrokken. Eisers 1 hebben de beroepsgrond niet ingetrokken, maar hebben verzocht in deze uitspraak slechts te constateren dat het in de vergunning een verschrijving betreft waar staat dat de hoogste geluidsbelasting ten gevolge van alle installaties tezamen 39 dB(A) is op meetpunt MP-43. Dat moet 33 dB(a) zijn, zo heeft het college bevestigd en zo blijkt ook uit het geluidsrapport. Het college heeft de gelegenheid de verschrijving te corrigeren in het nieuw te nemen besluit. Omdat eisers 1 tijdens de zitting hebben aangegeven geen verdere inhoudelijke bezwaren meer te hebben tegen het geluidsonderzoek, behoeft deze beroepsgrond geen verdere bespreking. Het college hoeft in het besluit dat hij na de uitspraak van de rechtbank moet nemen, hier ook niet meer op in te gaan.

Voor wat betreft de inhoudelijke bezwaren tegen het geluidsonderzoek faalt deze beroepsgrond.

Verkeer

15. Eisers 1 hebben bedenkingen bij de afwikkeling van het verkeer op de Hoge Heide. Het verkeer van en naar de locatie wordt via deze weg over een afstand van circa 70 meter ontsloten op het kruispunt met de Pieter Bruegelstraat en de Rembrandtstraat. Als alle 18 auto’s vanwege het bouwplan tegelijk vertrekken, staan deze dus muurvast op de Hoge Heide. In de huidige situatie merken eisers 1 al dat de parkeerdruk in het gebied fors is en dat er met enige regelmaat grote hoeveelheden verkeer langs hun woning rijden, waarbij er ook opstoppingen ontstaan omdat er feitelijk te weinig parkeerplekken zijn voor de functies die reeds aanwezig zijn. In het bestreden besluit wordt slechts opgemerkt dat de omliggende

wegen nog ruim onder de maximale intensiteit zitten. De bezwaarschriftencommissie neemt hier in haar advies genoegen mee. Eisers 1 kunnen dit niet volgen. Wat er op de omliggende wegen gebeurd, is volgens hen immers niet relevant. Het is relevant wat er gebeurd op De Hoge Heide en hoe de verkeersdruk daar is gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval. Het enkel verwijzen naar modelcijfers achten eisers 1 te kort door de bocht.

Volgens eiser 2 ontbreekt ten onrechte een verkeerskundig onderzoek. Het college baseert zich enkel op algemene modelcijfers en stelt dat de wegen rondom het projectgebied, zoals de Pieter Bruegelstraat en de toegangsweg naar sportpark De Hoge Heide, voldoende capaciteit hebben. Er is echter geen concreet onderzoek verricht naar de feitelijke verkeersdruk. Zonder onderzoek kan niet aangenomen worden dat de extra verkeersbewegingen door de flexwoningen geen negatieve gevolgen hebben voor verkeersveiligheid en leefbaarheid.

Het college verwijst naar figuur 4.3 uit de ruimtelijke onderbouwing. Op die afbeelding is de verkeersafwikkeling vanwege het bouwplan inzichtelijk gemaakt. Uit figuur 4.3 blijkt dat de meest logische ontsluitingsroute van de flexwoningen via het westelijke gedeelte van de Pieter Bruegelstraat en de Vliedbergseweg is. Door de verkeerskundige van de gemeente is aangegeven dat als wordt uitgegaan van een worst-casescenario en al het verkeer afkomstig van de ontwikkeling zich volledig over alle mogelijke routes verspreidt, het totale verkeersaanbod per route alsnog onder de grenswaarde van 4.000 motorvoertuigen per etmaal blijft. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van verkeerskundige knelpunten. De gevolgen van de extra verkeersbewegingen van en naar de flexwoningen zullen daarom gering zijn en daarmee niet zodanig onevenredig dat het college geen medewerking had kunnen verlenen aan het bouwplan. Zoals ook door het CROW wordt aangegeven, kan een erftoegangsweg met een snelheidsregime van 30 km/uur tussen de 4.000 en 6.000 motorvoertuigen per etmaal verwerken. Deze bandbreedte betreft geen vaste waarden, maar is afhankelijk van de vormgeving en beschikbare ruimte binnen de wegvakken. Dit betekent dat de daadwerkelijke verwerkingscapaciteit hoger of lager kan uitvallen, afhankelijk van de inrichting van de weg. Voor deze wegen zijn verkeersgegevens beschikbaar uit het BBMA-verkeersmodel voor Noordoost-Brabant. Het BBMA-verkeersmodel is te raadplegen via de website van de provincie Noord-Brabant. Deze cijfers geven de intensiteiten in motorvoertuigen per etmaal weer voor het toekomstjaar 2040. Wegen die niet op de kaart zijn weergegeven, zijn doorgaans rustig. Wanneer de verwachte verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling van 24 flexwoningen wordt meegenomen, blijven de intensiteiten op de betreffende wegvakken onder de grenswaarde van 4.000 motorvoertuigen per etmaal. Daarnaast zijn de omliggende wegen duurzaam veilig ingericht. Op basis hiervan kan worden gesteld dat deze wegen in staat zijn het extra verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling op een verantwoorde en veilige wijze te verwerken.

De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de omliggende wegen onvoldoende capaciteit hebben om de verkeersafwikkeling van het project aan te kunnen.

In de ruimtelijke onderbouwing is hierover het volgende vermeld: “Ter hoogte van het plangebied is de Pieter Bruegelstraat een doodlopende weg, waardoor alleen bestemmingsverkeer gebruik maakt van deze weg. Om deze reden wordt aangehouden dat de verkeersintensiteit in de autonome situatie dermate laag is, dat de beoogde verkeerstoename probleemloos wordt opgevangen zonder dat dit leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van de weg. Voor de overige wegvakken geldt dat de beoogde verkeerstoename dermate laag is dat het effect op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling verwaarloosbaar is.”De rechtbank gaat ervan uit dat met het voorgaande (ook) de verkeerssituatie op De Hoge Heide is bedoeld. Die weg ligt ter hoogte van het plangebied, loopt dood en kan in de bestaande situatie redelijkerwijs enkel door bestemmingsverkeer worden gebruikt. Gelet op de geringe verkeerstoename als gevolg van het beoogde project is met het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling uit een oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid aanvaardbaar is. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat het verkeersonderzoek op dit punt niet volledig is geweest.

In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus.

Parkeren

16. Eisers 1 en 2 voeren aan dat het college uit is gegaan van een verkeerde parkeernorm. Volgens eisers 1 en 2 moet de parkeernorm op basis van de Nota Parkeernormen Heusden 2016 1,8 parkeerplaatsen per woning bedragen, zodat er 44 parkeerplaatsen nodig zijn. Er worden slechts 39 parkeerplaatsen gerealiseerd, en derhalve is er sprake van een tekort van 5 parkeerplaatsen. De norm die het college hanteert hoort bij appartementen, maar in dit geval is sprake van grondgebonden woningen. Het niet voldoen aan de Nota Parkeernormen Heusden 2016 is in strijd met artikel 4.1 van het Parapluplan Parkeren Heusden.

Het college heeft toegelicht dat de Nota Parkeernormen Heusden 2016 geen normen bevat voor flexwoningen. Strikte toepassing van de parkeernorm voor een reguliere tussenwoning is volgens het college onredelijk, gelet op de kleine oppervlakte van de te realiseren flexwoningen (ca. 34 m2 en ca. 50 m2) en omdat de woningen vanwege hun grootte slechts geschikt zijn voor één, twee- en driepersoons huishoudens. Het CROW heeft in haar meest recente publicatie “Parkeerkencijfers 2024” parkeerkencijfers vastgesteld. Deze parkeerkencijfers zijn een hulpmiddel om op basis van een landelijk gemiddeld beeld, een orde van grootte uit te rekenen voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen bij woningen. De CROW-richtlijnen bevatten een minimum en maximum kencijfer. De gemeente Heusden hanteert voor het bepalen van de parkeernorm doorgaans het gemiddelde hiervan. Voor sociale huurwoningen hanteert het CROW voor een gebied dat kan worden aangemerkt als "weinig stedelijk” en dat is gelegen in de “rest van de bebouwde kom” een parkeerkencijfer dat ligt tussen de 0,7 en 1,5 parkeerplaats per woning. Voor Tiny Houses heeft het CROW lagere parkeerkencijfers vastgesteld, te weten een cijfer dat ligt tussen 0,3 en 0,5 parkeerplaats per woning. Voor sociale huurappartementen met een oppervlakte kleiner dan 30 m2 bvo geldt een parkeerkencijfer met een hoogte tussen de 0,4 en 0,6 en voor sociale huurappartementen met een oppervlakte kleiner dan 75 m2 bvo hanteert het CROW een parkeerkencijfer tussen de 0,4 en 1,2. Gelet hierop is het college uitgegaan van de parkeernorm voor ‘koop/huur, etage goedkoop’, omdat deze meer aansluit bij een flexwoning dan de norm voor een reguliere tussenwoning. Daarom heeft het college de parkeerbehoefte bepaald op 1,6 parkeerplaats per woning. Deze norm is ruimer dan het parkeerkencijfer van het CROW voor Tiny Houses dan wel voor kleine sociale huurappartementen. Met de aanleg van de beoogde parkeerplaatsen wordt aan een realistische norm voldaan en wordt hiermee ook voldaan aan de doelstelling van de Nota Parkeernormen. De grond is eigendom van de gemeente en zolang de flexwoningen hier aanwezig zijn, zullen de aangelegde parkeerplaatsen voor deze ontwikkeling in stand worden gelaten.

Artikel 4.1.1 van de planregels van het parapluplan luidt als volgt:

Een bouwwerk dat een parkeerbehoefte genereert volgens de 'Nota Parkeernormen Heusden' (d.d. 24-05-2016) mag niet worden gebouwd wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.

De omgevingsvergunning voor het bouwen kan alleen worden verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Heusden' (d.d. 24-05-2016).

Artikel 4.1.2 van de planregels van het parapluplan luidt als volgt:

Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt gerekend een functiewijziging van bouwwerken of onbebouwde gronden in een functie met een grotere parkeerbehoefte dan in de bestaande situatie, zonder dat in voldoende mate ruimte aanwezig is op eigen terrein ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's.

Bij de toepassing van het bepaalde in 4.1.2 onder a wordt beoordeeld of sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in de 'Nota Parkeernormen Heusden' (d.d. 24-05-2016).

De rechtbank is met eisers van oordeel dat het besluit op dit punt gebrekkig is. Het college heeft immers niet de juiste norm uit zijn eigen beleid, te weten de parkeernota toegepast. Dat erkent het college ook. Dat het college meent dat de toegepaste norm beter aansluit bij de parkeerbehoefte van het project, maakt dat niet anders. Voor zover het college heeft willen afwijken van haar eigen beleid geldt dat de parkeernota, noch het parapluplan de mogelijkheid biedt tot het afwijken, op de manier die het college hier beoogt. Namens het college is overigens desgevraagd tijdens de zitting aangegeven dat het college buitenplans heeft willen afwijken van het bestemmingsplan, maar dat heeft het college in het bestreden besluit niet gedaan. Als het college met betrekking tot parkeren voor een buitenplanse afwijking kiest, had het dat expliciet in het bestreden besluit moeten opnemen.

Deze beroepsgrond slaagt.

Alternatieve locaties en nutsvoorzieningen

17. Eisers 1 voeren aan dat de locatiekeuze van het bouwplan ondeugdelijk is gemotiveerd. Uit de ruimtelijke onderbouwing en het collegevoorstel volgt dat de keuze op de onderhavige locatie deels is gevallen omdat er reeds nutsvoorzieningen in de grond aanwezig zouden zijn gelet op de voorheen aanwezige gymzaal op een deel van het plangebied. Maar volgens eisers 1 liggen slechts 9 van de 24 woningen op de plaats van de voormalige gymzaal. Ten behoeve van de locatiekeuze had derhalve inzichtelijk gemaakt moeten worden waar de kabels en leidingen aanwezig zijn en of hiermee een dermate groot voordeel gemoeid gaat dat afwijking van het bestemmingsplan voor deze specifieke locatie gerechtvaardigd is, temeer omdat de locaties aan de [adres] en de [adres] specifiek zijn aangewezen voor woningbouw in 2015.

Eiser 3 voert aan dat hij verschillende alternatieven naar voren heeft gebracht waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat de locatie reeds eigendom is van de gemeente en geen grondverwerving meer hoeft plaats te vinden, leidt niet tot minder bezwaren voor de bezwaarmakers/omwonenden. Overigens geldt dit argument ook voor de alternatieven die door eiser zijn aangereikt. Ook die gronden zijn in eigendom van de gemeente. Zulks geldt ook voor wat betreft de nutsvoorzieningen. De aangedragen alternatieven zijn door het college ten onrechte niet betrokken bij zijn beslissing.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het moet beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Daarnaast geldt volgens vaste rechtspraak dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaar. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn, om dit aannemelijk te maken. Door eisers is niet aannemelijk gemaakt dat er een alternatief voorhanden is waarvan op voorhand duidelijk is dat daartegen aanmerkelijk minder bezwaren zullen bestaan. Het gaat ook niet om uitsluitend de bezwaren van omwonenden.

Ten aanzien van de gekozen locatie overweegt de rechtbank dat niet van belang is of deze locatie de meest aanvaardbare is. Het college dient namelijk te beslissen op grond van de ingediende aanvraag. Indien de locatie, waarop de ingediende aanvraag ziet, op zichzelf beschouwd aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van één of meerdere van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eisers hebben niet voldoende onderbouwd dat met die andere locaties een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat vergunninghoudster tijdens de zitting heeft aangegeven dat de door eisers genoemde locaties zoeklocaties zijn voor permanente woningen en dat het bebouwen van alle locaties nodig is om de woningvoorraad te vermeerderen. Eisers hebben dit niet weersproken.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging en bebouwingsbeeld

18. Eiser 2 voert aan dat het bouwplan leidt tot onevenredige aantasting van het bebouwingsbeeld. De geplande flexwoningen sluiten niet aan bij het karakter van de bestaande woonomgeving, die wordt gekenmerkt door een ruimtelijk gespreid patroon met voornamelijk vrijstaande koopwoningen in het hogere segment. Eiser vreest voor verlies aan privacy, aantasting van het uitzicht en toename van hinder. De stelling van het college dat de woningen stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn, wordt niet onderbouwd met een analyse van de bestaande ruimtelijke context en het visuele contrast tussen de flexwoningen en de omliggende bebouwing. De verwijzing naar gangbare hoogtes in de omgeving gaat voorbij aan het feit dat het hier gaat om een afwijkend woningtype, met een andere schaal, functie en gebruiksintensiteit op een bestemming die geen woningbouw toelaat.

Eiser 3 voert aan dat vanwege de woningbouw sprake zal zijn van geluidsoverlast, lichthinder en aantasting van zijn privacy. Deze belangen zijn niet dan wel onvoldoende meegenomen in de belangenafweging. In eerste instantie waren 19 eenlaagse woningen gepland hetgeen gewijzigd is in 16 eenlaagse woningen en 8 tweelaagse woningen. De 8 tweelaagse woningen zijn maar liefst 6.6 meter hoog. Als reden voor deze extra (hoge) bebouwing is genoemd dat meer mensen een thuis kan worden gegeven. Zulks is echter geen ruimtelijke afweging zodat de toename van het aantal woningen en de hoogte daarvan niet ruimtelijk is afgewogen en onderbouwd.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de flexwoningen passend zijn. De noordelijk gelegen rij woningen hebben één bouwlaag. Deze woningen zijn het dichtst bij de woningen aan de Pieter Bruegelstraat gelegen en vanwege het ontbreken van een tweede bouwlaag is geen sprake van inkijk vanuit deze flexwoningen in de bestaande woningen in de omgeving. Verder is de buitenruimte van deze woningen gelegen aan de zuidzijde (dus voorzijde van de flexwoningen). De woningen in de zuidelijke rij zijn op grote afstand van de bestaande woningen gelegen en hebben twee bouwlagen. Deze passen bij de gangbare nok- en goothoogte van grondgebonden woningen in de omgeving van de projectlocatie en zijn daarom, na beoordeling door een stedenbouwkundige van de gemeente, stedenbouwkundig aanvaardbaar geacht. Gelet op de afstand tot de bestaande woningen en de geplande groenvoorziening, die nog in overleg met omwonenden wordt gerealiseerd, wordt de inkijk in de bestaande woningen voorkomen, dan wel vrijwel beperkt. Ook sluiten de flexwoningen qua positionering nu beter aan op de bestaande bebouwing, gelegen aan de Pieter Bruegelstraat. Bij het bepalen van de definitieve locatie en de hoogtes van de tijdelijke woningen, heeft het college het belang van een vrij uitzicht en de privacy meegewogen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het oorspronkelijke plan is gewijzigd en de positionering van de flexwoningen naar aanleiding van reacties van omwonenden is gewijzigd.

De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het bebouwingsbeeld en het woon- en leefklimaat van eisers. De rechtbank volgt hierin het standpunt van het college waaruit volgt dat bij het bepalen van de locatie en de hoogte van de flexwoningen, voldoende aandacht is besteed aan het belang van eisers bij een goed woon- en leefklimaat. Het enkele feit dat de woningen van eisers eenlaags zijn en een deel van de flexwoningen tweelaags, maakt dat niet anders. Het college heeft voldoende uiteengezet dat andere woningen in de directe omgeving van de projectlocatie niet eenlaags zijn en dat het project daarom aansluit bij de omgeving en dat het project door onder meer de positionering van de woningen en door middel van de aan te leggen houtwal geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van eisers.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Planschade

19. Eiser 2 voert aan dat hij verwacht dat zijn woning vanwege het bouwplan in waarde afneemt. Het college had dit moeten meewegen in zijn belangenafweging. De mogelijkheid om achteraf een verzoek tot tegemoetkoming in planschade of nadeelcompensatie in te dienen, ontslaat het college niet van de verplichting om bij het verlenen van toestemming alle relevante ruimtelijke en financiële aspecten vooraf te betrekken.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van woningbouw zwaarder weegt dan het belang van eiser 3. Eiser 3 heeft de mogelijkheid om op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een tegemoetkoming in de schade te vragen.

Het betoog van eiser 2 slaagt niet. Voor zover al sprake zou zijn van een nadelige invloed vanwege het bouwplan op de waarde van de onroerende zaken van eiser, heeft het college daarin geen aanleiding hoeven zien voor de verwachting dat die waardedaling zodanig zal zijn dat bij afweging van de betrokken belangen daaraan meer gewicht had moeten worden toegekend dan aan de belangen die met de bouw van de flexwoningen zijn gediend. Daarbij betrekt de rechtbank dat in dit verband de planschadeprocedure kan worden gevolgd.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

De motie

20. Eiser 3 voert aan dat tijdens de raadsvergadering van 22 februari 2022 een motie is aangenomen door de raad. Daarin heeft de raad het college opgeroepen om -kort gezegd- de woningen zodanig te positioneren dat zoveel mogelijk rekening gehouden wordt met de lange termijnvisie van het sportpark en de direct omgeving. Een lange termijnvisie is eiser 3 onbekend zodat met de positionering van de woningen daarmee geen rekening is gehouden. Eiser stelt dan ook dat de vergunning niet voorafgaand aan de vaststelling van de lange termijnvisie van het sportpark had mogen worden verleend. In ieder geval is de verleende vergunning verleend in strijd met de motie.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de motie van 22 februari 2022 is meegewogen bij de beslissing om de vergunning te verlenen. Ook wordt er voldaan aan deze motie. Met de motie werd opgeroepen om in overleg met [naam] (ondernemers en gebruikers) en direct omwonenden de flexwoningen zodanig te positioneren dat zoveel mogelijk rekening zou worden gehouden met de langetermijnvisie van het sportpark en de directe omgeving. Dit heeft geresulteerd in een andere positionering van de flexwoningen. Het gevolg is een beter afgestemde stedenbouwkundige invulling met de directe omgeving, waarbij meer rekening is gehouden met de belangen van omwonenden. De huidige positionering van de flexwoningen houdt meer opties open voor een eventuele herontwikkeling van dat gedeelte van het sportpark.

De vraag of het college in strijd heeft gehandeld met de motie hoeft de rechtbank in deze procedure niet te beantwoorden, omdat het antwoord op de vraag niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank het college niet in een tussenuitspraak op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om bepaalde gebreken te herstellen enige tijd zal kosten.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 voor respectievelijk eisers 1, eiser 2 en eiser 3 omdat de gemachtigden van eisers allen een beroepschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit van 16 september 2025 en het wijzigingsbesluit van 13 januari 2026,

- bepaalt dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194 aan respectievelijk eisers 1, eiser 2 en eiser 3 moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan respectievelijk eisers 1, eiser 2 en eiser 3.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. V.A. Textor, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?