ECLI:NL:RBOBR:2026:1816

ECLI:NL:RBOBR:2026:1816

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 01.231933.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak ontucht (artikel 247 Sr) wegens onvoldoende steunbewijs. Benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.231933.25

Datum uitspraak: 19 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1973] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 februari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2022 tot en met 31 januari 2023 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, in elk geval in Nederland,

met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,

dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

-het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of

-het brengen van zijn, verdachtes, vingers en/of penis in de vagina van die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir – op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft gesteld dat de ondersteuning voor de verklaring van aangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) kan worden gevonden in de aangifte van [aangever] (hierna: [aangever] ) en in de door de zorgcoördinator van [slachtoffer] , [zorgcoördinator] (hierna: [zorgcoördinator] ), waargenomen gemoedstoestand van [slachtoffer] in de periode dat de vermeende incidenten zouden hebben gespeeld en nadien. Ook wordt de verklaring van [slachtoffer] ondersteund door de verklaring van de broer van verdachte, [broer verdachte] (hierna: [broer verdachte] ).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft op de in de pleitnota genoemde gronden integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte en [slachtoffer] waren allebei werkzaam bij [bedrijf] , een werkplek voor mensen met een (verstandelijke) beperking. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar seksueel heeft misbruikt. Verdachte zou haar meermaals hebben betast op het werk, alsmede haar in de woning van zijn broer ( [broer verdachte] ) hebben betast en gedwongen tot orale en vaginale seks. Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft misbruikt. Hij heeft verklaard met haar te hebben afgesproken bij zijn broer, maar hij heeft haar niet aangeraakt en/of seks met haar gehad.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – dat betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Het voorschrift van artikel 342 tweede lid, Sv leidt ertoe dat – in een geval als het onderhavige, waarin de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan – de rechter naast de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] dient te beoordelen of voor de beweringen van [slachtoffer] voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De juistheid van de tenlastelegging moet met andere woorden niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaring van [slachtoffer] volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig dient te zijn uit een andere bron.

Uit de rechtspraak kan verder worden afgeleid dat er een voldoende duidelijk en specifiek verband moet zijn tussen de verklaring van [slachtoffer] en het steunbewijs. De concrete punten waarop de verklaring van [slachtoffer] steun vindt in andere bewijsmiddelen moeten in de context van die verklaring over de ten laste gelegde gedraging als wezenlijk kunnen worden aangemerkt.

Dergelijk steunbewijs ontbreekt in deze zaak. De rechtbank constateert dat er geen directe getuigen van het vermeende seksuele misbruik zijn geweest. [aangever] , de neef en tevens curator van [slachtoffer] , heeft namens [slachtoffer] aangifte gedaan. Hij heeft bij de politie een verklaring over het seksuele misbruik afgelegd. Deze kennis heeft hij verkregen door het voeren van gesprekken met [slachtoffer] . Nu deze verklaring en die van [slachtoffer] afkomstig zijn uit één bron, te weten [slachtoffer] , kan deze niet als steunbewijs worden gebruikt.

Ook de verklaring van [broer verdachte] kan niet als steunbewijs worden gebruikt. Zijn verklaring, inhoudende (o.a.) dat verdachte en [slachtoffer] een aantal keren in zijn woning zijn geweest en dat hij toen buiten een rondje ging lopen, dat [slachtoffer] handtastelijk was en dat hij dacht dat het contact tussen verdachte en [slachtoffer] ‘op seksueel gebied’ was, is onvoldoende duidelijk en concreet om hieraan steun voor de ten laste gelegde gedragingen te kunnen ontlenen.

De waarnemingen van [aangever] en [zorgcoördinator] met betrekking tot de gemoedstoestand en/of de emoties van [slachtoffer] , kunnen evenmin als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] worden gebruikt. Het dossier bevat onvoldoende informatie om een verband tussen de waargenomen gemoedstoestand en het vermeende seksuele miskruik te kunnen vaststellen. Dit had mogelijk anders kunnen zijn indien het ging om de emotionele gemoedstoestand van [slachtoffer] direct ná een incident, maar die situatie is hier niet aan de orde.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde.

De rechtbank merkt in zijn algemeenheid nog op dat een vrijspraak om de hier gehanteerde redenen niet hoeft te betekenen dat de verklaring van [slachtoffer] vals of onbetrouwbaar is. De betrouwbaarheid wordt, gezien de reden van vrijspraak, niet beoordeeld.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Inleiding.

Mr. M.A.W. Ketelaars heeft namens [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 189.855,00 ingediend vanwege materiële en immateriële schade die [slachtoffer] als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden en nog zal gaan lijden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. Zij heeft tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Gelet hierop heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank. Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil. DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. F. van Buchem, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,

en is uitgesproken op 19 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.J.H. van de Kant
  • mr. T. Kraniotis
  • mr. F. van Buchem

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?