ECLI:NL:RBOBR:2026:1817

ECLI:NL:RBOBR:2026:1817

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 01.238918.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag doordat verdachte – als bestuurder van een personenauto – op een onverlichte snelweg naar een filmpje op de mobiele telefoon van de passagier op de bijrijdersstoel heeft gekeken.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.238918.25]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.238918.25

Datum uitspraak: 19 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 januari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2024 te Eersel, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Volkswagen, type: Polo, kenteken: [kenteken 1] ), daarmede rijdende over de weg, de A67, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig (kort voor het ongeval) meermalen, althans eenmaal op het scherm van een mobiele telefoon te kijken en/of zijn blik meermalen, althans eenmaal op die mobiele telefoon gericht te houden en (aldus doende) zijn aandacht niet voortdurend op de weg voor zich te houden en/of

- (vervolgens) te dicht op zijn voorganger, te weten [betrokkene] , rijdende in een personenauto (Daihatsu Sirion, kenteken [kenteken 2] ) is gaan rijden en/of onvoldoende afstand heeft gehouden tot zijn voorganger en/of

- (vervolgens om een botsing te voorkomen) een stuurbeweging naar links te maken en/of

- (daarbij) zijn voorganger te schampen aan de linker achterzijde van diens personenauto en/of

- (vervolgens) de macht over het stuur te verliezen en/of

- (daardoor) in botsing te komen met de middengeleider,

waardoor, althans mede waardoor het door hem bestuurde motorrijtuig over de kop is geslagen waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , inzittende van het door verdachte bestuurde motorrijtuig uit voornoemd motorrijtuig is geslingerd en werd gedood;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde, waarbij zij het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend kwalificeert.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte weliswaar was afgeleid doordat hij op de telefoon van de passagier op de bijrijdersstoel heeft gekeken, maar dat het dossier geen duidelijkheid biedt over het aantal seconden waarin deze gedraging heeft plaatsgevonden.

Niet valt uit te sluiten dat verdachte slechts gedurende een kort moment zijn aandacht niet op de weg heeft gehad, hetgeen volgens vaste jurisprudentie niet is te kwalificeren als een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen niet op deze plaats opgenomen, maar in een bijlage bij dit vonnis, welke bijlage als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Vaststelling van de feiten.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op donderdag 20 december 2024 omstreeks 22:37 uur reed verdachte in een personenauto (Volkswagen Polo) met drie medepassagiers op de Rijksweg A67 in de gemeente Eersel. Daar is verdachte in botsing gekomen met de voor hem rijdende personenauto van het type Daihatsu Sirion. Verdachte heeft vervolgens de controle over het voertuig verloren, waardoor hij tegen de geleiderail aanreed en de auto over de klop sloeg. Door die impact werd [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), die op de bijrijdersstoel zat, uit de auto geworpen. Het slachtoffer is op het wegdek terechtgekomen en door verschillende medeweggebruikers overreden. Het slachtoffer is ter plekke overleden.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het ongeluk te wijten is aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Hierbij komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij wordt opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte reed in het donker op een (voor hem onbekende) onverlichte snelweg met een snelheid van ongeveer 112 kilometer per uur. Deze omstandigheden vergen op zichzelf bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het slachtoffer – dat rechts voorin op de bijrijdersstoel naast verdachte zat – op enig moment een YouTube muziekvideo afspeelde op zijn telefoon en dit aan verdachte liet zien. Verdachte heeft verklaard dat hij enkele seconden op het scherm naar dit filmpje keek, maar kon dat niet nader specificeren.

Uit de verklaring van verdachte bij de politie en de verklaring van getuige [getuige] leidt de rechtbank af dat verdachte pas (weer) van dit schermpje opkeek toen [getuige] ‘kijk uit’ of iets soortgelijks heeft geroepen. [getuige] , die achter het slachtoffer in de auto zat, zag de auto voor hen naderen. Hij ging ervan uit dat verdachte dit wel zou zien, maar dat bleek niet zo te zijn. Uit de omstandigheid dat [getuige] wel zag dat zij de voorligger snel naderden en verdachte pas van het schermpje opkeek toen er werd geroepen, leidt de rechtbank af dat verdachte zijn aandacht gedurende een wat langere tijd niet voldoende bij het rijden heeft gehad.

Verdachte had op deze onverlichte snelweg oplettend moeten zijn op overige weggebruikers en hij had voldoende afstand moeten houden, zodat hij bij het naderen van zijn voorligger tijdig naar links had kunnen sturen.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte onvoldoende oplettend is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij verdachte geen sprake is geweest van slechts ‘een kort moment van onoplettendheid’, zoals door de raadsvrouw is betoogd. Ten gevolge van die onoplettendheid is het verkeersongeval ontstaan.

De rechtbank kwalificeert het bovengenoemde gedrag van de verdachte dan ook als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor het verkeersongeval aan zijn schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is te wijten.

Overlijdensoorzaak

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen - waaronder het schouwverslag - zonder meer dat het overlijden van de heer [slachtoffer] het directe gevolg is geweest van het ongeval.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 20 december 2024 te Eersel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Volkswagen, type: Polo, kenteken: [kenteken 1] ), daarmede rijdende over de weg, de A67, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, - tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig (kort voor het ongeval) op het scherm van een mobiele telefoon te kijken en zijn blik op die mobiele telefoon gericht te houden en (aldus doende) zijn aandacht niet voortdurend op de weg voor zich te houden en - vervolgens te dicht op zijn voorganger, te weten [betrokkene] , rijdende in een personenauto (Daihatsu Sirion, kenteken [kenteken 2] ) is gaan rijden en onvoldoende afstand heeft gehouden tot zijn voorganger en - een stuurbeweging naar links te maken en - daarbij zijn voorganger te schampen aan de linker achterzijde van diens personenauto en - vervolgens de macht over het stuur te verliezen en - daardoor in botsing te komen met de middengeleider, waardoor het door hem bestuurde motorrijtuig over de kop is geslagen waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , inzittende van het door verdachte bestuurde motorrijtuig uit voornoemd motorrijtuig is geslingerd en werd gedood;

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis op te leggen.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen te ontzeggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw acht een taakstraf een passende strafmodaliteit. Zij heeft verzocht om deze te matigen nu aan verdachte in het kader van een andere strafzaak recentelijk ook de maximale taakstraf is opgelegd.

Ten aanzien van de gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsvrouw verzocht om deze geheel voorwaardelijk op te leggen aangezien verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zowel zijn werkzaamheden als de aan hem opgelegde taakstraf uit te voeren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft, terwijl hij als bestuurder van een personenauto op een 120 km/u weg reed, naar een YouTube filmpje op de telefoon van zijn bijrijder gekeken. Daardoor heeft verdachte onvoldoende aandacht gehad voor de situatie op de weg en de medeweggebruikers. Ten gevolge van deze gedraging heeft verdachte de voor hem rijdende personenauto te laat opgemerkt, waardoor hij een botsing met deze auto niet meer kon voorkomen. Door deze impact en de daaropvolgende voertuigbewegingen van de Volkswagen Polo werd zijn bijrijder uit het voertuig geworpen, overreden door andere weggebruikers en is hij overleden.

Door het verkeersongeval is een 18-jarige man op tragische wijze om het leven gekomen. De nabestaanden van het slachtoffer is daarmee onherstelbaar leed aangedaan.

Het behoeft geen betoog dat deze ongevalssituatie ook voor alle betrokken (mede)weggebruikers een hevige impact heeft gehad.

De persoon van verdachte

De rechtbank ziet in dat ook voor verdachte zelf het ongeval grote gevolgen heeft gehad.

Verdachte zal moeten leven met het feit dat het aan zijn schuld te wijten is dat zijn vriend [slachtoffer] om het leven is gekomen en met de rol die hij daarmee - ongewild - heeft vervuld in het veranderde leven van de nabestaanden van [slachtoffer] .

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen voor zijn rijgedrag; hij heeft immers van meet af aan verklaard dat hij voorafgaande aan het ongeval was afgeleid door een filmpje op de telefoon van zijn bijrijder. Ook is verdachte het contact met de nabestaanden van het slachtoffer niet uit de weg gegaan.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van de verdachte van 2 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor verkeersdelicten is veroordeeld.

Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte samen met zijn zus een eigen onderneming heeft waarbij verdachte als uitvoerder optreedt van opdrachten om keukens van particulieren te wrappen. Zonder een rijbewijs zal verdachte zijn werkzaamheden niet meer kunnen uitoefenen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke straf in dit geval passend en geboden is. De rechtbank dient een straf op te leggen die past bij het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.

Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood ten gevolge en waar sprake is van aanmerkelijke schuld, als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar gehanteerd. Een dergelijke straf acht de rechtbank gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zonder meer passend.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uur opleggen.

Ten aanzien van de gevorderde rijontzegging houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte afhankelijk is van zijn rijbewijs voor zijn werkzaamheden.

Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal voor verdachte tot gevolg hebben dat zowel hij als zijn zus financieel ernstig worden benadeeld. De rechtbank ziet in dit geval redenen om – voor wat betreft de oriëntatiepunten met betrekking tot de ontzegging van de rijbevoegdheid – in het voordeel van verdachte af te wijken door een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van 1 jaar, maar dan geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat verdachte de opgelegde taakstraf in Nederland zal uitvoeren en ook daar zijn rijbewijs voor nodig heeft omdat hij in België woonachtig is. De rechtbank wil hiermee bovendien bewerkstelligen dat verdachte in de toekomst (nog) meer voorzichtigheid en oplettendheid zal betrachten in het verkeer.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gevorderde schadeposten Volkswagen Polo, uitvaart en grondconcessie toewijsbaar. De gevorderde immateriële schade acht de officier van justitie ook geheel toewijsbaar. De officier van justitie heeft verzocht om het totaal toe te wijzen bedrag van € 26.448,30 te vermeerderen met de wettelijke rente en hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft – gelet op de vrijspraak die zij heeft bepleit - primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Subsidiair heeft de raadsvrouw de schadeposten uitvaart en grondconcessie niet betwist. Zij meent wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de schadepost Volkswagen Polo nu deze post niet voldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsvrouw verzocht om dit bedrag te matigen aangezien de moeder van verdachte de familie van het slachtoffer financiële compensatie heeft geboden.

Beoordeling.

De rechtbank beoordeelt de vordering als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Uitvaart en grondconcessie

De rechtbank overweegt dat de schadeposten uitvaart € 2.467,- en grondconcessie € 481,30 niet inhoudelijk zijn betwist. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering voor wat betreft deze schadeposten kan worden toegewezen.

Volkswagen Polo

Deze schadepost ter hoogte van € 3.500,- is – met een enkele verwijzing naar een op het oog soortgelijke auto die kennelijk te koop wordt aangeboden op internet – volgens de rechtbank, gelet op de door de verdediging gemotiveerde betwisting, onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is in hoeverre de auto vergelijkbaar is met de auto die verloren is gegaan, omdat bijvoorbeeld onbekend is uit welk jaar de auto dateert en wat de kilometerstand was ten tijde van het ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank vereist dit nader onderzoek naar de (dag)waarde van auto. Daarmee levert het vaststellen van de omvang van de schade ten aanzien van deze post een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit gedeelte van de vordering. Een beoordeling van deze schadepost kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Affectieschade

.

Het slachtoffer is als gevolg van het bewezen verklaarde feit overleden. Op grond van artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek is, indien iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht tot vergoeding van affectieschade aan de in lid 4 van genoemd wetsartikel genoemde naasten. Onder deze naasten vallen onder meer de ouders van de overledene. De bedragen die voor deze schade kunnen worden toegekend, staan vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. Dit besluit noemt voor de onderhavige situatie een bedrag van

€ 20.000,- . Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan deze schadevergoeding in het strafproces worden gevorderd.

In de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid dat de moeder van verdachte de ouders van het slachtoffer reeds financieel zou hebben gecompenseerd ziet de rechtbank geen aanleiding om dit bedrag te matigen. Bovendien is dit argument door de verdediging niet met bewijsstukken onderbouwd.

De rechtbank zal daarom de gevorderde affectieschade toewijzen tot een bedrag van

€ 20.000,-.

Resumé

Toewijsbaar is dus € 2.948,30 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade. De rechtbank zal het toegekende bedrag vermeerderen met de wettelijke rente, voor de materiële schade gerekend vanaf 23 december 2024 (de factuurdatum van de uitvaartkosten) en voor de immateriële schade gerekend vanaf 20 december 2024, tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Veroordeling in de kosten

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 22.948,30,- en de daarover verschuldigde wettelijke rente aan de Staat moet betalen.

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 365 dagen.

De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De vordering van de benadeelde partij [betrokkene] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gevorderde schadepost reparatiekosten ter hoogte van € 1860,44 toewijsbaar. In de post “proceskosten” ter hoogte van € 85,- dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft verzocht om het totaal toe te wijzen bedrag van € 1.860,44 te vermeerderen met de wettelijke rente en hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft – gelet op de vrijspraak die zij heeft bepleit - primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Subsidiair heeft de raadsvrouw de reparatiekosten ter hoogte van € 1860,44 niet betwist. De raadsvrouw heeft verzocht om de schadepost “proceskosten” af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van de vordering nu deze schadepost niet is onderbouwd.

Beoordeling.

De rechtbank beoordeelt de vordering als volgt.

Materiële schade

Reparatiekosten auto

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat de schadepost € 1.860,44 niet inhoudelijk is betwist.

Deze schadepost is onderbouwd met een factuur van een autobedrijf en komt de rechtbank redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering voor wat betreft deze schadepost kan worden toegewezen.

Proceskosten

Met betrekking tot de schadepost “proceskosten” ter hoogte van € 85,-. stelt de rechtbank vast dat deze kostenpost in het geheel niet is onderbouwd.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan deze kostenpost bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Resumé

Toewijsbaar is dus € 1.860,44 aan materiële schade. De rechtbank zal het toegekende bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Veroordeling in de kosten

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.860,44,- en de daarover verschuldigde wettelijke rente aan de Staat moet betalen.

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 18 dagen.

De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6 en 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen en maatregelen:

-een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

de rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid;

-een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde] , van een bedrag van € 22.948,30;

voormeld bedrag bestaat uit € 2.948,30 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade;

de vergoeding van de materiële wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

de vergoeding van de immateriële wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde] , van een bedrag van € 22.948,30;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

voormeld bedrag bestaat uit € 2.948,30 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade;

de vergoeding van materiële wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

de vergoeding van de immateriële wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening

bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [betrokkene] , van een bedrag van € 1.860,44;

voormeld bedrag bestaat uit materiële schade;

de vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de proceskosten van € 85,- niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [betrokkene] , van een bedrag van € 1.860,44;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 18 dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

voormeld bedrag bestaat uit materiële schade;

de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening’;

bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Bernsen, voorzitter,

mr. A. Maas en mr. R.J. Heuft, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 19 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Bernsen
  • mr. A. Maas
  • mr. R.J. Heuft

Griffier

  • mr. A.J.H.L. Coppens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?