RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 82.054325.24
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Datum zitting: 6 maart 2026
Tegenspraak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1992] ,
wonende te [adres] .
Advocaten van de verdachte: mr. C.P. Posthuma en mr. G.J.L.F.M. Schakenraad;
Officier van justitie: mr. M.G.H. Schenk;
Benadeelde partijen: mw. [de vrouw] , mw. [dochter] en dhr. [zoon] ;
Advocaat van de benadeelde partijen: mr. B. Sommen.
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van (het medeplegen van) dood door schuld. Hij heeft op een aantal momenten voorafgaand aan een incident bij de [naam 1] in Geldrop-Mierlo in 2022 onzorgvuldig gehandeld. De verwijten die hem kunnen worden gemaakt zijn echter niet zo ernstig dat zijn handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
De rechtbank heeft bepaald dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot vergoeding van schade.
1. Tenlastelegging
De volledige beschuldiging (tenlastelegging) houdt na de wijziging op de terechtzitting van 6 maart 2026 in dat
hij op of omstreeks 07 augustus 2022 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
zeer/grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of onzorgvuldig en/of nalatig heeft gehandeld door een (sport)evenement, genaamd [naam 1] , te weten het onderdeel hamerslingeren, te organiseren en/of te laten plaatsvinden op het terrein van Kasteel Geldrop,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader,
-de risico’s en/of gevaren van dat evenement niet of onvoldoende had(den) geïnventariseerd en/of beoordeeld en/of geen, althans onvoldoende, maatregelen had getroffen om die risico’s en/of die gevaren te voorkomen en/of te beperken;
en/of
-de deelnemers aan en/of bezoekers van dat evenement en/of omstanders niet doeltreffend had(den) ingelicht over de daaraan verbonden risico's, alsmede niet doeltreffend had(den) ingelicht over de maatregelen die erop gericht waren deze risico's te voorkomen en/of te beperken;
en/of
-ten behoeve van het evenement geen melding had(den) gedaan en geen vergunning met (veilligheids) voorschriften had(den) aangevraagd en verleend gekregen bij/van het bevoegd gezag, te weten de gemeente Geldrop-Mierlo en derhalve de [naam 1] zonder vergunning had(den) laten plaatsvinden;
en/of
-de [naam 1] , het onderdeel bekend als hamerslingeren en/of kogelwerpen, had(den) uitgevoerd en/of laten plaatsvinden op een deel van het terrein van de (kasteel)tuin waar de ruimte voor een veilige afwikkeling van dat onderdeel te beperkt was;
en/of
-niet, althans onvoldoende, heeft/hebben toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de aan het evenement verbonden risico's;
en/of
-het gevaar te worden getroffen of geraakt door (een onderdeel van) een voorwerp waarmee de [naam 1] werden gespeeld/uitgevoerd, niet heeft/hebben voorkomen, dan wel, indien dat niet mogelijk was, niet zoveel mogelijk heeft/hebben beperkt,
ten gevolge waarvan het aan zijn, verdachtes, en/of zijn mededaders schuld te wijten is dat tijdens het onderdeel “Hammer throw” de heer [slachtoffer] , die als bezoeker op het terrein (in de naastgelegen bloementuin) aanwezig was, door een “hamer” (zware bol/kogel aan een lange stok) – die werd weggeslingerd/weggegooid door één van de deelnemers aan de [naam 1] – op zijn borstkas werd geraakt, waardoor die [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.
(art. 307 Sr)
2. Geldigheid van de dagvaarding
De dagvaarding is geldig.
3. Bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de beschuldiging.
4. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging omdat:
er nooit een redelijk vermoeden van schuld was, zoals bedoeld in artikel 27 Sv;
de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur. Andere betrokkenen (bijvoorbeeld de werper, de scheidsrechter, de Stichting [naam 2] Geldrop-Mierlo, hierna te noemen: de Stichting en de gemeente Geldrop-Mierlo) hadden een groter aandeel in het ongeval dan de verdachte en zij zijn ten onrechte niet vervolgd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan door de rechtbank slechts terughoudend getoetst kan worden door de rechtbank. De officier van justitie heeft aan de rechtbank gevraagd om het verweer te verwerpen.
Alleen al uit het verloop en de duur van de zitting en de feiten en omstandigheden die zijn besproken, blijkt dat een redelijk vermoeden van schuld bestond dat de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd.
De officier van justitie heeft ter zitting uitgelegd dat de Stichting en de gemeente om juridische redenen niet zijn vervolgd.
Oordeel van de rechtbank
Was sprake van een redelijk vermoeden van schuld?
Voor de opsporingsfase is van belang dat als verdachte wordt aangemerkt diegene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit (art. 27 lid 1 Sv). In de onderhavige zaak is het opsporingsonderzoek direct na het incident op 7 augustus 2022 aangevangen. De verdachte was bij het incident aanwezig en is tegen het einde van de middag als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard over zijn betrokkenheid bij de organisatie van het evenement en aangegeven dat hij samen met de Federatie [naam 1] ervoor heeft gezorgd dat deze activiteit kon plaatsvinden. Na het uitzoeken van de concrete locatie heeft hij de medeverdachte [medeverdachte] informatie verstrekt waarmee deze een contract heeft opgesteld. De verdachte heeft dit contract aan het einde van dit getuigenverhoor aan de politie verstrekt. In de maanden augustus en september 2022 is een aantal getuigen verhoord en heeft onderzoek plaatsgevonden naar de vergunningenplicht voor dit soort evenementen. Een klein jaar later, in juli 2023, is de medeverdachte [medeverdachte] als verdachte gehoord. Daarbij is hem verteld dat hij wordt verdacht van dood door schuld op 7 augustus 2022. De medeverdachte heeft toen uitvoerig verklaard over de rol van de verdachte. De verdachte [verdachte] is daarna uitgenodigd voor een verhoor als verdachte. Dit verhoor heeft op 25 september 2023 plaatsgevonden, waarbij ook aan hem is verteld dat hij wordt verdacht van dood door schuld.
De rechtbank is van oordeel dat er in ieder geval ten tijde van het uitnodigen voor het verhoor van 25 september 2023 sprake was van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van dit delict. Uit de verklaringen van de verdachte zelf (op 7 augustus 2022) en die van de medeverdachte kon immers worden opgemaakt dat de verdachte een wezenlijke rol had bij de organisatie van het evenement dat een dodelijke afloop kende. De verdachte is in september 2023 (in de opsporingsfase) terecht als verdachte aangemerkt.
Na dit verhoor is namens de verdachte twee maal een sepotverzoek ingediend. De verdachte is vervolgens op 8 mei 2025 uitgenodigd voor een OM-hoorzitting. In juli 2025 werd hem een strafbeschikking aangeboden. In deze periode is dus tot vervolging van de verdachte besloten. Ook voor dit moment geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de verdachte te vervolgen als medepleger van dood door schuld. De door de verdediging bij het sepotverzoek overgelegde whatsappconversatie tussen de verdachte en [medeverdachte] maakt weliswaar duidelijk dat de verdachte afging op de deskundigheid van [medeverdachte] , maar daaruit kan ook worden afgeleid dat de verdachte, ondanks het feit dat het contract niet was ondertekend door de voorzitter van de Stichting, is doorgegaan met de voorbereidingen van het evenement. De beslissing tot vervolging van de verdachte is dus geenszins uitsluitend op basis van de (vermeend onjuiste) uitlatingen van de medeverdachte genomen. Het redelijk vermoeden van schuld dat in de zomer van 2023 is ontstaan was nog steeds aanwezig op het moment dat daadwerkelijk tot vervolging werd overgegaan.
Het verweer wordt daarom verworpen.
Is de vervolging van de verdachte in strijd met het verbod van willekeur?
De rechtbank stelt bij de bespreking van dit verweer voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Volgens de Hoge Raad strekt de jurisprudentie met betrekking tot de in artikel 167, eerste lid, Sv neergelegde bevoegdheid ertoe dat, indien het Openbaar Ministerie met de beslissing tot (voortzetting van de) vervolging een zaak ter beoordeling aan de rechter heeft voorgelegd, alleen uitzonderlijke met die vervolgingsbeslissing samenhangende omstandigheden beletten dat de rechter een inhoudelijk oordeel velt over de in de tenlastelegging vervatte beschuldiging door de beraadslaging omtrent de in artikel 350 Sv genoemde vragen.
Uitgaande van het redelijke vermoeden van schuld jegens de verdachte op het moment van de beslissing tot vervolging, is de rechtbank niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden zoals door de Hoge Raad bedoeld, die maken dat vervolging van de verdachte toch achterwege had moeten blijven. Er is, anders gezegd, geen sprake van een uitzonderlijk geval waarbij plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Van willekeurig dagvaarden is geen sprake.
Het Openbaar Ministerie is dus ontvankelijk in de vervolging.
5. Schorsing van de vervolging
Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
6. Vrijspraak
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat bewezen is dat de verdachte organisator was van de [naam 1] . De verdachte heeft zich te weinig verdiept in het wedstrijd onderdeel hamerslingeren en de risico’s. Ook heeft hij geen adequate risico-inschatting gemaakt. Hij was ter plaatste bekend en hij kon dan ook niet volledig varen op de ervaring van de medeverdachte. De verdachte heeft de op hem rustende zorgplicht voor de veiligheid van het publiek vermijdbaar en verwijtbaar veronachtzaamd.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, met het bevel dat de verdachte 50 dagen vervangende hechtenis moet ondergaan als hij de taakstraf niet (goed) uitvoert.
Standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. In de kern komt het bewijsverweer erop neer dat de verdachte geen weet had van veiligheidsrisico’s en spelregels van de [naam 1] . Ook had hij geen weet van vergunningsaanvragen en meldingsverplichtingen.
Oordeel van de rechtbank.
De rechtbank moet de vraag te beantwoorden of het aan de schuld van de verdachte is te wijten dat het slachtoffer is overleden.
Volgens vaste rechtspraak wordt onder 'schuld' als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld verstaan die bestaat uit verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Verder verdient opmerking dat de ernst van de gevolgen van dat gedrag op zichzelf beschouwd nog niet meebrengt dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398).
De rechtbank stelt het volgende vast.
De verdachte was als marketing- en communicatiemedewerker door de Stichting ingehuurd. De Stichting zet zich in voor het versterken van de positie van de gemeente Geldrop-Mierlo. Nadat binnen een plaatselijke werkgroep van de Stichting het idee was ontstaan om de [naam 1] te combineren met een (Schotse) expositie in het Weverijmuseum, heeft de verdachte in maart 2022 contact gelegd met de medeverdachte [medeverdachte] van de [naam 1] Federatie Nederland-België. Dit heeft hij gedaan zonder een gedegen onderzoek te doen naar die federatie en de wedstrijdonderdelen.
De verdachte heeft in de periode april tot en met augustus 2022 richting de medeverdachte de indruk gewekt dat hij namens de Stichting optrad.
Hij was erbij toen de medeverdachte op 6 mei 2022 het terrein van het Kasteel Geldrop voorverkende.
De verdachte heeft zich als gastheer opgesteld en hij was ervan op de hoogte dat de [naam 1] op het bezochte terrein zouden plaatsvinden. Toch heeft hij nauwelijks met anderen daarover gecommuniceerd.
De verdachte heeft in juni 2022 in samenspraak met de medeverdachte de Stichting als partij op het contract laten vermelden zonder dat in dat contract concrete afspraken stonden over veiligheid en een eventueel benodigde vergunning.
De verdachte heeft er na 28 juni 2022 niet voor gezorgd dat de voorzitter van de Stichting dan wel een ander bevoegd persoon het contract ondertekende.
Hoewel op 12 juli 2022 tijdens een overleg binnen het verband van de Stichting niet was besloten dat de Stichting de organisatie van de [naam 1] op zich zou nemen, is de verdachte er toch mee doorgegaan, terwijl hij daar geen melding van heeft gemaakt.
De verdachte heeft op verzoek van de medeverdachte hekken besteld.
Op de dag van de [naam 1] was de verdachte ter plaatse aanwezig. Hij heeft op verzoek van de medeverdachte afzetlint gespannen waarachter het publiek moest plaatsvinden op het wedstrijdveld.
De verdachte heeft zich voorafgaand aan het evenement onvoldoende op de hoogte gesteld van de noodzaak voor het doen van een melding of het aanvragen van een vergunning bij de gemeente Geldrop-Mierlo in verband met het evenement, naar zijn zeggen door er van uit te gaan dat de beheerders van het Kasteel Geldrop beschikten over een toereikende doorlopende vergunning.
Niet is komen vast te staan dat de verdachte voorafgaand aan het evenement beschikte over een bijzondere ervaring met of deskundigheid bij het organiseren van evenementen, zoals de [naam 1] of soortgelijke wedstrijden of demonstraties. Daarmee verschilt deze zaak van de door de officier aangehaalde kwestie in het arrest van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 23 mei 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:4675). De verdachte is afgegaan en heeft naar het oordeel van de rechtbank ook kunnen vertrouwen op de deskundigheid van de medeverdachte, in het bijzonder wat betreft de risico’s bij het hamerslingeren. De medeverdachte was immers al vele jaren bekend met dit soort evenementen, met name ook als atleet/deelnemer. De medeverdachte heeft het terrein van te voren gezien in bijzijn van de verdachte en de voorzitter van de Stichting. Onvoldoende is komen vast te staan dat de medeverdachte de verdachte bij de bezichtiging op 6 mei 2022 of daarna heeft gewezen op veiligheidsrisico’s in de tuin achter de heg grenzend aan het terrein waarop het evenement heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft op verzoek van en in overleg met de medeverdachte de hekken besteld en heeft de medeverdachte gevraagd om een bevestiging of de hekken goed waren. Zowel wat betreft de ligging van het terrein als de veiligheidsmaatregelen in relatie tot deze ligging heeft de verdachte dus het nodige gedaan, zij het dat hij volledig heeft vertrouwd op de deskundigheid van de medeverdachte.
Dan resteert het verzuim om een melding te doen of een vergunning aan te vragen. In de raadsinformatiebrief van 8 november 2022 aan de gemeenteraad van de gemeente Geldrop- Mierlo is aangegeven dat de informatie op de gemeentelijke website ruimte laat voor interpretatie of een evenement vergunningplichtig is. Het is in ieder geval wel meldingplichtig. Hoewel het op de weg van de verdachte had gelegen om het evenement in ieder geval te melden bij de gemeente Geldrop-Mierlo, neemt de rechtbank ook in aanmerking dat derden (de beheerders van het kasteel Geldrop, de ambtenaren van de gemeente Geldrop-Mierlo die op de vergadering van 12 juli 2022 aanwezig waren of de overige deelnemers) de verdachte niet hebben gewezen op de meldingplicht. Of, zoals in de raadsinformatiebrief wordt aangegeven, degenen die in de voorbereidingsfase op de hoogte waren van het evenement geen rol hebben in de processen rondom melden en vergunningverlening, heeft de rechtbank niet kunnen beoordelen. Het enkele verzuim om het evenement te melden is niet zodanig ernstig dat het handelen van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig is aan te merken. Dit geldt ook voor het jegens de medeverdachte wekken van de indruk dat hij namens de Stichting optrad.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte onzorgvuldig heeft gehandeld. De verwijten die hem kunnen worden gemaakt zijn echter niet zo ernstig dat zijn handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
De beschuldiging is niet bewezen.
De rechtbank spreekt de verdachte daarvan dus vrij.
7. Vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partijen [de vrouw] (echtgenote van het overleden slachtoffer), [dochter] (dochter) en [zoon] (zoon) hebben gevorderd dat de verdachte de materiële en/of immateriële schade moet vergoeden die hij met het strafbare feit bij hen heeft veroorzaakt, met de wettelijke rente.
Omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van (medeplegen van) dood door schuld, wordt de verdachte juridisch gezien niet verantwoordelijk gehouden voor de dood van de echtgenoot en vader van de benadeelde partijen. De verdachte is niet aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. De benadeelde partijen zullen daarom allen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partijen en de verdachte dienen ieder hun eigen proceskosten te betalen.
8. Beslissingen
De rechtbank:
vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking en beslist als volgt.
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de vrouw] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [dochter] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [zoon] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
en mrs. M.J.H.M. Verhoeven en A.A. Bloemberg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.
Mr. A.A. Bloemberg is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.