RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.322665.24
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2011 1] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1 hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch openlijk, te weten, op/aan de Oude Dijk en/of de Torenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door voornoemde [slachtoffer 1] - meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de rug, althans het lichaam, te slaan/stompen, - meermalen, althans eenmaal, op/tegen de rug, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of - met een kettingslot, althans een zwaar en/of hard voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] - meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de rug, althans het lichaam, te slaan/stompen, - meermalen, althans eenmaal, op/tegen de rug, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of - met een kettingslot, althans een zwaar en/of hard voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan;
2 hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch openlijk, te weten, op/aan de Harry Coppensstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door voornoemde [slachtoffer 2] - meermalen, althans eenmaal, met een kettingslot, althans een zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan en/of - meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht/het hoofd, althans het lichaam, te spugen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met een kettingslot, althans een zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan;
3 hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch openlijk, te weten, op/aan het Bevrijdingspad, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door voornoemde [slachtoffer 3] - een harde duw tegen de schouder te geven, - van achteren vast te pakken en/of vast te klemmen, - tegen het been en/of de heup, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of - een krachtige duw in/tegen het gezicht te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 3] - een harde duw tegen de schouder te geven, - van achteren vast te pakken en/of vast te klemmen, - tegen het been en/of de heup, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of - een krachtige duw in/tegen het gezicht te geven;
4 hij op of omstreeks 17 september 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten op/aan de Arena, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] , door voornoemde [slachtoffer 4] (in de Albert Heijn) - te duwen, - te tackelen, (bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys) - meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan/stompen en/of - meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een dikke neus, krassen op de (boven)arm en/of blauwe plekken op de (boven)arm, voor voornoemde [slachtoffer 4] ten gevolge heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 september 2024 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer 4] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 4] (bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys) - meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan/stompen en/of - meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen;
5 hij op of omstreeks 17 september 2024 te 's-Hertogenbosch openlijk, te weten op/aan de Arena, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] , door voornoemde [slachtoffer 5] (in de Albert Heijn) - te laten struikelen, - op/tegen de nek te slaan en/of (bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys) - meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 september 2024 te ’s-Hertogenbosch [slachtoffer 5] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 5] (bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys) meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen;
6 hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten op/aan de Baden Powellstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 6] , door voornoemde [slachtoffer 6] - bij de nek vast te pakken, - meermalen, althans eenmaal, knietjes in de rug te geven, - in/tegen de buik te schoppen en/of - in het gezicht te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch [slachtoffer 6] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 6] - bij de nek vast te pakken en/of - in het gezicht te slaan;
7 hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een mobiele telefoon (iPhone 11) en/of een (ING) bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - voornoemde [slachtoffer 8] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen, - voornoemde [slachtoffer 8] in/tegen de buik te slaan/stompen, - voornoemde [slachtoffer 8] om de buik vast te pakken en/of - de mobiele telefoon en/of de bankpas (die achter de mobiele telefoon zat) met kracht uit de handen van voornoemde [slachtoffer 8] te trekken;
8 hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van € 1,74, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen bankpas tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, door een buskaart t.w.v. €1,74 met de gestolen bankpas te kopen;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de onder 1 tot en met 6 primair ten laste gelegde openlijke geweldplegingen en de onder 7 ten laste gelegde diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 8 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte deze feiten heeft bekend en dat deze feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van het slaan met het kettingslot ten aanzien van feit 1.
Voor wat betreft de feiten 6 en 7 heeft verdachte, aldus de raadsman, iets vager verklaard, maar is er voldoende bewijs voor medeplegen.
Ten aanzien van feit 8 heeft de raadsman vrijspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak ten aanzien van feit 8.
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat feit 8 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Verdachte en medeverdachte wijzen elkaar aan als de persoon die de bankpas heeft gebruikt in de bus, waardoor een geldbedrag € 1,74 is afgeschreven van de bankrekening van benadeelde. Deze verklaringen vinden geen steun in andere bewijsmiddelen.
Omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest, die de bankpas heeft gebruikt, zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.
De bewijsmiddelen.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bewijsoverwegingen.
Ten aanzien van feit 1:
De rechtbank acht, anders dan de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) ook met een kettingslot is geslagen.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment iets van ijzer in zijn rug voelde. Het voelde veel harder dan de andere klappen en hij had er, toen hij de volgende dag aangifte deed, nog steeds veel last van.
Van zijn vriend [getuige 1] hoorde hij dat hij met het slot van de fatbike was geslagen.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat persoon 1 (de rechtbank begrijpt dat daarmee wordt bedoeld, verdachte) de ketting/het kettingslot voor zich hield en bleef herhalen: "Wat wil jij doen dan”. Daarna fietsten [slachtoffer 1] en [getuige 1] weg en is, zo begrijpt de rechtbank, [slachtoffer 1] met het kettingslot op zijn rug geslagen.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen de onder 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging, waaronder ook het op de rug slaan met een kettingslot,
wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 6.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij ter plaatse aanwezig was. Uit de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 2] , die heeft verklaard dat hij verdachte een jongen zag slaan, blijkt dat verdachte een voldoende wezenlijk en significant aandeel heeft gehad in het tegen [slachtoffer 6] gepleegde geweld. Daarmee acht de rechtbank de onder 6 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
1 primair:
Op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de in de bewijsbijlage opgesomde (feiten 2, 3, 4 en 5) en uitgewerkte (feiten 1, 6 en 7) bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
op 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch openlijk, op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door voornoemde [slachtoffer 1] - meermalen in/op/tegen het gezicht en/of de rug, te slaan/stompen, - meermalen, op/tegen de rug, te trappen/schoppen en - met een kettingslot, op/tegen de rug te slaan;
2 primair: op 6 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch openlijk, op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door voornoemde [slachtoffer 2] - meermalen met een kettingslot, althans een zwaar voorwerp, op/tegen de rug te slaan en - meermalen in/op/tegen het hoofd te spugen;
3 primair: op 7 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch openlijk, op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door voornoemde [slachtoffer 3] - een harde duw tegen de schouder te geven, - van achteren vast te pakken en/of vast te klemmen, - tegen het been en/of de heup, te trappen en - een krachtige duw in/tegen het gezicht te geven;
4 primair: op 17 september 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten aan de Arena, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] , door voornoemde [slachtoffer 4] (in de Albert Heijn) - te duwen, - te tackelen, (bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys) - meermalen tegen het lichaam te slaan/stompen en - meermalen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een dikke neus, krassen op de bovenarm en blauwe plekken op de bovenarm, voor voornoemde [slachtoffer 4] ten gevolge heeft gehad;
5 primair: op 17 september 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten aan de Arena, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] , door voornoemde [slachtoffer 5] (in de Albert Heijn) - te laten struikelen, - op/tegen de nek te slaan en (bovenaan de roltrap/ter hoogte van Intertoys) - meermalen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen;
6 primair: op 1 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 6] , door voornoemde [slachtoffer 6] - bij de nek vast te pakken, - meermalen knietjes in de rug te geven, - in/tegen de buik te schoppen en
- in het gezicht te slaan;
7 op 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander, een mobiele telefoon (iPhone 11) en een (ING) bankpas, in elk geval enig goed, die aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door - voornoemde [slachtoffer 8] meermalen, in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen, - voornoemde [slachtoffer 8] in/tegen de buik te slaan/stompen, - voornoemde [slachtoffer 8] om de buik vast te pakken en - de mobiele telefoon en de bankpas (die achter de mobiele telefoon zat) met kracht uit de handen van voornoemde [slachtoffer 8] te trekken;
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft een werkstraf van 120 uren gevorderd met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een jeugddetentie gevorderd van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en daarnaast nog als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de minderjarige slachtoffers, vermeld in de tenlastelegging.
De officier van justitie heeft verder gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de voorlopige hechtenis, die al is geschorst, op te heffen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht te volstaan met een (deels) voorwaardelijke werkstraf met de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de officier van justitie zijn geëist.
Gezien de jonge leeftijd van verdachte en het intensieve traject, dat verdachte al heeft doorlopen en de intensieve begeleiding en/of behandeling die nog gaat komen, vindt de raadsman dat met een (deels) voorwaardelijke werkstraf kan worden volstaan.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van nog geen maand schuldig gemaakt aan zes openlijke geweldplegingen en een straatroof.
Verdachte heeft met medeverdachte(n) willekeurige, jonge kinderen op straat of op speelveldjes benaderd en hen zonder aanleiding geïntimideerd en mishandeld, waarbij onder meer is geslagen en/of geschopt en/of knietjes zijn gegeven en/of is geslagen met een kettingslot. Een aantal slachtoffers is door verdachte en de medeverdachte achtervolgd en/of vernederd, waarbij bij één van de slachtoffers de suggestie is gewekt dat er filmopnames van het incident zijn gemaakt.
Het geweld en de bedreigingen door verdachte en de medeverdachte(n) hebben een enorme impact gehad op de jonge slachtoffers. De slachtoffers waren, zo blijkt uit de aangiftes en uit een aantal slachtofferverklaringen, heel erg bang. Voor een aantal jonge slachtoffers geldt dat het incident nog steeds negatieve invloed heeft op hun dagelijkse leven, zo is hun gevoel van veiligheid (nog steeds) ingrijpend aangetast en durven sommigen niet meer buiten te spelen.
Van deze incidenten waren ook anderen, waaronder kinderen, getuige.
Dat zij daarvan getuige zijn geweest, moet heel heftig voor hen zijn geweest.
Naast voornoemde feiten heeft verdachte, met een ander, een jongen beroofd van een telefoon en een bankpas. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij met zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en bij hem gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt. Bovendien heeft verdachte geen respect getoond voor de eigendommen van een ander
De persoon van verdachte
Uit het advies van de Raad van 2 februari 2026 en de daarop gegeven toelichting van de deskundigen, blijkt dat de kans op herhaling aanwezig is. Verdachte scoort op Algemeen Recidive Risico heel hoog. Er zijn zorgen op meerdere gebieden.
Gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte positieve stapjes gezet. De Raad vindt een deels voorwaardelijke werkstraf passend.
De Raad ziet dat er sprake is van vaardigheidstekorten en acht langdurige begeleiding geïndiceerd.
De Raad adviseert als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – op te leggen, een meldplicht bij William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, het behouden van een dagbesteding en het meewerken aan hulpverlening die door de jeugdreclassering nodig wordt geacht.
De rechtbank zal bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van verdachte onder strenge voorwaarden, waaronder huisarrest, is geschorst en dat verdachte zich heeft moeten houden aan een strak kader. Niet is gebleken dat verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.
De rechtbank weegt verder het voordeel van de verdachte mee de positieve houding van verdachte bij de politie en ter terechtzitting. Hij heeft laten zien te kunnen reflecteren op zijn gedrag, in te zien dat hij de slachtoffers leed heeft toegebracht en spijt betuigd. Verdachte komt bij de rechtbank open en oprecht over.
De straf
De rechtbank heeft voor het bepalen van de straf gelet op de oriëntatiepunten voor minderjarigen die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld.
Gelet op de hoeveelheid en de ernst van de feiten acht de rechtbank een jeugddetentie van drie maanden op zijn plaats. Om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen, zal deze jeugddetentie geheel voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Gelet op de rapportage en verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting waaruit volgt dat verdachte gebaat is bij een strak kader, zullen aan deze voorwaardelijke staf de door de Raad geadviseerde voorwaarden worden verbonden. Daarnaast acht de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.
De rechtbank vindt daarnaast werkstraf, van tachtig uren passend en geboden. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient in mindering te worden gebracht op deze straf, waarbij de rechtbank 1 dag waardeert op 2 uur te verrichten arbeid.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Dadelijke uitvoerbaarheid.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven, die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen.
Verdachte heeft meerdere willekeurige personen benaderd en zonder aanleiding geslagen en geschopt, waarbij ook met een kettingslot is geslagen.
De Raad schat het recidive risico als hoog in. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder begeleiding wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak dan ook te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is aangevangen op 8 oktober 2024, het moment van inverzekeringstelling.
De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn van 16 maanden met betrekking tot jeugdigen op het moment van de einduitspraak, op 23 maart 2026, is overschreden met ongeveer anderhalve maand.
Het gaat hier om een geringe overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft in de periode na de schorsing kunnen laten zien dat er geen delicten zijn gepleegd en dat er vooruitgang is geboekt, hetgeen ook positief is meegewogen voor verdachte. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 1.000,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade, die de benadeelde heeft geleden als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering ten laste van de ouders van verdachte bepleit, met wettelijke rente.
Gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het feit, namelijk jonger dan 14 jaar, heeft de officier van justitie geen schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen, omdat niet kan worden bewezen dat er met een kettingslot is geslagen en de gestelde psychische en emotionele schade onvoldoende is onderbouwd.
De raadsman heeft verder verzocht het toe te wijzen bedrag niet hoofdelijk op te leggen, maar de helft toe te wijzen ten aanzien van deze verdachte en de andere helft ten aanzien van de medeverdachte.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Voor wat betreft de vergoeding voor geleden immateriële schade geldt dat schade kan worden toegewezen op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW: aantasting van de persoon op andere wijze.
Volgens vaste rechtspraak is van een dergelijke aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
De benadeelde partij heeft in de onderbouwing naar voren gebracht dat het gebeurde een grote impact op hem heeft gehad en ook nog steeds heeft. Benadeelde ondervindt nog steeds paniekaanvallen, vermijdingsgedrag en heeft een aanzienlijk verminderd gevoel van veiligheid in het dagelijkse leven.
De benadeelde is op meerdere plekken door verdachte en medeverdachte achterna gezeten, geïntimideerd en mishandeld, waarbij ook nog met een kettingslot op zijn rug is geslagen.
Daarbij weegt de rechtbank in het bijzonder mee het feit dat de benadeelde heeft geprobeerd te ontkomen aan het geweld door verdachte en de medeverdachte maar dat dit steeds niet lukte omdat verdachte en zijn mededader hem bleven achtervolgen en hij uiteindelijk op vier verschillende locaties met het geweld van verdachte en de mededader werd geconfronteerd. Dit moet voor de jonge benadeelde bijzonder beangstigend zijn geweest.
Verdachte heeft door zijn handelen het jonge slachtoffer enorme schrik aangejaagd.
De rechtbank overweegt dat concrete gegevens over de aard van de psychische schade bij de benadeelde partij ontbreken, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld.
De rechtbank is echter van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan met zich brengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.
De aard, de ernst en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd, maakt dat de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststelt op € 1.000,--.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit, tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft gepleegd. De rechtbank zal de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar het toe te wijzen bedrag pondspondsgewijs verdelen over de verdachte en de medeverdachte,
Dit betekent dat een bedrag van € 500,-- ten aanzien van deze verdachte zal worden toegewezen en een bedrag van € 500,-- in de zaak van de medeverdachte zal worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts bepalen dat het te vergoeden schadebedrag van € 500,-- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024.
De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Schadevergoeding bij verdachte onder de 14 jaar.
De vordering van de benadeelde partij heeft betrekking op een gedraging van een verdachte die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. De gedraging van de verdachte kan wel worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, en als de verdachte veertien jaar of ouder zou zijn geweest, zou die hem ook worden toegerekend. In verband met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit wordt de vordering echter, ingevolge artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, geacht te zijn ingediend tegen de ouders van de verdachte.
De ouders van verdachte worden daarom veroordeeld om € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen aan de benadeelde partij.
Proceskosten
De ouders van de verdachte worden ook veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast worden de ouders van de verdacht veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 550,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade, die de benadeelde heeft geleden als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering ten laste van de ouders van verdachte bepleit, met wettelijke rente.
Gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het feit, namelijk jonger dan 14 jaar, heeft de officier van justitie geen schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de raadsman verzocht het toe te wijzen bedrag niet hoofdelijk op te leggen, maar de helft toe te wijzen ten aanzien van deze verdachte en de andere helft ten aanzien van de medeverdachte.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon zodat aan de benadeelde door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
De aard, de ernst en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd, maakt dat de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststelt op € 550,--.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit, tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft gepleegd. De rechtbank zal de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar het toe te wijzen bedrag pondspondsgewijs verdelen over de verdachte en de medeverdachte,
Dit betekent dat een bedrag van € 275,-- ten aanzien van deze verdachte zal worden toegewezen en een bedrag van € 275,-- in de zaak van de medeverdachte zal worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts bepalen dat het te vergoeden schadebedrag van € 275,-- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024.
De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Schadevergoeding bij verdachte onder de 14 jaar.
De vordering van de benadeelde partij heeft betrekking op een gedraging van een verdachte die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. De gedraging van de verdachte kan wel worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, en als de verdachte veertien jaar of ouder zou zijn geweest, zou die hem ook worden toegerekend. In verband met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit wordt de vordering echter, ingevolge artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, geacht te zijn ingediend tegen de ouders van de verdachte.
De ouders van verdachte worden daarom veroordeeld om € 275,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen aan de benadeelde partij.
Proceskosten
De ouders van de verdachte worden ook veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast worden de ouders van de verdacht veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Geen schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partijen is telkens verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel kan echter alleen worden opgelegd indien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Aangezien de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt, is de verdachte niet aansprakelijk voor de schade en kan er geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 8 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
verklaart het ten laste gelegde onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 telkens primair en onder 7 bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Feit 1 primair:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Feit 2 primair:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Feit 3 primair:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Feit 4 primair:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Feit 5 primair:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Feit 6 primair:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Feit 7:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair, feit 6 primair, feit 7:
Een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur te verrichten arbeid.
Een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat veroordeelde zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling (WSJJ) te bepalen tijdstippen zal melden zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan het behouden van een dagbesteding;
3. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan de hulpverlening die door de jeugdreclassering nodig wordt geacht, zoals ambulante begeleiding zoals Self of soortgelijke organisatie, emotie-regulatiebehandeling zoals PMT of overige, diagnostiek en eventuele voortvloeiende behandeling;
4.
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de slachtoffers in deze zaak, te weten:
- [slachtoffer 1] , geboren op [2010] ;
- [slachtoffer 2] , geboren op [2009] ;
- [slachtoffer 3] , geboren op [2011 2] ;
- [slachtoffer 4] , geboren op [2011 3] ;
- [slachtoffer 5] , geboren op [2011 4] ;
- [slachtoffer 6] , geboren op [2012] ;
- [slachtoffer 8] , geboren op [2011 5] ;
Geeft aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en jeugdreclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden hiervoor genoemd onder 1, 2 en 3 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 77za Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is met ingang van 11 oktober 2024 geschorst.
Ten aanzien van feit 1:
Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de ouders van verdachte (te weten: [vader] en [moeder] ) mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 500,--, te weten immateriële schadevergoeding.
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 5 oktober 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Wijst de vordering voor het overige af, nu dit deel van de vordering door medeverdachte moet worden voldaan.
Ten aanzien van feit 3:
Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] .
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de ouders van verdachte (te weten: [vader] en [moeder] ) mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van een bedrag van EUR 275,-- , te weten immateriële schadevergoeding.
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 7 oktober 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Wijst de vordering voor het overige af, nu dit deel van de vordering door de ouders van medeverdachte moet worden voldaan.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,
in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,
en is uitgesproken op 23 maart 2026.