RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.191675.25 en 01.217938.25 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [vestigingsplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september 2025, 17 december 2025 en 12 maart 2026.
Op de zitting van 12 maart 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlasteleggingen.
De zaak met parketnummer: 01.191675.25.
Deze zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 augustus 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, in de nek/hals, althans het hoofd, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, in de nek/hals, althans het hoofd, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
De zaak met parketnummer: 01.217938.25.
Deze zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Eindhoven opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten op het balkon van zijn woning aan het [adres 2] , terwijl een persoon, te weten [slachtoffer 2] , daarbij zijns ondanks tegenwoordig was, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten wrijven over zijn kruis en/of het uit zijn broek halen van zijn penis en/of naar zijn penis kijken;
(art 254b Wetboek van Strafrecht)
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich, conform het overgelegde op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de onder parketnummer 01.191675.25 (primair) ten laste gelegde poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Door met een stanleymes, in een dynamische situatie, een steek- of snijbeweging te maken waarbij de nek/hals van het slachtoffer wordt geraakt, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op de dood van het slachtoffer. Gelet op het voorgaande is sprake van voorwaardelijk opzet. Ten aanzien van de onder parketnummer 01.217938.25 ten laste gelegde schennispleging, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen, nu er in het dossier naast de aangifte van het slachtoffer onvoldoende steunbewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft, conform de overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder parketnummer 01.191675.25 ten laste gelegde poging tot doodslag wegens het ontbreken van iedere vorm van opzet. Aan het aannemen van opzet staat in de weg dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens waardoor het feit niet aan hem kan worden toegerekend. Verder is gewezen op de verklaringen van verdachte alsmede zijn uitlatingen tegenover de deskundigen zoals opgenomen in de pro justitia rapportages, waaruit volgt dat het niet zijn bedoeling was het slachtoffer iets aan te doen, althans die kans heeft hij nooit bewust aanvaard. Nu er te weinig bekend is over de omstandigheden waaronder verdachte het slachtoffer in zijn nek/hals gestoken heeft, kan ook niet zonder meer aangenomen worden dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Bovendien is gewezen op de inhoud van de pro justitia rapportages waaruit volgt dat verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf wilde beschermen omdat hij het idee had dat het slachtoffer en zijn vrienden hem iets aan wilden doen. In dit verband is aangevoerd dat er mogelijk sprake is van een soort van putatief noodweer dat vanuit de psychose verklaard kan worden. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder parketnummer 01.191675.25 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van de onder parketnummer 01.217938.25 ten laste gelegde schennispleging heeft de verdediging zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie, inhoudende dat hiervoor vrijspraak dient te volgen.
Het oordeel van de rechtbank.
T.a.v. parketnummer: 01.191675.25, primair:
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hoeft ontoerekenbaarheid niet in de weg te staan aan het aannemen van opzet. Ook wanneer er sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens kan er sprake zijn van opzettelijk handelen. Het gaat hierbij om de vraag of de verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke vorm, om het gevolg te veroorzaken, ongeacht zijn of haar psychische toestand. Dat is slechts niet het geval wanneer is voldaan aan het inzichtcriterium: als bij verdachte een zodanig ernstig geestelijke afwijking aanwezig is, dat moet worden aangenomen dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken (HR 22 juli 1963, NJ 1968/217). Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake.
Bij de beoordeling van de vraag of in de onderhavige zaak voldaan is aan het inzichtcriterium overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft drie dagen na het incident bij de politie een inhoudelijke verklaring afgelegd. Hoewel verdachte zich niet alles kon herinneren, heeft hij verklaard over het steekincident op 22 juni 2025 en de aanleiding daarvan. Zo verklaarde hij bij de politie dat hij op donderdag twee lijnen speed had gebruikt en dat hij daardoor van donderdag tot en met zondag niet had geslapen. Verder verklaarde hij dat hij het stanleymes in zijn broekzak voelde zitten voordat hij naar de binnenstad reed en dat hij het slachtoffer en zijn twee vrienden tegen kwam in de binnenstad ter hoogte van de bioscoop. Zij liepen met zijn drieën op de stoep. Ze liepen aan de linkerkant van verdachte en verdachte herkende hen voordat hij hen passeerde. Verdachte zag ook dat hij door hen herkend werd. Verdachte verklaarde verder dat hij zich niet goed voelde, zich verkeerde dingen in zijn hoofd haalde en dat hij een steekbeweging heeft gemaakt nadat hij dacht dat er iets gezegd of geroepen werd. Hij heeft deze steekbeweging ook een aantal keer uitgebeeld in zijn verhoor bij de politie. Ook verklaarde hij dat hij zichzelf wel tien keer had aangesproken het niet te doen. De pro justitia rapportages geven er blijk van dat verdachte ook tegenover de deskundigen heeft verklaard over wat er die nacht gebeurd is. Voor de rechtbank staat hiermee vast dat het verdachte niet heeft ontbroken aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Op zijn minst genomen was er in ieder geval enig inzicht. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de psychische toestand van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet in de weg staat aan het aannemen van opzet.
Met de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank geen aanwijzingen in het dossier dat verdachte ‘vol’ opzet had op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Zij overweegt daartoe als volgt.
Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven hebben geroepen en verdachte het risico op het intreden van deze gevolgen ook bewust heeft aanvaard. Het antwoord op de vraag of een kans aanmerkelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.
Op grond van de inhoud van de - in de bijlage opgenomen - bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die op 22 juni 2025 met een stanleymes in de nek/hals, vlak onder de kaaklijn, van het slachtoffer heeft gesneden of gestoken. Uit de medische informatie volgt dat het gaat om een snijwond van 3 centimeter. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de nek/hals vitale onderdelen van het lichaam bevinden, zoals de halsslagader, zenuwbanen en de luchtpijp. Verdachte heeft door zijn handelen dan ook een aanmerkelijke kans op de dood van slachtoffer in het leven geroepen en deze - naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging door hem met een Stanleymes in zijn nek/hals te snijden/steken - ook bewust aanvaard. De rechtbank acht, gelet daarop, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van het slachtoffer, zoals primair ten laste gelegd.
De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.
T.a.v. parketnummer: 01.217938.25:
Op grond van de inhoud van de - in de bijlage opgenomen - bewijsmiddelen acht de rechtbank daarnaast wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan schennispleging, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01.217938.25.
De door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van dit feit merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
T.a.v. parketnummer: 01.191675.25, primair:
op 22 juni 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes in de nek/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
T.a.v. parketnummer: 01.217938.25:
op 16 juni 2025 te Eindhoven opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten op het balkon van zijn woning aan het [adres 2] , terwijl een persoon, te weten [slachtoffer 2] , daarbij zijns ondanks tegenwoordig was, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten wrijven over zijn kruis en het uit zijn broek halen van zijn penis en naar zijn penis kijken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat het onder parketnummer 01.191675.25 (primair) ten laste gelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat verdachte om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
In het Nederlandse strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door hem of haar gepleegde strafbare feiten. Een strafbaar feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. Dat is anders wanneer vanwege een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens de dader het begaan van het strafbare feit niet kan worden toegerekend.
Bij de beoordeling of verdachte strafbaar is, heeft de rechtbank acht geslagen op het volgende. Verdachte is onderzocht door een psychiater en psycholoog die beiden een onderzoeksrapport over verdachte hebben opgesteld. In dit verband wijst de rechtbank op de pro justitia rapportages van 21 januari 2026 van psychiater Dinjens en van 22 januari 2026 van psycholoog Geurkink, zoals opgemaakt in de zaak met parketnummer 01.191675.25. De rechtbank overweegt dat uit beide rapportages volgt dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed. Uit beide rapportages volgt dat de problematiek van verdachte doorwerkte in het bewezenverklaarde. Het vereiste causale verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de stoornis kan worden vastgesteld. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren dan ook het bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer 01.191675.25 niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en acht dan ook aannemelijk dat er bij verdachte ten tijde van het door hem gepleegde delict op 22 juni 2025 sprake was van een stoornis van de geestvermogens, waardoor het door hem gepleegde delict in de zaak met parketnummer 01.191675.25, te weten de poging tot doodslag, niet aan hem kan worden toegerekend.
Voorts overweegt de rechtbank dat uit voornoemde rapportages volgt dat het al langere tijd niet goed ging met verdachte. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij drugs heeft gebruikt in de week voorafgaand aan het incident op 22 juni 2025. Gelet op het voorgaande alsmede de voorgeschiedenis van de problematiek van verdachte, zoals naar voren is gekomen in voornoemde rapportages van de deskundigen, acht de rechtbank aannemelijk dat ook sprake was van een stoornis van de geestvermogens op 16 juni 2025, derhalve ten tijde van het delict zoals ten laste gelegd en bewezenverklaard in de zaak met parketnummer 01.217938.25 (schennispleging).
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat beide bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Zij zal verdachte daarom ter zake van beide feiten ontslaan van alle rechtsvervolging.
Zoals hiervoor omschreven, onder het standpunt van de verdediging ten aanzien van het bewijs, heeft de verdediging aangevoerd dat mogelijk sprake is geweest van een soort van putatief noodweer dat vanuit de psychose verklaard kan worden. Voor zover de verdediging bedoeld heeft - tevens - een beroep op putatief noodweer te doen, overweegt de rechtbank dat zij het aangevoerde - gelet op de enkele stelling en het ontbreken van een nadere toelichting en onderbouwing - niet heeft opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359, tweede lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Oplegging van maatregelen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, conform het advies van de deskundigen, gevorderd verdachte in de zaak met parketnummer 01.191675.25 de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege op te leggen. De officier van justitie vordert oplegging van een nieuwe maatregel en geen omzetting van de huidige maatregel (tbs met voorwaarden) omdat de tbs-maatregel en de behandeling die hierin vorm gegeven wordt altijd als uitgangspunt het indexdelict heeft. In de onderhavige zaak is sprake van een ernstiger delict dan de delicten waarvoor verdachte eerder de maatregel tbs met voorwaarden opgelegd heeft gekregen. Hier zou dan ook het zwaartepunt moeten liggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de oplegging van de maatregel tbs met verpleging van overheidswege.
Het oordeel van de rechtbank.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 22 juni 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft het slachtoffer, met wie hij bevriend was, vanuit het niets, in het centrum van Eindhoven met een stanleymes in zijn nek/hals gesneden. Verdachte had een paar dagen voor het incident drugs gebruikt, terwijl het gebruik van verdovende middelen de symptomen van de bij hem vastgestelde schizofrenie versterkt. Verdachte was floride psychotisch. Door het drugsgebruik had verdachte al een aantal dagen niet geslapen en haalde hij zich verkeerde dingen in zijn hoofd. De rechtbank vindt dit ernstig en zorgwekkend. Door het handelen van verdachte, het steken in de nek/hals van het slachtoffer, had het slachtoffer het leven kunnen verliezen. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dat het slachtoffer hier ook last van heeft, volgt ook uit de door hem afgelegde slachtofferverklaring en de toelichting op de door hem ingediende vordering.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennispleging, door op 16 juni 2025 aan zijn GGZ-woonbegeleidster, op het balkon van zijn appartement, zijn geslachtsdeel te laten zien. Zij is hiermee op onaangename wijze onverhoeds geconfronteerd, terwijl zij haar werk uitvoerde, en is daar erg van geschrokken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het erg gênant is en gevoelens van angst en onveiligheid kan veroorzaken wanneer iemand geconfronteerd wordt met dergelijke handelingen die voor zijn of haar ogen worden verricht.
Oplegging van een maatregel
Zoals hiervoor is overwogen, onder het kopje strafbaarheid van de verdachte, zijn de bewezen verklaarde feiten niet aan verdachte toe te rekenen vanwege een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens ten tijde van het bewezenverklaarde. Er kan aan hem daarom geen (gevangenis)straf worden opgelegd. Wel ziet de rechtbank aanleiding een maatregel op te leggen ter zake van de onder parketnummer 01.191675.25 bewezenverklaarde poging tot doodslag. De rechtbank heeft daarbij met name rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van verdachte, waarbij in het bijzonder waarde is gehecht aan het advies van de deskundigen.
Eerdere maatregel tbs met voorwaarden
Verdachte is blijkens de hem betreffende justitiële documentatie van 2 februari 2026 eerder veroordeeld wegens (onder meer) een geweldsdelict. Verdachte is op 22 februari 2021 door deze rechtbank veroordeeld tot de maatregel tbs met voorwaarden. Deze maatregel is op 12 februari 2025 voor het laatst met een jaar verlengd. De maatregel liep nog ten tijde van het bewezenverklaarde. De voorwaardelijk opgelegde maatregel heeft verdachte er niet van weten te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Uit een extra voortgangsverslag van de reclassering, opgesteld door toezichthouders [naam 1] en [naam 2] d.d. 25 juni 2025, volgt dat de reclassering geen uitvoering meer kan geven aan het risicomanagement, omdat de huidige kaders niet afdoende blijken te zijn. In de vijf jaren dat verdachte in de tbs maatregel zat, is door de reclassering uiterst zorgvuldig gekeken en afgeschaald naar meer zelfstandigheid en minder begeleiding. Gebleken is dat verdachte de mate van zelfstandigheid niet aankon en een terugval in middelen niet kon weerstaan. De reclassering vermoedt dat dit ervoor heeft gezorgd dat verdachte is gedecompenseerd en de strafbare feiten heeft gepleegd. Met al haar inzet en betrokken hulpverleners heeft de reclassering niet kunnen zien aankomen dat verdachte overging tot zeer ernstig delictgedrag. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de maatregel tbs met voorwaarden niet meer afdoende.
Het advies van de deskundigen
Uit de pro justitia rapportages van 21 januari 2026 van psychiater Dinjens en van 22 januari 2026 van psycholoog Geurkink, zoals opgemaakt in de zaak met parketnummer 01.191675.25, volgt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en een langdurige behandeling in een klinische setting noodzakelijk wordt geacht om het recidiverisico te beteugelen. Beide deskundigen adviseren een klinische behandeling in het kader van de maatregel van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De psychiater heeft in overweging gegeven dat hierbij gedacht kan worden aan een hernieuwde tbs, dan wel een voortzetting van de huidige tbs maatregel (met voorwaarden) middels een omzetting naar verpleging van overheidswege. De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen over.
Tbs-maatregel met verpleging van overheidswege
De rechtbank overweegt dat (uitsluitend) ten aanzien van de bewezenverklaarde poging tot doodslag (parketnummer 01.191675.25) voldaan is aan de formele voorwaarden om de tbs-maatregel op te leggen. De rechtbank stelt vast dat dit feit een misdrijf betreft waar naar wettelijke omschrijving meer dan vier jaar gevangenisstraf op staat. Daarnaast blijkt uit voornoemde pro justitia rapportages dat tijdens het begaan van het feit sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Er is sprake van een hoog recidiverisico, waardoor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.
Gelet op het advies van de deskundigen, en gelet op de omstandigheid dat het huidige kader van de maatregel tbs met voorwaarden niet afdoende is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege een passende afdoening van deze zaak is. Zij zal de officier van justitie daarom volgen in haar eis.
Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:2:17, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, merkt de rechtbank op dat de nieuwe maatregel van tbs met verpleging van overheidswege de huidige maatregel van tbs met voorwaarden van rechtswege zal vervangen.
Ongemaximeerd
De maatregel wordt opgelegd wegens een poging tot doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is en een periode van vier jaar te boven kan gaan.
Beslag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen stanleymes, waarmee het feit is gepleegd, dient te worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de beslissing omtrent het inbeslaggenomen goed omdat verdachte geen belang meer heeft bij dit voorwerp.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen mes, zoals vermeld op de beslaglijst van 11 september 2025, vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met behulp van welke het feit is begaan, dit voorwerp aan verdachte toebehoort en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ex artikel 36f Sr opgelegd dient te worden.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, hoewel een bedrag aan immateriële schadevergoeding toegekend dient te worden, het gevorderde bedrag te hoog is.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij een vordering heeft ingediend ten behoeve van de vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit.
De gevorderde immateriële schadevergoeding bedraagt 1.400,00 euro en bestaat blijkens de schriftelijke toelichting op de vordering uit geestelijk letsel.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de aard en de ernst van de normschending heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van de immateriële schade.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 22 juni 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 254b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het onder parketnummer 01.191675.25 primair en het onder parketnummer 01.217938.25 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. parketnummer 01.191675.25, primair:
poging tot doodslag
T.a.v. parketnummer 01.217938.25:
opzettelijk, terwijl een persoon daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, op een niet openbare plaats handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten
Verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Legt op de volgende maatregel ten aanzien van parketnummer 01.191675.25, primair:
Gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt de verpleging van overheidswege
T.a.v. parketnummer 01.191675.25, primair:
Onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 11 september 2025, te weten:
1 STK Mes(Omschrijving: PL2100-2025137648-G2357091 / DNA-KIT 01155903. UITSCHUIFBAAR MES)
T.a.v. parketnummer 01.191675.25, primair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.400,00 euro aan immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
22 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. parketnummer 01.191675.25, primair:
Oplegging schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.400,00 euro aan immateriële schadevergoeding.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
22 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,
mr. M.L.W.M. Viering en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,
en is uitgesproken op 25 maart 2026.