RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.117809.25Uitspraakdatum: 25 maart 2026
Beslissing tussentijdse beoordeling plaatsing inrichting stelselmatige daders
Beslissing van de rechtbank Oost-Brabant naar aanleiding van een tussentijdse beoordeling van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (art. 6:6:14 Wetboek van Strafvordering) inzake:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1982] ,
thans verblijvende te: [woonplaats] .
Het onderzoek van de zaak.
Bij vonnis van deze rechtbank van 25 juli 2025 is veroordeelde de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.
Veroordeelde heeft op 6 februari 2026 verzocht om een tussentijdse beoordeling ex artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juli 2025 en
een evaluatierapportage ISD van 2 maart 2026, ondertekend door T. Lourens (sr. Casemanager ISD) en M. Hommel (plv. vestigingsdirecteur) van P.I. Achterhoek te Zutphen.
De rechtbank heeft op 11 maart 2026 de officier van justitie en de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. R. den Riet, alsmede de deskundige T. Lourens ter terechtzitting gehoord.
De beoordeling.
Uit voornoemde evaluatierapportage ISD-maatregel, blijkt onder meer het volgende:
“Het ISD-traject van dhr. [verdachte] verloopt voortvarend waarbij dhr. gemotiveerd is te werken aan zijn problematiek. Na de startfase in de ISD zijn er een aantal interventies gedaan (GRIP / IQ test) en is dhr. aangemeld voor een klinisch traject. Bij een goed verlopen klinische behandeling zal dhr. een vervolgstap kunnen maken middels begeleid/beschermd wonen om vervolgens te re-integreren. Wij adviseren de ISD-maatregel aan te houden zodat wij uitvoering kunnen geven aan het opgestelde ISD-traject”.
De deskundige T. Lourens heeft ter zitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Hij heeft verder verklaard dat veroordeelde sinds een maand in de kliniek in Heerlen verblijft en dat dit tot nu toe goed verloopt. Een klinische behandeling duurt in de meeste gevallen een jaar, echter kan dit wanneer de houding van veroordeelde daartoe aanleiding geeft, worden ingekort tot een half jaar. Veroordeelde staat nog aan het begin van zijn behandeling en te zijner tijd zal worden bezien op welke wijze veroordeelde kan uitstromen. Uitstroom naar een beschermd/begeleid wonen locatie heeft de voorkeur zodat ook na de behandeling een vinger aan de pols gehouden kan worden. Men moet nog met de gemeente in gesprek om een plek te vinden waar veroordeelde ook na het ISD-traject kan blijven wonen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman van de veroordeelde heeft aangevoerd dat veroordeelde van mening is dat het ISD-traject zo voortvarend verloopt dat het kan worden beëindigd. Veroordeelde stelt dat de behandeling goed gaat en dat hij geen zucht naar alcohol meer heeft. Zijn urinecontroles zijn ook steeds negatief. Afgezet tegen de geringe ernst van de feiten dient de maatregel in de visie van de verdediging te worden beëindigd nu deze niet langer noodzakelijk is voor de bescherming van de maatschappij. Bovendien valt veroordeelde bij beëindiging van de maatregel terug op een voorwaardelijke ISD-maatregel die hem in een andere zaak is opgelegd en zou hij kunnen verblijven op het adres van zijn vader.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen beëindiging van de ISD-maatregel en daarbij opgemerkt dat veroordeelde weliswaar positieve stappen heeft gezet maar nog aan het begin van zijn behandeling staat. De eerder opgelegde voorwaardelijke ISD is niet voldoende gebleken, reden waarom hem nadien deze onvoorwaardelijke ISD-maatregel is opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat vereist is dat de maatregel wordt voortgezet, nu de beëindiging van de recidive van veroordeelde en de beveiliging van de maatschappij zulks vorderen. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het vonnis van 25 februari 2025 volgt dat veroordeelde jarenlang heeft gekampt met een hardnekkige alcoholverslaving. Diverse strafrechtelijke interventies (waaronder een voorwaardelijke ISD-maatregel) hebben niet tot gedragsverandering en vermindering van recidive geleid. Alleen het strikte kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel werd nog als een mogelijkheid gezien om de verslaving het hoofd te bieden en recidive te voorkomen. De in dit (strikte) kader inmiddels ingezette klinische behandeling is pas onlangs van start gegaan. Het kost tijd om de aanwezige positieve ontwikkelingen om te zetten in duurzame gedragsverandering.
Aan het voorgaande doet niet aan af dat de maatregel is opgelegd voor feiten van een, volgens de raadsman, ‘geringe ernst’, nu de maatregel veelal juist wordt opgelegd voor dat soort feiten. De afweging of dat in het concrete geval gerechtvaardigd is, is al in het vonnis van 25 februari 2025 gemaakt.
Dat aan de veroordeelde in een andere zaak ook een voorwaardelijke ISD-maatregel is opgelegd maakt het vorenstaande niet anders, evenmin als de stelling dat hij kan verblijven op het adres van zijn vader. Die omstandigheden laten de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel immers onverlet.
De rechtbank:
beslist dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. T. Kraniotis, voorzitter,
mr. F. van Buchem en mr. S. van den Akker, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026.
mr. S. van den Akker is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.