RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.233290.22
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 maart 2026.
De vordering.
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 130.915,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De beoordeling van de vordering.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft om toewijzing van de vordering verzocht in die zin dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 130.915,88. Aan veroordeelde dient daarbij hoofdelijk een betalingsverplichting te worden opgelegd van € 46.870,38. In de kasopstelling die ten grondslag ligt aan de vordering is rekening gehouden met de aanschafwaarde van een hoeveelheid hennep. Deze partij hennep is echter in beslag genomen zodat de aanschafwaarde van de hennep in mindering gebracht dient te worden op de betalingsverplichting die aan veroordeelde wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging.
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden omdat er geen wederrechtelijk voordeel is genoten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering aanzienlijk dient te worden gematigd omdat de hennep niet van veroordeelde was en zij hiervoor niet heeft betaald. Veroordeelde en haar partner hebben bovendien aangetoond dat zij over meer contant geld konden beschikken dan uit de kasopstelling volgt.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig, want gelijktijdig met de dagvaarding in de hoofdzaak, is ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten dan wel soortgelijke feiten dan wel dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 25 maart 2026 veroordeeld voor
het medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep) en het medeplegen van het witwassen van drie personenauto’s.
Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e lid 3 Sr.
De rechtbank acht op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde daaruit wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Aan dat oordeel ligt ten grondslag dat de veroordeelde heeft beschikt over een groot bedrag aan onverklaarbaar vermogen.
Hetgeen de raadsman namens de veroordeelde heeft aangevoerd omtrent de herkomst van het vermogen acht de rechtbank op gronden zoals verwoord in het vonnis in de hoofdzaak niet aannemelijk geworden.
De berekening.
Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de eenvoudige kasopstelling die zich in het dossier bevindt. Dit betreft een berekening over de periode 1 januari 2020 tot en met 18 september 2022 waarin de beschikbare legale contante gelden worden vergeleken met de totale contante uitgaven. Indien meer contante uitgaven zijn gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbare contante gelden, dan is sprake van onverklaarbaar vermogen dat wordt verondersteld van criminele herkomst en aldus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De berekening in de eenvoudige kasopstelling is (in vereenvoudigde zin) als volgt:
Legale contante ontvangsten (inclusief bankopnamen)
Totaal geldopnames geldautomaat € 1.200,00
Totaal contante ontvangsten uit [bedrijf] € 45.170,04 +/+
€ 46.370,04
Aangetroffen contant geld in de woning € 1.035,00 -/-
Totaal € 45.335,04
Feitelijke contante uitgaven (inclusief bankstortingen)
Totaal contante stortingen € 44.075,00
Totaal contant betaalde facturen € 12.151,52
Totaal contant betaald bij aanschaf voertuigen € 23.500,00
Aanschafwaarde hennep € 84.045,50
Contante uitgaven voor kleding € 733,48
Contante uitgaven voor brandstof in 2020, 2021 en 2022 € 1.879,01
Contante uitgaven voor levensonderhoud in 2020, 2021 en 2022 € 9.866,41 +/+
Totaal € 176.250,92
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:
Legale contante ontvangsten € 45.335,04
Feitelijk contante uitgaven € 176.250,92 -/-
Totaal € 130.915,88 -/-
De rechtbank acht de kasopstelling en de daaraan ten grondslag liggende stukken in het procesdossier waarover de rechtbank de beschikking heeft gehad deugdelijk en betrouwbaar.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de rechtbank daarom berekend op € 130.915,88.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van € 84.045,50,00 als uitgaven voor de inkoop van de hennep niet moet worden meegenomen in de vaststelling van de hoogte van de betalingsverplichting.
De rechtbank zal de betalingsverplichting daarom vaststellen op € 130.915,88 minus € 84.045,50 = € 46.870,38.
Hoofdelijkheid.
Uit artikel 36e lid 7 Sr volgt dat bij de vaststelling van het ontnemingsbedrag ter zake van feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd kan worden bepaald dat deze personen hoofdelijk dan wel ieder voor een door de rechter te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. Bij het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e lid 3 moet voor de toepassing van artikel 36e lid 7 Sr tevens aannemelijk zijn dat de veroordeelden een economische eenheid vormden die het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit in onderhavige zaak het geval. Daartoe overweegt de rechtbank dat de veroordeelden een gezamenlijke huishouding voerden en hun levens in financiële zin zodanig vervlochten waren dat zij aangemerkt moet worden als ‘economische eenheid’. Omtrent genoemde vervlechting hebben de veroordeelden ter terechtzitting meermaals verklaard. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank de betalingsverplichting hoofdelijk zal opleggen.
Schending redelijke termijn
De rechtbank constateert dat, net als in de strafzaak, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf. De ontnemingszaak en de strafzaak zijn gelijktijdig behandeld, waardoor de rechtbank in deze zaak zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 130.915,88.
Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 46.870,38, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Veroordeelde is niet gehouden tot betaling van dit bedrag voor zover dit door (een van) haar mededader(s) is betaald.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 468 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. van Buchem, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. S. van den Akker, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 25 maart 2026.
mr. S. van den Akker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.