RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] te [woonplaats] ,
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eindhoven,
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/452 OWA
verzoeker,
en
het college,
(gemachtigden: mr. J. van den Boom en J. Antonise).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Eindhoven, vergunninghoudster.
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aan de gemeente Eindhoven verleende omgevingsvergunning voor het kappen van 46 bomen aan de Limburglaan in Eindhoven. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. De gemeente Eindhoven heeft een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van 46 bomen aan de Limburglaan in Eindhoven. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2025 toegewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij e-mail van 10 februari 2026 heeft het college aangegeven dat de kap van de bomen aan de Limburglaan staat gepland van 11-13 maart 2026.
Bij mail van 26 februari 2026 heeft het college aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat geen gebruik zal worden gemaakt van de verleende kapvergunning totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 17 maart 2026 heeft verzoeker een reactie gegeven op het verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Feiten
- Op 15 december 2020 heeft de raad van de gemeente Eindhoven het “Maatregelenpakket bereikbaarheid De Run” vastgesteld om bedrijventerrein "De Run" in Veldhoven bereikbaar te houden. Het maatregelenpakket beoogt de bereikbaarheid van "De Run" te vergroten door fietsverkeer te stimuleren, onder meer door de aanleg van een fietsverbinding tussen het bedrijventerrein in Veldhoven en de High Tech Campus in Eindhoven
- Op 2 juli 2025 is het “Participatieplan Onderdoorgang Limburglaan Eindhoven” opgesteld.
- Op 9 september 2025 heeft een Bomen Effect Analyse (BEA) door id verde Bomendienst plaatsgevonden.
- Op 13 oktober 2025 heeft TAUW B.V. namens de gemeente Eindhoven een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “kappen” van 46 bomen aan de Limburglaan ongenummerd in Eindhoven.
- Op 17 oktober 2025 heeft id Verde Bomendienst een “Compensatieplan Limburglaan Eindhoven” opgesteld.
- Op 12 november 2025 heeft Trefpunt Groen Eindhoven (TGE) een negatief kapadvies uitgebracht over de voorgenomen kap van 46 bomen.
- Op 3 december 2025 is een ambtelijk memo door een senior projectmanager uitgebracht betreffende advies kappen van 46 bomen. Voor afsluiting van de Limburglaan voor de aanleg van het gesloten deel van de Limburglaan is een slot verleend van 10 t/m 31 juli 2026. Om dit slot te halen moeten de bomen in het huidige kapseizoen worden verwijderd. Hierdoor is onvoldoende tijd om het ontwerp voor vergunningverlening nog aan te passen.
- Op 19 december 2025 heeft de Afdeling Groen van de gemeente aangegeven akkoord te gaan met het realiseren van een fietstunnel op voorwaarde dat (1.) er een tijdelijke storting ter waarde van € 206.800,- in het bomencompensatiefonds wordt gedaan en (2.) dat het compensatieplan nader wordt uitgewerkt in samenwerking met TGE. Het huidige compensatieplan is onvoldoende.
- Bij primair besluit van 23 december 2025, verzonden 24 december 2025, heeft het college een omgevingsvergunning voor kap verleend. In de omgevingsvergunning is aangegeven dat deze in werking treedt vier weken na de dag van verzenddatum van dit besluit.
- Tegen dit besluit heeft verzoeker bij schrijven van 9 februari 2026 bezwaar gemaakt.
- Bij besluit, verzonden 17 februari 2026, heeft GS aan de gemeente Eindhoven een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet verleend voor de activiteit flora- en fauna voor de gevolgen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten (gewone dwergvleermuis) vanwege de kap van 52 bomen ten behoeve van de realisatie van een fiets- en voetgangerstunnel.
- Op 12 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
- Op 17 maart 2026 heeft de Commissie voor bezwaarschriften advies aan het college uitgebracht.
Spoedeisend belang
4. Het college heeft aanvankelijk aangegeven dat geen gebruik zal worden gemaakt van de verleende kapvergunning totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
Ter zitting is aangegeven dat door de gemeente niet zal worden overgegaan tot kap totdat een besluit op bezwaar is genomen. Het college is voornemens het advies van de Commissie te volgen. Naar verwachting zal daarom dit besluit op zeer korte termijn worden genomen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij de beoordeling nu met de kap sprake is van een zogeheten onomkeerbare activiteit.
Het college gaat weliswaar over tot kap ná het (op korte termijn) nemen van het besluit op bezwaar, maar dit neemt niet weg dat een inhoudelijk oordeel in deze zaak van invloed kan zijn voor de beoordeling van een eventueel nieuw verzoek tegen het alsdan genomen besluit op bezwaar.
Dit betekent dat het verzoek hierna inhoudelijk zal worden beoordeeld. Daarbij zal eerst worden ingegaan op de formele grieven van verzoeker en vervolgens op hetgeen is aangevoerd betreffende de vraag of -voor het verlenen van de omgevingsvergunning- is voldaan aan de “Verordening bomen 2024” en de “Nadere regels compensatieplicht Verordening bomen 2024”.
Zienswijze/participatie
5. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om (ook) een zienswijze in te dienen tegen het plan tot kap. Daarom is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.
Tevens is de “Verordening Inwonersparticipatie Eindhoven” van belang. In het bij het project horende Participatieplan is aangegeven dat geen participatietraject is gevolgd. Het Participatieplan moet voldoen aan de Verordening Inwonersparticipatie. De bewoners van de Telemannlaan (waar ook verzoeker woonachtig is) waren niet op de hoogte van het plan tot kap. Nu een project van deze omvang bij de direct omwonenden in het geheel niet bekend is, is het besluit ook in die zin onzorgvuldig genomen.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning tot kap geen zienswijzeprocedure kent.
Niettemin is de omgeving actief geïnformeerd. In augustus 2025 is de eerste wijkinfo verzonden aan de belanghebbenden in het directe plangebied. Medio januari 2026 is de 2e wijkinfo verzonden met een update over het project. Op 5 november 2025 heeft de Gestelse braderie plaatsgevonden. Een afvaardiging van het bouwteam is hier aanwezig geweest om omwonenden te voorzien van informatie.
Op de website van de gemeente is een projectenpagina aanwezig waarop meer informatie over het project te vinden is. Naast deze actieve informatie is er ook middels andere kanalen gecommuniceerd over het project, waaronder het raadsinformatiesysteem. Dat verzoeker persoonlijk later kennis heeft genomen van het besluit maakt de voorbereiding niet onzorgvuldig.
Ter zitting is inzake participatie aangegeven dat de “Verordening inwonersparticipatie Eindhoven” ziet op beleid en niet van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
De omgevingsvergunning is voorbereid met de reguliere procedure. Dit is de korte procedure van de Awb. De korte procedure (titel 4.1 Awb) is het uitgangspunt in de Omgevingswet. De reguliere procedure kent geen zienswijzenprocedure.
Geen aanleiding bestaat om daar in dit geval met toepassing van artikel 4:8 Awb van af te wijken nu deze bepalingen de strekking hebben een zorgvuldige voorbereiding van de beschikking te bevorderen en niet het bieden van een rechtsbeschermingsfunctie.
Verzoeker is derhalve door het college terecht niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Zijn belangen zijn voldoende gewaarborgd met het kunnen indienen van bezwaar.
Ten aanzien van de grief inzake het ontbreken van participatie acht de voorzieningen-rechter van belang dat het zogeheten “Participatieplan Onderdoorgang Limburglaan Eindhoven” betrekking heeft op de aanleg van de fiets- en voetgangerstunnel en niet op de kap van de in geschil zijnde bomen.
Voorts is van belang dat de thans geldende “Verordening inwonersparticipatie Eindhoven” ziet op participatie in het kader van gemeentelijk beleid. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 1 van deze Verordening waarin is aangegeven dat inspraak ziet op een vorm van inwoners-participatie om deze de gelegenheid te geven hun mening te geven over een voornemen tot het vaststellen van gemeentelijk beleid. De Verordening mist derhalve toepassing in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Het voorgaande neemt niet weg dat verzoeker door alle informatiebijeenkomsten in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van het plan tot kap. Van onzorgvuldige besluitvorming is geen sprake.
Andere benodigde vergunningen
6. Verzoeker stelt voorts dat als voorwaarde in de kapvergunning is opgenomen dat hiervan geen gebruik mag worden gemaakt alvorens de voor de bouwactiviteiten verleende vergunningen zijn verleend. Er is geen omgevingsvergunning voor de bouw van de tunnel verleend. Door het waterschap is eveneens nog geen omgevingsvergunning verleend voor het onttrekken van grondwater t.b.v. de aanleg van de fietstunnel. Ook ontbreekt een bouwvergunning voor het vleermuisscherm. Daarom mag vooralsnog geen gebruik worden gemaakt van de omgevingsvergunning tot kap.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeente bekend is met de aan de omgevingsvergunning gekoppelde voorschriften en hier ook naar handelt.
Bij besluit van 12 maart 2026 heeft het college inmiddels een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van de fiets/voetgangerstunnel aan de onderdoorgang Limburglaan (ongelijkvloerse kruising) voor de technische bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit bouwen.
Ter zitting is voorts aangegeven dat de vergunning voor het grondwater vandaag (lees:
18 maart 2026) is verleend. Voor het vleermuisscherm is, gelet op artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), geen omgevingsvergunning voor bouwen benodigd.
In de vergunning is als voorschrift o.m. opgenomen:
“Indien het vellen van de houtopstand noodzakelijk is als gevolg van voorgenomen bouwactiviteiten, dan mag van deze vergunning geen gebruik worden gemaakt alvorens de voor de bouwactiviteiten benodigde vergunning(en) zijn verleend.”
De voorzieningenrechter stelt dienaangaande vast dat de voor de bouwactiviteiten van de tunnel benodigde vergunningen zijn verleend. Mitsdien is voldaan aan voornoemd voorschrift.
Dit laat onverlet dat het voorschrift alleen gevolgen heeft voor het gebruik kunnen maken van de vergunning tot kap. Indien de vereiste vergunningen niet waren verleend doet dit in beginsel aan de rechtmatigheid van de vergunning tot kap niet af. Hierin is dus -hoe dan ook- geen grond tot schorsing gelegen.
Vleermuizen
7. Verzoeker verwijst naar het advies van TGE waarin geadviseerd wordt om te onderzoeken of de in het gebied aanwezige vleermuiskast gebruikt wordt. Mocht dit het geval zijn dan dienen compenserende maatregelen te worden getroffen en een ecologisch werkplan te worden opgesteld. Verzoeker stelt vast dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden. In het gebied zijn nog meerdere (9) vleermuizenkasten aanwezig.
Vleermuizen zijn beschermd door de soortenbescherming in het kader van de Natuur-beschermingswet. In de omgevingsvergunning flora en fauna is duidelijk aangegeven dat ten behoeve van de vleermuizen een tijdelijke alternatieve route moet worden gecreëerd door het plaatsen van een scherm. Dit scherm moet minimaal 1 maand voorafgaand aan het kappen functioneel zijn. Het scherm is echter nog niet geheel gereed.
Het college stelt zich op het standpunt dat in het kader van de flora en fauna activiteiten de benodigde onderzoeken zijn uitgevoerd en een activiteitenplan is opgesteld op basis waarvan het bevoegd gezag op 17 februari 2026 de omgevingsvergunning flora- en fauna activiteiten heeft verleend. Dit is gebaseerd op ecologisch onderzoek en voorzien van de benodigde mitigerende maatregelen. Een aan te brengen ecologisch (vleermuis-)scherm staat los van de kapvergunning.
Ter zitting is door het college aangegeven dat de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit alleen relevant is in het kader van het “gebruik” maken van de kapvergunning (de uitvoering) en niet van belang voor de rechtsgeldigheid van deze omgevingsvergunning voor kappen.
Gelet op het advies van TGE gaat het om één grote losstaande vleermuiskast en een aantal kleinere kasten in bomen. Dit is niet in geschil.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Gedeputeerde Staten op 17 februari 2026 een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de gewone dwergvleermuis hebben verleend vanwege de kap. Deze vergunning kent een eigen rechtsbeschermingsregime en de beoordeling daarvan valt buiten de toetsing van de rechtmatigheid van de onderhavige kapvergunning. Van een onlosmakelijke samenhang is onder de Omgevingswet geen sprake.
Verordening bomen 2024
8. Bij de bomen in het plangebied die gekapt gaan worden gaat het om een groot aantal waardevolle bomen in twee parken die deel uitmaken van de hoofdgroenstructuur van Eindhoven. Het gaat om 25 waardevolle bomen waarvan 6 bomen bijna 80 jaar oud zijn en dus bijna monumentaal.
Van de 46 bomen die worden gekapt staan er 7 bomen in het Genderpark, 5 in de middenberm van de Limburglaan en 34 bomen in het Severijnpark.
Het noordwestelijke deel van het plangebied maakt onderdeel uit van het Genderpark en het zuidwestelijke deel maakt onderdeel uit van het Severijnpark. Het plangebied grenst in het zuidwesten en het noordoosten aan het beekje de Gender.
De grondslag voor het verlenen van een omgevingsvergunning is artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet en artikel 22.8 van de Omgevingswet juncto de gemeentelijke “Verordening bomen 2024”.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor 41 bomen ingevolge de “Verordening bomen 2024” een vergunningplicht geldt. Voor 5 te kappen bomen uit de aanvraag is ingevolge artikel 4 van de Verordening geen sprake van een vergunningplicht omdat de conditie daarvan te slecht is. Verzoeker heeft dit ter zitting niet betwist.
Dit betekent dat met het te nemen besluit op bezwaar een vergunning tot kap voor 41 (en niet de aangevraagde 46) bomen aan de orde is.
-Compensatieplan
9. Verzoeker stelt dat in de vergunning is aangegeven dat het huidige compensatieplan niet voldoet aan de “Verordening Bomen 2024” van de gemeente Eindhoven. Er was kennelijk onvoldoende tijd om het ontwerp vόόr de vergunningverlening nog aan te passen. Het compensatieplan had bij de aanvraag moeten worden verstrekt.
Dit betekent dat er een besluit is genomen tegen de regels in. Het advies van de afdeling Groen is summier en inhoudelijk onder de maat. Bedragen ontbreken. In het besluit is niet aangegeven waarom -ondanks het negatieve advies van Trefpunt Groen Eindhoven (TGE)- toch wordt besloten vergunning te verlenen.
TGE heeft onlangs overeenstemming bereikt met de gemeente over het compensatieplan. Het compensatieplan dat verzoeker onlangs heeft ontvangen is echter van oktober 2025. Dit kan niet de versie zijn waarmee TGE nu heeft ingestemd.
Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij heeft begrepen dat TGE negatief blijft over het projectplan maar wil meewerken op voorwaarde van een zo goed mogelijk compensatieplan.
Het college heeft in de omgevingsvergunning (het primaire besluit) aangegeven dat TGE in haar advies terecht vaststelt dat het huidige compensatieplan niet voldoet aan de “Verordening bomen 2024” van de gemeente Eindhoven. Daarnaast bevat het advies waardevolle suggesties die bijdragen aan de ecologische kwaliteit van het gebied.
De gemeente wil - aldus het besluit - deze aanbevelingen graag meenemen in een aangepast ontwerp.
In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat in het besluit de storting van het compensatiebedrag niet is opgenomen in de voorschriften. Dit is wel geborgd in de voorwaarde voor akkoord in het advies van de afdeling Groen. Hier staat dat er een tijdelijke storting ter waarde van € 206.800,- in het bomencompensatiefonds wordt gestort. Hiermee is ervoor gekozen om in lijn met artikel 8 lid 2c van de “Verordening bomen 2024” met een financiële compensatie te borgen de fysieke compensatie mogelijk te maken.
Inmiddels is op 10 maart 2026 een uitgewerkt landschaps- en compensatieplan vastgesteld. Daarmee wordt voldaan aan de Verordening bomen 2024 en de Nadere regels compensatie-plicht. Na de uitwerking van het nieuwe landschaps- en compensatieplan, en nadat aanvullende ecologische elementen (zoals dood hout, heesterstructuren en groeiplaats-verbetering) zijn opgenomen, heeft TGE het plan positief beoordeeld. Daarmee is naar de mening van het college het eerdere voorbehoud weggenomen.
Ingevolge artikel 8 lid 2 van de “Verordening bomen 2024” wordt in geval van compensatie ook verstrekt: c. een compensatieplan.
In de vergunning is als voorschrift opgenomen:
De te kappen bomen moeten worden gecompenseerd volgens de “Nadere regels compensatieplicht Verordening bomen 2024”.
Ingevolge artikel 5 van de “Nadere regels compensatieplicht Verordening bomen 2024” maakt een compensatieplan onder andere deel uit van de vergunningaanvraag en bevat onder meer (a.) de wijze waarop fysiek of financieel wordt gecompenseerd, (b.) een ontwerpplan met bijbehorende plantlijsten en groeiplaatsverbetering en (c.) een overzicht van de te herplanten bomen.
Hoewel TGE slechts een adviesfunctie heeft in samenspraak met de gemeentelijke afdeling Groen -waarvan het college gemotiveerd kan afwijken- neemt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet weg dat hieraan een zwaar gewicht bij de besluitvorming dient te worden toegekend.
Door TGE is op 12 november 2025 een negatief advies uitgebracht. Hierin is -kort weergegeven- aangegeven dat het wenselijk is om eerst de afronding van het inrichtingsplan af te wachten alvorens te beslissen wat de beste locatie voor de geplande nieuwe (14) bomen in het Genderpark is. Voorts is aangegeven dat ze het belangrijk vindt dat dood hout, staand of liggend deel uitmaakt van het compensatieplan en dat er voor de hoge en dichte heesterstrook op de hoek Severijnpark en Limburglaan op een vergelijkbare locatie in de nieuwe situatie hoge heesters in een vak of strook worden aangeplant. Tevens acht TGE het een punt dat er geen kostenraming is.
Inmiddels is er -gelet op het verweerschrift en hetgeen ter zitting is aangegeven- sprake van een recent advies van TGE waarin ze akkoord is gegaan met het (uitgewerkte) compensatie-plan.
De voorzieningenrechter stelt aldus vast dat de aanvraag bij indiening niet voldeed aan het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van de “Verordening bomen 2024” juncto artikel 5 van de “Nadere regels compensatieplicht Verordening bomen” waaruit volgt wat een compensatieplan bij de aanvraag dient te omvatten.
Het compensatieplan dat bij de aanvraag is overgelegd voldoet- zoals het college ook zelf heeft vastgesteld- hieraan niet nu geen sprake is van een uitgewerkt plan. De wijze waarop fysiek wordt gecompenseerd was niet volledig en tevens was geen sprake van een expliciete borging van de financiële compensatie.
Het voorgaande neemt niet weg dat het college thans in de bezwaarfase een aangepast landschaps- en compensatieplan d.d. 10 maart 2026 heeft vastgesteld. Ter zitting is aangegeven dat het compensatieplan het eerdere plan van oktober 2025 omvat met de recentelijk door het college overgelegde tekening d.d. 26 februari 2026. Onderdeel van het compensatieplan is ook het compensatiebedrag voor de herplant ad € 206.800,- om daarmee te borgen dat het plan ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Los van het feit dat TGE kennelijk in beginsel tegen de aanleg van de onderdoorgang is, heeft TGE zich akkoord verklaard met dit compensatieplan. Hoewel door het college geen afschrift van de akkoordverklaring (een email) is overgelegd is dit door verzoeker ter zitting niet betwist.
Verzoeker heeft voorts de inhoud en de juistheid van dit compensatieplan ter zitting niet nader betwist. Gelet hierop dient het ervoor te worden gehouden dat thans is voldaan aan de vereisten hiervoor in de Verordening en de Nadere regels compensatieplicht.
Hoewel dit niet wegneemt dat ten tijde van de aanvraag niet werd voldaan aan het indieningsvereiste van een compensatieplan is dit een gebrek dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de bezwaarfase kan worden hersteld.
-Alternatieven
10. Verzoeker stelt dat sprake is van een groot maatschappelijk belang voor het behoud van de bomen in de hoofdgroenstructuur van Eindhoven. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd aangegeven dat hij de gekozen (tunnel-)variant in 2022 kan volgen, waaronder ook het feit dat niet voor de voorkeursvariant 6 (waarbij de Gender bovengronds wordt gebracht) is gekozen. De jaren erna is echter gebleken dat de gekozen variant 5 steeds duurder werd en meer ruimte nodig had. De gekozen variant is het dus ook niet geworden (met een beoogde kap van 10 bomen). De gemeente had daarom dienen te besluiten om meer onderzoek te doen. Verzoeker beoogt dat de gemeente onderzoek zal doen naar (andere) alternatieven/varianten uit 2022 en een variant zal kiezen waarbij meer bomen behouden kunnen worden. Indien zou worden gekozen voor een brug dan hoeven minder bomen te worden gekapt en de sociale veiligheid is groter.
Het college is in het verweerschrift van mening dat bij kap om een zogenoemde rode reden de Verordening bomen 2024 verlangt dat wordt onderzocht of alternatieven bestaan waarmee kap kan worden voorkomen. Dat onderzoek is hier uitgevoerd. In 2022 is een variantenstudie verricht naar ongelijkvloerse oplossingen in de nabijheid van het kruispunt Beemdstraat-Limburglaan. Daarbij zijn tunnel- en brugvarianten met en zonder een bovengrondse Gender integraal beoordeeld. Sinds die studie heeft zich bovendien een relevante wijziging voorgedaan: het watersysteem van de Gender is aangepast en functioneert sindsdien als tweerichtingswatergang met hogere piekafvoeren. Een open verbinding in directe samenhang met de tunnel is daardoor waterhuishoudkundig en technisch niet verantwoord. Brugvarianten leiden op hun beurt tot vergelijkbare ingrepen in het groen en kennen nadelen op het vlak van sociale veiligheid, toegankelijkheid en inpassing. Tegen deze achtergrond stelt het college dat geen volwaardig alternatief voorhanden is dat zowel het projectdoel adequaat dient als behoud van de betreffende bomen mogelijk maakt.
Ingevolge artikel 7 lid 4 van de “Verordening bomen 2024” kan een omgevingsvergunning worden geweigerd indien de belangen van het vellen van de waardevolle boom niet opwegen tegen het belang van behoud van de boom en/of er geen volwaardig alternatief voorhanden is.
Gelet op artikel 8 lid 3 onder b van de Verordening moet bij een aanvraag een onderbouwing worden verstrekt van het ontbreken van alternatieven, waarmee het vellen van de boom of houtopstand zou kunnen worden voorkomen.
De voorzieningenrechter is dienaangaande van oordeel dat voldoende onderzoek is verricht naar zogeheten varianten. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de in 2022 gekozen voorkeursvariant voor een onderdoorgang nader is uitgewerkt en dat is gebleken van constructieve tegenvallers (slechte grondgesteldheid) waardoor (o.m.) de hellingsbaan anders moet worden uitgevoerd. Daarom is toen ook nog eens gekeken naar overige varianten. Gebleken is dat bruggen ook lange reikwijdtes hebben en ook daar meer kap nodig is. Besloten is daarom om met de eerder gekozen variant van de onderdoorgang (voetganger-/fietstunnel) verder te gaan.
Hieruit volgt dat alternatieven, ook na de keuze in 2022, voldoende zijn onderzocht en ook daarna nog een heroverweging op dit onderdeel heeft plaatsgevonden. Hierbij is in aanmerking genomen dat verzoeker niet met een tegenonderzoek heeft aangetoond dat sprake is van een gelijkwaardig alternatief met minder impact voor het aantal te kappen bomen.
-Noodzaak/Maatschappelijk belang
11. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan de orde gesteld of sprake is van een maatschappelijk belang om tot kap over te gaan.
Verzoeker heeft de noodzaak van de aanleg van de tunnel betwist en daarmee ook de kap van de bomen. Verzoeker betwist daarmee -naar de voorzieningenrechter begrijpt- ook het maatschappelijk belang van de aanleg van (deze) tunnel.
Het college heeft aangegeven dat de kap van de bomen nodig is om de tunnel en het verleggen van het stamriool daarvoor mogelijk te maken. De fietsroute (lees: tunnel) is maatschappelijk van belang. Ze is onderdeel van een snelfietsroute en dit is het laatste knelpunt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8, derde lid, onder a, van de “Verordening bomen 2024” dient bij de aanvraag een motivatie te worden verstrekt waarom er sprake is van een (zwaarwegend) maatschappelijk belang om tot vellen over te gaan.
In het onderhavige geval is sprake van een groot aantal waardevolle bomen niet zijnde monumentale bomen.
Gelet op de Toelichting bij de “Verordening bomen 2024” is bij een waardevolle boom het criterium “maatschappelijk belang” (en niet zwaarwegend maatschappelijk belang) aan de orde.
Onder een maatschappelijk belang wordt, gelet op de Toelichting, onder meer begrepen de bouw van een infrastructureel werk.
De te realiseren fiets-/voetgangers-onderdoorgang (tunnel) aan de Limburglaan ter hoogte van de Beemdstraat -met het oog waarop de bomen worden gekapt- maakt deel uit van het maatregelenpakket de Run.
Het project draagt bij aan het realiseren van doorfietsroutes tussen de Run en Eindhoven.
De onderdoorgang wordt gerealiseerd met prefab tunnel-elementen.
Met de onderdoorgang kan de autoringweg worden gepasseerd. Er ontstaat hiermee een snelfietsverbinding tussen het Centraal Station Eindhoven en belangrijke werkgevers op de Run zoals ASML en Maxima Medisch Centrum. Het gaat om een tijdwinst van circa 30 seconden voor fietsers en is tevens gericht op verkeersveiligheid. Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren moeten bomen in het plangebied worden gekapt. Er worden alleen bomen gekapt ten behoeve van de aanleg van de permanente constructie en niet voor een werkgebied.
Nu met de te realiseren fiets-/voetgangersonderdoorgang is sprake van een zogeheten infrastructureel werk, is daarmee naar voorlopig oordeel sprake van een maatschappelijk belang bij de kap van de bomen om deze onderdoorgang mogelijk te maken. Bij het vaststellen van maatschappelijk belang is tevens is aanmerking genomen de tijdwinst voor fietsers, het comfort, de verkeersveiligheid en sociale veiligheid bij realisering van de onderdoorgang.
-Belangenafweging
12. Vervolgens staat ter beoordeling van de voorzieningenrechter of sprake is van een juiste belangenafweging. Artikel 7 van de “Verordening bomen 2024” bevat de beoordelings-regels voor het verlenen van een kapvergunning.
Niet is gebleken van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a. t/m g.
Aan de orde is met name of sprake kan zijn van weigeringsgrond als bedoeld in lid 4.
Ingevolge artikel 7 lid 4 kan een omgevingsvergunning voor het vellen van een waardevolle boom worden geweigerd indien de belangen van het vellen niet opwegen tegen het belang van behoud en/of er geen volwaardig alternatief voorhanden is.
Zoals hiervoor reeds overwogen kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een volwaardig alternatief voor kap nu niet gebleken is dat een andere variant geschikter is als locatie voor het realiseren van de fiets- en voetgangersonderdoorgang. Dientengevolge is er ook geen alternatief voor de kap van de in geschil zijnde bomen.
Tevens is van belang dat inmiddels sprake is van een volledig compensatieplan dat ook financieel geborgd is. Voor zover hiermee sprake is van een gebrek in de besluitvorming ten tijde van het nemen van het primaire besluit is van belang dat deze in de bezwaarfase inmiddels is hersteld en -naar verwachting- onderdeel zal worden van het besluit op bezwaar.
Het college heeft daarom naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen overwegen dat aan het maatschappelijk belang van kap - ten behoeve van het realiseren van de onderdoorgang - een groter gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van het behoud van de waardevolle bomen.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat geen grond bestaat tot schorsing van de omgevingsvergunning voor kap. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:8
1.Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
2. Het eerste lid geldt niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.
Omgevingswet
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. t/m g. (..),
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 16.79 (inwerkingtreding omgevingsvergunning)
1. Een omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop:
a. het besluit is bekendgemaakt, of
b. als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht: het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van die wet ter inzage is gelegd.
2. In afwijking van het eerste lid bepaalt het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel:
a. het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en
b. de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen van activiteiten worden aangewezen, waarin het bevoegd gezag in ieder geval toepassing geeft aan het tweede lid.
4. Als binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang worden getroffen, kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen.
5. + 6. (..).
§ 22.1.2 De toepassing van in een verordening of het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen regels
Artikel 22.8 (omgevingsvergunning gemeentelijke verordening)
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Verordening bomen 2024
geldend van 18-05-2024 t/m heden
De verordening bevat regels over het vellen van bomen en beschermen van houopstanden in de gemeente Eindhoven.
Artikel 2 Verbod tot vellen
1. Binnen de bebouwingscontour houtkap is het verboden zonder omgevingsvergunning van het college de volgende handelingen te verrichten of laten verrichten:
a. het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 130 centimeter hoogte, waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamomtrek van de dikste stam geldt;
b. t/m f. (..).
2. (..).
3. Het college kan nadere regels vaststellen over het opleggen van compensatie en over het beschermen van een boom of houtopstand.
Artikel 4
In afwijking van artikel 2 en 3 is een omgevingsvergunning voor het vellen niet vereist, in geval van velling door of namens de gemeentelijke bomenbeheerder in geval van velling van een boom of houtsopstand met een levensverwachting van minder dan 5 jaar.
Artikel 5 Groene kaart
Er is een groene kaart, die online (..) te vinden is waarop ter informatie het volgende is aangegeven:
a. groenstructuur;
b. groenarme gebieden;
c. centrumgebied;
d. bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving;
e. gemeentelijke waardevolle bomen en monumentale bomen.
Artikel 7 Beoordelingsregels
1. Het college weigert een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand als de belangen van het vellen van de boom of houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud op basis van één of meer van de volgende intrinsieke waarden:
a. natuurwaarde;
b. landschappelijke waarde;
c. cultuurhistorische waarde;
d. waarde van stads- en dorpsschoon;
e. waarde voor de leefbaarheid;
f. beeldbepalende waarde; of
g. dendrologische waarde.
2. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand in verband met het plaatsen of belichten van zonnepanelen, zonnecollectoren en kleine windmolens, wordt geweigerd;
3. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale boom of houtopstand kan worden geweigerd indien de belangen van het vellen van de monumentale boom niet opwegen tegen het belang van behoud van de monumentale boom en/of er geen volwaardig alternatief voorhanden is;
4. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een waardevolle boom of houtopstand kan worden geweigerd indien de belangen van het vellen van de waardevolle boom niet opwegen tegen het belang van behoud van de waardevolle boom en/of er geen volwaardig alternatief voorhanden is;
5. Het college kan aan een omgevingsvergunning, voorschriften en voorwaarden verbinden.
Artikel 8 Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen
1. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. oude en nieuwe situatietekening (inclusief compensatieplan) aangevuld met foto’s;
en
b. redenen of argumentatie waarom vellen gewenst of noodzakelijk is en alternatieven voor behoud van de boom of houtopstand niet voorhanden zijn.
2. In aanvulling op het eerste lid, worden in geval van compensatie ook verstrekt:
a. een bomenonderzoek inclusief boomwaarde bepaald door een boomdeskundige;
b. een overzicht van de overige (aangevraagde) vergunningen onderdelen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project;
c. een compensatieplan inclusief eventueel benodigde groeiplaatsverbetering, inzicht in zowel de fysieke als financiële compensatie van de te vellen boom of houtopstand op basis van de waarde, waarbij in geval van financiële compensatie is aangetoond dat fysieke compensatie niet mogelijk is op locatie.
3. Bij een aanvraag voor het vellen van een monumentale boom of monumentale houtopstand of een waardevolle boom of monumentale houtopstand moet bij de aanvraag ook worden verstrekt:
a. een motivatie waarom er sprake is van een (zwaarwegend) maatschappelijk belang om tot vellen over te gaan; en
b. een onderbouwing van het ontbreken van alternatieven, waarmee het vellen van de boom of houtopstand zou kunnen worden voorkomen.
Bijlage 1: Toelichting bij Verordening bomen 2024
Compensatie (artikel 2 lid 3 en artikel 7 lid 5 van de Verordening)
Door het vellen van een boom of houtopstand kan netto groene waarde verloren gaan. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsver-gunning voor het vellen van een boom of houtopstand kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels voor Compensatie, behorende bij de Verordening Bomen 2024 staat meer informatie over compensatie. Het college kan aan een omgevingsvergunning, voorschriften en voorwaarden verbinden.
Voorbeelden van voorschriften zijn:
Een voorschrift, dat pas geveld mag worden indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke procedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende zijn gewaarborgd. Een compensatieplicht inclusief zorgplicht. Een voorschrift, dat pas geveld mag worden indien andere
ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke procedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende zijn gewaarborgd;
Zwaarwegend maatschappelijk en maatschappelijk belang (artikel 8 van de Verordening)
Zwaarwegend maatschappelijk belang:
Verlening van een vergunning voor het vellen van monumentale bomen kan, bij uitzondering, plaatsvinden indien er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en er geen alternatieven voor handen zijn om met behoud van de boom of houtopstand dit belang adequaat te dienen. Een voorbeeld van zwaarwegend maatschappelijk belang is de aanleg van een hoofd infrastructurele ontsluiting (hoofdverkeersweg, hoofdriool, hoofdgasleiding etc.) Het verschil tussen zwaarte van maatschappelijke belangen hangt samen met de omvang van het deel van de bevolking dat hierbij gebaad is. Denk aan
uitbreiding van het ziekenhuis (zwaarwegend maatschappelijk belang) ten opzichte van de uitbreiding van een huisartsenpost (‘gewoon’ maatschappelijk belang).
Door middel van een bomenonderzoek met bomeneffectanalyse dient als onderdeel van de vergunningsaanvraag aangetoond en beargumenteerd te worden dat de boom niet te handhaven is. De verlening van de vergunning is enkel aan de orde als alternatieven voor het duurzaam behoud van de bomen niet voorhanden zijn. Door het afdelingshoofd Groen
en recreatie kan worden overwogen de verwijdering en herplant van de bomen integraal onderdeel uit te laten maken van het project. Wanneer de kosten voor (toekomstige) boom besparende maatregelen niet (meer) in verhouding staan tot de totale projectkosten, kan een vergunning voor het vellen van een boom worden overwogen. Hoe deze verhouding ligt is per situatie verschillend en ter finale beoordeling aan het afdelingshoofd groen. Aan het verlenen van een vergunning voor het vellen van een boom of houtopstand in het kader van een (zwaarwegend) maatschappelijk belang kunnen voorschriften worden verbonden.
Maatschappelijk belang
Verlening van een vergunning voor waardevolle bomen kan, bij uitzondering, plaatsvinden indien er sprake is van een maatschappelijk belang en geen alternatieven voor handen zijn om met behoud van de boom of houtopstand dit belang adequaat te dienen. Maatschappelijk belang wordt daarbij gedefinieerd als de bouw van woningen, bedrijven en andere opstallen een infrastructureel werk. Door middel van een bomenonderzoek met bomen-effectanalyse dient als onderdeel van de vergunningsaanvraag aangetoond en beargumenteerd te worden dat de boom niet te handhaven is. De verlening van de vergunning is enkel aan de orde als alternatieven voor het duurzaam behoud van de bomen niet voorhanden zijn.
Door het Afdelingshoofd Groen en recreatie kan worden overwogen de verwijdering en herplant van de bomen integraal onderdeel uit te laten maken van het project. Bij een maatschappelijk belang gaat het ook over de inzet van publieke middelen. Wanneer de kosten voor (toekomstige) boom besparende maatregelen niet (meer) in verhouding staan tot de totale projectkosten, kan een vergunning voor het vellen van een boom worden overwogen. Hoe deze verhouding ligt is per situatie verschillend en ter finale beoordeling aan het afdelingshoofd groen. Aan het verlenen van een vergunning voor het vellen van een boom of houtopstand in het kader van een (zwaarwegend) maatschappelijk belang kunnen voorschriften worden verbonden.
Nadere regels compensatieplicht Verordening bomen 2024
geldend van 09-07-2024 t/m heden
Artikel 4 Uitvoering compensatieplicht
1. Het uitgangspunt is dat er fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand.
2. Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het plangebied mogelijk.
3. Het college kan bepalen dat, in afwijking van het eerste lid, indien binnen het plangebied of perceel onvoldoende openbare groeiruimte voor herplant of houtopstand beschikbaar is, een andere vorm van gelijkwaardige compensatie mogelijk is.
4. Indien fysieke compensatie (herplant) als bedoeld in voorgaande leden niet mogelijk is, is financiële compensatie mogelijk. Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.
Artikel 5 Eisen Compensatieplan
Een compensatieplan maakt onderdeel uit van een vergunningaanvraag ofwel een handhavingsprocedure en bevat:
a. de wijze waarop fysiek of financieel wordt gecompenseerd;
b. een ontwerpplan met bijbehorende plantlijsten en groeiplaatsverbetering en onderbeplanting;
c. een overzicht van de te herplanten bomen;
d. de exacte locatie van de te herplanten bomen, ondergrondse groeiplaats, of alternatief groen;
e. de maat van de te herplanten bomen gemeten op een hoogte van 130 centimeter vanaf maaiveld (voorkeur voor omtrek 20-25 cm);
f. nieuwe bomen dienen in het plan aangegeven te worden met voldoende boven- en ondergrondse ruimte, als bedoeld in de groeiplaatstool;
g. de taxatiewaarde van de te vellen / verloren gegane boom of houtopstand;
Artikel 6 Kosten
1. De kosten van de herplant dienen in beginsel minimaal gelijk te zijn aan de taxatiewaarde van de te vellen bomen vermenigvuldigd met de compensatiefactor uit de tabel van artikel 7.
2. Tot compensatiekosten mogen worden gerekend:
•boom en onderbeplanting
•ondergrondse groeiplaats of bodemverbetering
•materialen ten behoeve van de boom
•nazorg en inboet voor 3 jaar
•allen exclusief btw