RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422707 / KG ZA 26-18
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
1. [eiseres 1] , vertegenwoordigd door haar moeder [moeder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eiseres 2], vertegenwoordigd door haar moeder [moeder 2],
wonende te [woonplaats] ,3. [eiseres 3], vertegenwoordigd door haar moeder [moeder 3],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eiseressen,
advocaat: mr. Y. Ersoy te Amsterdam
tegen
de vereniging
PSV/DVC/SVOG,
gevestigd te Eindhoven,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PSV,
advocaat: mr. I. van Leuken en mr. I. Soetens te Eindhoven.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 februari 2026 met 10 producties;
- de producties 1 t/m 12 van de zijde van PSV ingediend op 18 februari 2026;
- de aanvullende producties 11 en 12 van eiseressen van 18 februari 2026;
- de aanvullende producties 13 en 14 van PSV van 18 februari 2026;- de mondelinge behandeling die plaats heeft gevonden op 19 februari 2026;
- de voor alle weren namens PSV ingestelde incidentele vordering;
- het mondeling vonnis in het incident, waarna is overgegaan tot de behandeling van de hoofdzaak;- de pleitnota van PSV.
Aan het eind van de mondelinge behandeling verklaarden partijen verder met elkaar in overleg te willen gaan onder begeleiding van een mediator, zodat de zaak is aangehouden.
Naar aanleiding van het bericht van mr. Van Leuken van 5 maart 2026 waarin deze vraagt een datum voor vonnis te bepalen heeft de voorzieningenrechter aan mr. Ersoy en mr. Van Leuken bericht dat vonnis zal worden gewezen op 26 maart 2026.
2. De feiten
[eiseres 1] , [eiseres 2] en [eiseres 3] (eiseressen) zijn 11 jaar oud en lid van de handbalvereniging PSV sinds respectievelijk oktober 2023 ( [eiseres 1] ), juni 2024 ( [eiseres 2] ) en augustus 2024 ( [eiseres 3] ).
De statuten van PSV (productie 4 bij dagvaarding) hebben – voor zover van belang – de volgende inhoud:
‘(…)
Artikel 5
Verplichtingen
1. De leden zijn verplicht de statuten en reglementen van de vereniging en de besluiten van het bestuur en de algemene ledenvergadering of van een ander orgaan van de vereniging na te leven.
2. De leden zijn verplicht de belangen van de vereniging zo optimaal mogelijk te behartigen.
3. In verband met het lidmaatschap van de vereniging en het Nederlands Handbal Verbond zijn de leden onderworpen aan de statuten en reglementen van beide rechtspersonen.(…)
Artikel 7
Straffen
1. In het algemeen zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de wet, dan wel met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging, of waardoor de belangen van de vereniging worden geschaad.
2. a. In geval van handelen of nalaten, als bedoeld in lid 1, kunnen door het bestuur de volgende straffen worden opgelegd: - berisping;
- uitsluiting van deelneming aan wedstrijden, hetzij voor bepaalde duur, hetzij voor een in de straf bepaald aantal wedstrijden;
- ontzegging van het recht om één of meer in de straf genoemde functies voor een in de straf genoemde termijn uit te oefenen;
- royement / ontzetting uit het lidmaatschap;
b. Voor het opleggen van een straf is vereist dat het bestuur met een meerderheid van twee/derde (2/3) van het aantal geldig uitgebrachte stemmen besluit.
Een straf wordt schriftelijk aan het lid medegedeeld.
3. Met uitzondering van royement kan een straf ten hoogste voor de duur van twee maanden worden opgelegd.
4. Het lid aan wie een besluit tot royement/ontzetting uit het lidmaatschap is medegedeeld heeft het recht om binnen één (1) maand na ontvangst van het besluit in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.
5. Een beroepschrift dient schriftelijk bij de commissiesecretaris te worden ingediend. De secretaris roept binnen vier weken na ontvangst van het beroepschrift een commissievergadering bijeen ter behandeling van het beroep. Betrokkene heeft het recht om het beroepschrift in de vergadering toe te lichten. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is betrokkene geschorst.
6. Een beslissing van de Commissie tot (on-)gegrondverklaring van het beroep en tot handhaving, of intrekking van het besluit tot royement /ontzetting uit het lidmaatschap dient met een meerderheid van uitgebrachte stemmen te worden genomen.
Artikel 8
Einde lidmaatschap
1. Het lidmaatschap eindigt door:
- schriftelijke opzegging door het lid;
- schriftelijke opzegging door de vereniging;
- besluit tot royement /ontzetting uit het lidmaatschap;
- overlijden van het lid.
2. Opzegging door de vereniging geschiedt door het bestuur
3. De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen:
a. in de gevallen in de statuten genoemd;
b. wanneer een lid heeft opgehouden te voldoen aan de vereisten die de statuten voor het lidmaatschap stellen;
c. wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren.
(…)’
Bij brief van 9 december 2025 gericht aan het bestuur van PSV heeft de moeder van [eiseres 3] – voor zover van belang – het volgende bericht:
‘(…)
Hierbij dien ik formeel bezwaar in tegen het verplicht douchen van mijn dochter, [eiseres 3]
(11 jaar), na trainingen en/ofwedstrijden binnen PSV Handbal. Ik verzoek u deze verplichting voor haar op te heffen en een uitzondering te bevestigen, op grond van de onderstaande wettelijke en normatieve argumenten.
(…)
6. Verzoek en verwachting
Gezien de bovenstaande wettelijke gronden en belangen verzoek ik u formeel om:
1. De doucheplicht voor mijn dochter [eiseres 3] per direct niet meer toe te passen.
2. Een bevestiging dat zij zonder sancties of gevolgen thuis mag douchen.
3. Een schriftelijke bevestiging dat haar religieuze, psychologische en privacy-bezwaren
worden gerespecteerd.
(…)’
Bij brief van 12 december 2025 (productie 3 bij dagvaarding) heeft PSV aan de ouders van eiseressen een brief gezonden met – voor zover van de belang – de volgende inhoud:
‘(…)
Op grond van artikel 7 van de statuten en artikel 2:35 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek is het bestuur voornemens het Lidmaatschap van uw kind te beëindigen.
Het bestuur van PSV Handbal stelt vast dat er herhaaldelijk sprake is geweest van gedrag van u als ouder dat niet past binnen de normen en gedragsregels van onze vereniging. Dit heeft geleid tot meerdere meldingen van leden, trainers en vrijwilligers en heeft de veilige en respectvolle sportomgeving onder druk gezet.
Ondanks eerdere communicatie is hierin geen structurele verbetering opgetreden. Het bestuur acht de situatie daarom zodanig ernstig dat voortzetting van het jeugdlidmaatschap van uw kind naar redelijkheid niet langer mogelijk is. Op grond van artikel 7 van de statuten is het bestuur derhalve voornemens het lidmaatschap met onmiddellijke ingang te beëindigen.
(…)’.
In reactie op bovengenoemde brief van PSV heeft Stichting Muslim Rights Watch Nederland (hierna: MRWN) bij brief van 17 december 2025 (productie 5 bij dagvaarding) namens de ouders van eiseressen – voor zover van belang – als volgt bericht:
‘(…)
Op 12 december 2025 hebben de ouders een brief van u ontvangen waarin het voornemen werd medegedeeld om het lidmaatschap van hun kind(eren) bij PSV Handbal te beëindigen. Als reden werd gegeven dat er herhaaldelijk sprake zou zijn geweest van gedrag dat niet past binnen de normen en gedragsregels van PSV Handbal.
Dit door u geuite voornemen baart de ouders grote zorgen. Hun kinderen gaan met veel plezier naar de handbaltrainingen en wedstrijden. Daarnaast herkennen de ouders zich niet in de genoemde redenen voor de voorgenomen royering. De brief roept dan ook diverse
vragen op, welke hieronder zijn opgesomd:
1. Op welke specifieke gedragingen van de ouders doelt u ?
2. Welke concrete inspanningen heeft PSV Handbal verricht om eventuele problemen te
signaleren en/of op te lossen ?
3. Zijn de ouders eerder aangesproken op de gestelde gedragingen en, zo ja, wanneer en
op welke wijze ?
(…)’
Bij brief van 21 december 2025 (productie 6 bij dagvaarding) aan MRWN heeft PSV – voor zover van belang – het volgende bericht:
‘(…)
1. Op welke specifieke gedragingen van de ouders doelt u ?
Onsportief gedrag tijdens het aanmoedigen van wedstrijden, waarbij speelsters niet aanmoedigend maar opruiend worden toegesproken. Twijfelen aan het oordelen en de inzet van trainers en coaches. Geen vertrouwen krijgen van ouders aan staf om het beste voor te hebben met het team, hierdoor speelsters expliciet tegen de afspraken van trainers/coaches in laten gaan. Het openlijk uitspreken van twijfel op acties en beslissingen van trainers en coaches, met als gevolg het ontwrichten van de groep. Op geen enkele wijze konden ouders zich conformeren aan de normen en waarden die gelden bij PSV Handbal. Het onjuist of grensoverschrijdend bejegenen van vrijwilligers ervaren wij als zeer ingrijpend. Wij keuren dit af en voelen ons verantwoordelijk om hier zorgvuldig en direct op te handelen wanneer dit zich voordoet.
2. Welke concrete inspanningen heeft PSV Handbal verricht om eventuele problemen te
signaleren en/of op te lossen?
Aan de start van het seizoen is er gestart met een ouderbijeenkomsten waarin de gedragsregels en het veilig sport klimaat wat wij bij PSV Handbal hanteren wordt uitgelegd op 26 augustus 2025. Gedurende de periode daaropvolgend zijn de onderstaande inspanningen verricht. Dit naar aanleiding van meerdere incidenten en gedragingen van speelsters en ouders.
o Ouder en speelsters bijeenkomst na escalerende wedstrijd — 30 september 2025
o Ouderbijeenkomst na escalerende wedstrijd — 27 november 2025
o Persoonlijke gespreken ouders alvorens overleg — 9 december 2025
o Speelsters bijeenkomst met staf — 9 december 2025
o Persoonlijke toelichting (klein groepsgesprek) — 18 december 2025
3. Zijn de ouders eerder aangesproken op de gestelde gedragingen en, zo ja, wanneer en
op welke wijze ?
Hierboven de momenten waarop ouders zijn aangesproken op alle gedragingen. Daarnaast zijn er meerdere momenten waarop coaches met zowel speelsters als ouders gesproken en gewerkt hebben aan een veilig(er) sportklimaat.
4. In hoeverre is bij dit voornemen het belang van de kinderen meegewogen ?
Door de gebeurtenissen van de afgelopen periode is een dusdanig onveilig sportklimaat ontstaan binnen het team, voor zowel speelsters en alle betrokken vrijwilligers. Het genomen besluit is zorgvuldig overwogen en in het belang van trainers, coaches en overige speelsters.
Als bestuur van PSV Handbal staan wij achter de normen en waarden die wij als vereniging hanteren. Om die reden betreuren wij de genomen beslissing om leden te royeren ten zeerste. Wij vertrouwen erop u met bovenstaande toelichting voldoende duidelijkheid te hebben verschaft.
Voor ons is de fase van overleg en het zoeken naar oplossingen afgerond en het voorgenomen royement zal niet worden herzien.
(…)’
Bij brief van 26 december 2025 aan PSV (productie 7 bij dagvaarding) heeft MRWN namens de ouders op bovengenoemde brief van PSV gereageerd en de door PSV in haar brief genoemde vier punten weersproken. Verder bericht MRWN – voor zover van belang – als volgt:
‘(…)
De olifant in de kamer
Tot onze grote verbazing worden er allemaal beschuldigingen geuit jegens ouders die hen niet bekend voorkomen. Al deze beschuldigingen zijn cryptisch verwoord en niet onderbouwd met enig bewijs. Uit navraag bij andere ouders en een voormalig coach blijkt dat zij deze beschuldigingen jegens ouders ook niet herkennen. Het lijkt voor ouders alsof de spreekwoordelijke olifant in de kamer bewust wordt genegeerd.
Het enige geschil dat ouders hebben gehad met PSV Handbal, is een geschil omtrent het
verplicht douchen na de wedstrijden en trainingen. Na de wedstrijden en trainingen wordt er
door sommige kinderen naakt gedoucht. Ouders hebben aangegeven dat zij op grond van hun geloofsovertuiging niet wensen dat hun kinderen douchen in een ruimte waar andere kinderen naakt zijn. Hier was eerst respect voor, maar een nieuw bestuurslid kwam hier zonder enige uitleg op terug. Hij wenste het mee douchen verplicht te stellen en drong daar op aan.
Ouders zijn met dit bestuurslid hierover in gesprek geweest en hebben uitgelegd waarom zij
niet wensen dat hun dochters naakt douchen of überhaupt douchen in een ruimte waar andere
kinderen naakt douchen. Deze gesprekken waren soms scherp, maar verliepen volgens ouders binnen de grenzen van het betamelijke. Ouders hebben aangegeven dat hun dochter best in de kantine kan wachten terwijl de andere kinderen douchen, zodat er gezamenlijk kan worden afgesloten. Vanuit PSV Handbal werd hier geen boodschap aan gegeven. De dochters van ouders moest en zouden mee douchen. Het is voor ouders een raadsel waar deze fixatie op het gezamenlijk douchen vandaan komt. Schriftelijk is er bezwaar gemaakt tegen het mee douchen, hier is nooit op gereageerd.
(…)
Afsluitend
Wij zijn bereid om met PSV Handbal het gesprek aan te gaan en hopen tot een gezamenlijke oplossing te komen. Indien PSV Handbal haar voornemen om de dochters van ouders te
royeren doorzet, zullen wij namens hen verdere (juridische) stappen nemen.
(…)’.
Bij brief van 30 december 2025 (productie 8 bij dagvaarding) heeft PSV op bovengenoemde brief van MRWN – voor zover van belang – als volgt gereageerd.
‘(…)
1. Afbakening van het besluit
Het voornemen tot beëindiging van het lidmaatschap is niet gebaseerd op religieuze overtuigingen en evenmin op het enkele feit dat ouders bezwaar hebben gemaakt tegen het douchen. Het onderwerp douchen vormde de aanleiding voor gesprekken, maar niet de
grondslag voor het besluit.
De grondslag van het besluit ligt in een samenstel van gedragingen en communicatie door ouders die, in samenhang bezien, hebben geleid tot structurele onrust, escalatie en
aantasting van de veiligheid en het vertrouwen binnen het team.
(…)
4. Gedrag en communicatie
Het bestuur baseert zijn besluit niet op één afzonderlijk incident, maar op een patroon van gedragingen en communicatie in samenhang beschouwd. Daarbij is sprake geweest van een
herhaaldelijk verhardende toon, het ter discussie stellen van trainers en vrijwilligers en het
aanhoudend aanwakkeren van spanningen binnen het team.
Het bestuur erkent dat niet alle signalen en gesprekken schriftelijk zijn vastgelegd. Dit
houdt verband met de vrijwilligerscontext en de keuze om primair in te zetten op herstel en
de-escalatie. Dit doet echter geen afbreuk aan de zorgvuldigheid van de afweging.
5. Gesprekken en waarschuwingen
De gesprekken die hebben plaatsgevonden waren deels in groepsverband en gericht op alle
ouders en speelsters, onder andere in het kader van Veilig Sport. Deze aanpak is destijds
passend geacht om normen en verwachtingen gezamenlijk te verduidelijken.
(…)’.
Op 11 januari 2026 heeft MRWN een bericht op social media geplaatst (productie 7 PSV) met – voor zover van belang – de volgende inhoud:
‘(…) DELEN! EN TEKEN PETITIE IN BIO!
PSV handbal uit Eindhoven creeert een onveilige situatie door minderjarige meisjes verplicht zich uit te kleden en te douchen op de sportclub. (…).
De moeders van drie meisjes van 11 jaar hebben zich bij MRWN gemeld na een conflict met het bestuur over het verplicht douchen. Na kritiek van de ouders heeft het bestuur de drie meisjes geschorst en uit de club gezet. Hierdoor kunnen de meisjes niet meer sporten en missen zij hun vriendinnen. Volgens het bestuur is de clubcultuur belangrijker dan de religieuze cultuur van de meisjes en moeten de meisjes daarom verplicht douchen.
Afgelopen jaren hebben we regelmatig gezien hoe leerkrachten, trainers en anderen veroordeeld zijn voor kindermisbruik en het maken van vieze foto’s. Het is pedagogisch onverantwoord om meisjes in de puberteit te dwingen zich uit te kleden en te douchen in een omgeving waar zij zich niet veilig voelen.
(…)’.
Op of omstreeks 11 januari 2026 heeft MRWN meerdere berichten op social media geplaatst (productie 8 PSV) met onder meer – voor zover van belang – de volgende inhoud:
‘(…) PSV Handbal bedreigt MRWN juridisch omdat wij meisjes steunen die zelf willen beslissen over (naakt) en gezamenlijk douchen!
Waarom?
Omdat wij meisjes steunen die zèlf willen bepalen of zij (naakt) en gezamenlijk douchen bij de club.
Ouders gaven aan dat hun dochters zich daarbij onveilig en ongemakkelijk voelen.
In plaats van naar die zorgen te luisteren
probeert de club ons te laten zwijgen met een sommatie.
Maar laat dit heel duidelijk zijn:
X MRWN zwijgt niet
X MRWN buigt niet
X MRWN stopt niet
(…)’
En een bericht met de volgende inhoud:
‘PSV Handbal dwingt minderjarige meisje zich uit te kleden en verplicht hen te douchen op de sportclub.
Teken nu de petitie en help mee aan de bescherming van onze kinderen!’
Bij brief van 12 januari 2026 (productie 9 bij dagvaarding) heeft het bestuur van PSV het definitief bestuursbesluit tot royement van het lidmaatschap aan de ouders van eiseressen bekend gemaakt. De inhoud van de brief luidt – voor zover van belang – als volgt:
‘(…)
Het bestuur blijft bij het op 12-12-2025 genomen definitieve bestuursbesluit tot royement, welk besluit op zorgvuldige wijze en conform de statuten en artikel 2:35 BW tot stand is gekomen en onmiddellijke werking heeft.
(…)’.
In diverse (andere) media zijn artikelen verschenen over PSV en het besluit het lidmaatschap van eiseressen te royeren.
De publieke commotie rondom het onderwerp heeft ertoe geleid dat de burgemeester van Eindhoven heeft aangeboden in gesprek te gaan met de ouders van eiseressen en met PSV, waarbij de burgemeester heeft aangegeven dat dit gesprek dan zou plaats moeten vinden met enkel deze partijen en zonder aanwezigheid van derden.
Het gesprek heeft geen doorgang gevonden omdat de ouders het gesprek niet wilden voeren zonder MRWN (productie 11 PSV).
3. Het geschil
Eiseressen vorderen - samengevat -:
i. PSV te gebieden om de besluiten - het royement van eiseressen - in te trekken, althans die te schorsen, dan wel (in ieder geval) de werking daaraan te ontzeggen tot (in ieder geval) aan de uitspraak in een bodemprocedure.
ii PSV te gebieden om eiseressen binnen 24 uur na de datum van dit vonnis, onverkort, onmiddellijk en zonder beperkingen toe te laten tot de vereniging en alle activiteiten van de vereniging, alsmede toe te laten als volwaardig lid van de vereniging.
iii. PSV te verbieden om eiseressen te dwingen tot douchen en/of eiseressen te verplichten om in de kleedkamer te zitten totdat iedereen klaar is met douchen.
iv. Dit alles op straffe van een dwangsom zoals in het petitum van de dagvaarding genoemd, en met veroordeling van PSV in de kosten van deze procedure.
Eiseressen leggen aan de vorderingen – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag. De statuten van de vereniging voorzien niet in de mogelijkheid een lid te ontzetten op grond van het handelen van derden. Het besluit van PSV tot royement van het lidmaatschap van eiseressen vanwege gedragingen van de ouders is dan ook in strijd met de statuten en daarom nietig. Dat de reden voor het royement gelegen is in gedragingen van eiseressen zelf heeft PSV niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt.
Verder is onduidelijk hoe de besluiten tot stand zijn gekomen. PSV heeft niet duidelijk gecommuniceerd welke concrete verwijten zij de ouders maakt en een aantal beschuldigingen zijn gemotiveerd betwist door de ouders. De besluiten zijn dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid en daarom vernietigbaar.
PSV voert verweer. PSV concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eiseressen, met veroordeling van eiseressen in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Welk kader geldt voor de beoordeling in een kort geding?
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat eiseressen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Daarbij beoordeelt de voorzieningenrechter of de vorderingen, indien deze in een bodemprocedure aan de rechter worden voorgelegd, een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening(en) gerechtvaardigd is. Daarnaast kunnen de omstandigheden van het geval aanleiding geven een ordemaatregel in de vorm van een voorlopige voorziening te treffen. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang bij de vorderingen van eiseressen volgt uit het feit dat het voornemen van 12 december 2025 direct geëffectueerd is. Gevolg is dat eiseressen vanaf dat moment geen deel meer hebben kunnen nemen aan trainingen en wedstrijden bij PSV.
De kern van het geschil
In deze procedure staat centraal het geschil tussen partijen over het voornemen tot beëindiging van het lidmaatschap van eiseressen (bij brief van 12 december 2025 door PSV kenbaar gemaakt) en het definitieve besluit van PSV van 12 januari 2026 PSV waarbij het eerdere voornemen om eiseressen als lid van PSV te royeren is bevestigd.
De voorzieningenrechter merkt in dit kader reeds vooraf op dat bij juridische beoordeling in deze kort gedingprocedure niet wordt ingegaan op de vraag die naar aanleiding van dit geschil tussen partijen in de (social) media is opgeworpen, namelijk of PSV haar leden al dan niet verplicht om te douchen op de club na trainingen en wedstrijden. Het antwoord op deze vraag staat namelijk los van de beoordeling van de vorderingen die in deze procedure aan de voorzieningenrechter zijn voorgelegd, zoals hierna wordt toegelicht.
Opzegging lidmaatschap of royement
Mr. Van Leuken heeft tijdens de mondelinge behandeling ter zitting namens PSV het standpunt ingenomen dat het bestuur niet de bedoeling heeft gehad eiseressen als lid te royeren, maar om de lidmaatschappen op te zeggen op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 3 van de statuten.
Op grond van artikel 2:36 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan opzegging van het lidmaatschap van de vereniging slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van vier weken. Nu in de statuten niet anders is bepaald, geldt ook in dit geval die wettelijke regeling. Niet gesteld of gebleken is dat opzegging heeft plaatsgevonden met inachtneming van de wettelijke bepaling. Dat maakt dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat de beëindiging in deze zaak als een opzegging zal worden gekwalificeerd. Daar komt nog bij dat in de verschillende brieven van PSV aan de ouders van eiseressen telkens wordt gesproken over beëindiging van het lidmaatschap op grond van artikel 7 van de statuten (in welk artikel aan het bestuur de mogelijkheid wordt geboden een straf op te leggen in de vorm van royement/ontzetting uit het lidmaatschap), en over ‘royement’. Het is daarom des te minder aannemelijk dat PSV de bedoeling heeft gehad het lidmaatschap van eiseressen op te zeggen. Voor de verdere beoordeling gaat de voorzieningenrechter er dan ook vanuit dat het besluit tot ‘royement’ conform de wet een besluit tot ontzetting betreft, waartegen de bezwaren van eiseressen gericht zijn.
Procedure bij ontzetting
Het recht van vereniging is geregeld in de artikelen 26 tot en met 52 van Boek 2 BW. De bepalingen van Boek 2 BW zijn dwingendrechtelijk van aard, er kan slechts van worden afgeweken voor zover de wet dit toestaat (artikel 2:25 BW).
In artikel 2:35 lid 4 BW staat dat de ontzetting, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, door het bestuur geschiedt, en dat het lid van het besluit zo spoedig mogelijk schriftelijk, met opgave van redenen, in kennis wordt gesteld. Verder bepaalt artikel 2:35 lid 4 BW dat, tenzij de statuten een andere regeling van beroep bevatten, aan het lid beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open staat binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit.
De statuten van PSV bevatten in artikel 7, vierde lid van de statuten een bepaling waarin (in lijn met artikel 2:35 lid 4 BW) staat dat een lid van de vereniging aan wie een besluit tot royement / ontzetting uit het lidmaatschap is medegedeeld, het recht heeft om binnen een maand na ontvangst van dat besluit in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het ontzette lid eerst gebruik maken van de interne beroepsmogelijkheid, alvorens hij zich bij de rechter tegen de ontzetting kan verzetten (vgl. HR 14 mei 1965, NJ 1965/259).
Eiseressen hebben geen gebruik gemaakt van de interne beroepsmogelijkheid. De verwachting is dan ook dat, indien eiseressen de vordering tot nietigheid/vernietigbaarheid van het besluit op dit moment aan de bodemrechter zouden voorleggen, de bodemrechter niet aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering toekomt en eiseressen in hun vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.
Gelet op die verwachte uitkomst van de bodemprocedure, terugverwijzend naar het kader voor de beoordeling in kort geding zoals opgenomen onder 4.1., bestaat er geen (juridische) grond voor het treffen van de door eiseressen onder i gevraagde voorlopige voorziening.
De beslissing onder 4.6. is een juridisch technische en kan de vraag oproepen of dat voldoende past bij deze situatie, met name in een kort geding procedure gericht op voorlopige voorzieningen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De rechtmatigheid en de door PSV gestelde grondslag van het besluit tot ‘royement’ wordt bestreden door eiseressen. Eiseressen stellen kort gezegd dat het verwijt van de club, dat eiseressen en hun ouders onrust en een onveilige sfeer veroorzaakten binnen het team en binnen de club ongegrond is. Zij stellen dat dit, tot het bekend maken van het voornemen tot royement, niet eerder is gecommuniceerd, dat zij zich in dit verwijt niet herkennen en dat dit ook wordt tegengesproken door de andere ouders van het team van eiseressen.
PSV daarentegen stelt dat zich in de periode voorafgaand aan de brief met voornemen tot ‘royement’ verschillende malen ernstige incidenten hebben voorgedaan tijdens wedstrijden tussen het team van eiseressen en een team van een andere club, waarbij de ouders van eiseressen ook betrokken waren. PSV stelt dat er meerdere gesprekken over de sfeer binnen het team en de gedragingen richting coach, trainer en tegenstanders zijn gevoerd zonder dat dit tot verbetering heeft geleid.
De stellingen van PSV en de ouders van eiseressen staan lijnrecht tegenover elkaar. Ter onderbouwing van hun stellingen verwijzen zij (ook) naar gebeurtenissen waarbij het hele team betrokken was en verklaringen van (ouders van) andere leden. Reeds daaruit blijkt het belang om de algemene ledenvergadering (eerst) te betrekken bij de situatie die ten grondslag lijkt te liggen aan het genomen besluit.
Nu tegen het besluit door eiseressen geen intern beroep is ingesteld conform de in de statuten en de wet bepaalde regeling, en het besluit (dus) niet aan bod is gekomen tijdens een Algemene Ledenvergadering, terwijl er in een kort gedingprocedure geen gelegenheid is voor een uitgebreid feitenonderzoek, blijft op dit moment onvoldoende duidelijk of de gedragingen van eiseressen en hun ouders daadwerkelijk de door de club gestelde negatieve impact hebben gehad op de leden en vrijwilligers. Voor zover er wordt verwezen naar (ouders van) andere leden, die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan gedrag dat nu (de ouders van) eiseressen in de schoenen wordt geschoven, conform hun stellingen, blijkt des te meer een daadwerkelijk belang om de wettelijke route te volgen en (eerst) met de volledige ledenvergadering een besluit te nemen over hetgeen de afgelopen tijd is voorgevallen.
Nu er geen grond bestaat om het genomen besluit te schorsen, vanwege het gebrek aan juridische grondslag in een eventuele bodemprocedure om het besluit te vernietigen of nietig te verklaren (namens eiseressen is niet gespecificeerd waar zij zich op beroepen), moet er bij de verdere beoordeling van het bestaan van het besluit worden uitgegaan en is er (ook) geen grond om de onder ii gevorderde voorziening toe te wijzen. Vervolgens bestaat er, omdat het onder i. en ii. gevorderde wordt afgewezen, geen belang om het onder iii. gevorderde toe te wijzen.
Belangenafweging
Los van de vraag of vooruitlopend op de uitkomst in de bodemprocedure de vorderingen kunnen worden toegewezen, kunnen de omstandigheden van het geval met inachtneming van de wederzijdse belangen ook aanleiding geven tot het treffen van een ordemaatregel, die er in dit geval uit zou bestaan dat eiseressen, ondanks het besluit, moeten worden toegelaten tot de trainingen en de wedstrijden van hun team. Hierna zal dan ook een belangenafweging plaatsvinden.
Eiseressen hebben gesteld dat zij graag weer willen worden toegelaten tot de club, omdat zij de trainingen en de wedstrijden met hun team missen.
Namens PSV is gesteld dat gelet op de gespannen verhouding tussen met name de ouders van eiseressen en PSV, welke verhouding na de tussenkomst van MRWN nog verder onder druk is komen te staan, van PSV niet kan worden gevergd dat zij eiseressen, en daarmee feitelijk ook hun ouders, weer toelaat tot de trainingen en wedstrijden van de vereniging.
Alhoewel de voorzieningenrechter het betoog volledig begrijpt dat het zeer spijtig is voor eiseressen dat zij hun team missen en het ook begrijpelijk is dat voor hen onwenselijk is dat zij de dupe zouden worden van spanningen voor zover die zijn ontstaan tussen hun ouders en PSV, acht de voorzieningenrechter het op basis van een belangenafweging niet aangewezen om in kort geding de ordemaatregel toe te wijzen dat PSV eiseressen per direct weer moet toelaten om deel te nemen aan alle activiteiten van de vereniging. De voorzieningenrechter acht dit (ook) niet in het belang van eiseressen. Hierna zal de voorzieningenrechter uitleggen waarom zij tot deze afweging komt.
De al hiervoor beschreven situatie dat onduidelijk is gebleven hoe (wel of niet verdeeld) de overige leden van de vereniging ten opzichte van de ontstane situatie staan, maakt dat niet voldoende is in te schatten in welke sfeer eiseressen zouden terugkeren naar hun handbalvereniging en teamgenoten indien de voorzieningenrechter de vordering toewijst.
Er is reden om aan te nemen dat de sfeer zeer beladen zal zijn. Uit de stukken die voorafgaand aan de zitting in deze procedure zijn ingediend en ook uit het verloop van die zitting is namelijk gebleken dat de verhoudingen tussen de ouders van eiseressen en (het bestuur van) PSV zeer gespannen zijn.
De gespannen verhoudingen hebben er kennelijk – en helaas – ook toe geleid dat beide partijen zelfs met professionele begeleiding niet in overleg kunnen treden om komen tot een oplossing voor hun meningsverschillen. Zo is het met partijen tijdens de mondelinge behandeling ter zitting besproken mediationtraject uiteindelijk überhaupt niet van start gegaan.
Hierbij neemt de voorzieningenrechter mee in overweging dat, gelet op de stelling van de ouders dat zij veelvuldig bij trainingen en bij wedstrijden van het team van eiseressen aanwezig waren, de verhouding tussen de ouders en het team niet los kunnen worden gezien van de verhouding tussen eiseressen en hun team.
Bovendien zou een toewijzing van de gewenste ordemaatregel in deze kort gedingprocedure slechts een tijdelijke maatregel zijn, omdat partijen - als zij het oneens blijven met betrekking tot het besluit - nog een procedure te volgen hebben. Ondanks de stellingen van eiseressen, is het dan uiteraard (evengoed) mogelijk dat het besluit tot ontzetting stand houdt, hetgeen zou betekenen dat eiseressen na een terugkeer in het team als gevolg van de ordemaatregel in dit kort gedingvonnis, het team alsnog zouden moeten verlaten, waardoor zij in een relatief korte periode verschillende malen achter elkaar wel en dan weer niet onderdeel zijn geweest van dit team.
Bij deze omstandigheden, waaronder de (zeer) gespannen verhoudingen tussen de ouders van eiseressen en (het bestuur van) PSV, komt nog dat de wijze waarop MRWN betrokken is geraakt in het geschil tussen partijen, met name voor vermenging van belangen en escalatie heeft gezorgd. Als wordt gekeken naar de belangen van de minderjarigen om bij hun handbal team (gewoon) de komende tijd de trainingen en wedstrijden te kunnen deelnemen, zou (juist) de-escalatie en goede afspraken over hoe deelname eruit ziet, in hun belang zijn. Tot slot wordt nog meegewogen dat de vereniging en haar bestuur bestaan uit vrijwilligers die (tevens) werkzaamheden als coach of trainer voor de teams van de vereniging verrichten, zodat deze vrijwilligers vervolgens de verhoudingen tijdens trainingen en wedstrijden in goede banen zouden moeten leiden terwijl partijen niet met elkaar in overleg kunnen treden. De voorzieningenrechter acht gelet op al het voorgaande een onvoorwaardelijke terugkeer van eiseressen naar het team zoals gevorderd, op dit moment niet in het belang van eiseressen, noch in het belang van PSV.
Eiseressen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van PSV worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
Totaal
€
1.912,00
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden aangesproken voor het hele bedrag. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van eiseressen af,
veroordeelt eiseressen hoofdelijk in de proceskosten van € 1.912,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eiseressen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M.C. Mommers en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.