ECLI:NL:RBOBR:2026:1995

ECLI:NL:RBOBR:2026:1995

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer 01/181176/21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Onderzoek Selises. De rechtbank veroordeelt een 35-jarige man tot een gevangenisstraf van 7 jaren met aftrek van het voorarrest. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk van het leven beroven van zijn zoon van bijna zes weken oud (abusive head trauma). De rechtbank spreekt hem vrij van de beschuldiging dat hij bij zijn zoontje ribbreuken heeft toegebracht in de voorliggende periode. Overschrijding van de redelijke termijn met 32 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

vonnis

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 01.181176.21

Datum uitspraak: 30 maart 2026

Data zittingen: 25 en 26 februari 2026 en 17 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [1990] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] .

Advocaten van de verdachte: mrs. J.E. Kötter en J.L. L’Homme

Officier van justitie: mr. H.A.A. Vrijhoeven

Kern van het vonnis

Deze zaak gaat over de dood van baby [slachtoffer] op [overlijdensdatum] . [slachtoffer] was toen bijna 6 weken oud. De officier van justitie beschuldigt verdachte, de vader van [slachtoffer] , ervan dat hij verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] . Verdachte zou hevig geweld op [slachtoffer] hebben uitgeoefend op 28 juni 2021 waardoor bij [slachtoffer] ernstig hersenletsel is toegebracht (abusive head trauma). Ook beschuldigt de officier van justitie verdachte ervan dat hij [slachtoffer] in de periode tussen 1 en 27 juni 2021 ribbreuken heeft toegebracht. Verdachte ontkent alle beschuldigingen.

De rechtbank komt op grond van het bewijs, in het bijzonder de bevindingen van de deskundigen die naar de dood van [slachtoffer] onderzoek hebben gedaan, tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte opzettelijk hevig geweld heeft uitgeoefend op [slachtoffer] . Door dat geweld is ernstig hersenletsel bij [slachtoffer] ontstaan wat heeft geleid tot zijn dood. Dat betekent dat verdachte opzettelijk zijn zoon [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de beschuldiging die gaat over de ribbreuken bij [slachtoffer] .

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven jaren.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt verdachte er in de eerste plaats van dat hij – samengevat – op 28 juni 2021 zijn zoon [slachtoffer] krachtig heeft vastgepakt of vastgehouden, hem heftig heen en weer heeft geschud, tegen het hoofd heeft geslagen of op een andere manier hevig geweld op hem heeft uitgeoefend, waardoor hersenletsel is ontstaan als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Deze beschuldiging is ten laste gelegd als het opzettelijk om het leven brengen van [slachtoffer] (feit 1 primair), dan wel het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met de dood van [slachtoffer] tot gevolg (feit 1 subsidiair).

Daarnaast beschuldigt de officier van justitie verdachte ervan dat hij in de periode van 1 tot en met 27 juni 2021 aan [slachtoffer] meerdere ribbreuken heeft toegebracht. Dit is ten laste gelegd als het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (feit 2 primair), dan wel een poging daartoe (feit 2 subsidiair), dan wel het mishandelen van [slachtoffer] (feit 2 meer subsidiair).

De volledige beschuldiging (tenlastelegging) staat in de bijlage bij dit vonnis.

2. Eis officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte:

3. Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle beschuldigingen. Verdachte ontkent dat hij iets heeft gedaan – niet op 28 juni 2021 en ook niet in de periode daarvoor – dat letsel bij zijn zoon [slachtoffer] heeft veroorzaakt. In de kern is het standpunt van de verdediging dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van toegebracht letsel bij [slachtoffer] , laat staan dat kan worden vastgesteld dat verdachte dat letsel heeft toegebracht. Volgens de verdediging is niet uitgesloten dat andere oorzaken, in het bijzonder een bloeding in de hersenen die is ontstaan rondom de geboorte van [slachtoffer] , hebben geleid tot het hersenletsel dat [slachtoffer] uiteindelijk fataal is geworden. Ook is er volgens de verdediging geen sprake van (voorwaardelijk) opzet. Voor zover de rechtbank toch tot de conclusie komt dat verdachte schuldig is aan de dood van [slachtoffer] , heeft de verdediging bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte voor deze zaak al heeft vastgezeten, niet passend is.

4. Oordeel van de rechtbank over het bewijs

De rechtbank beoordeelt eerst of de beschuldigingen kunnen worden bewezen.

Ondanks de stellige en consequent volgehouden ontkenning van verdachte, acht de rechtbank de beschuldiging dat verdachte op 28 juni 2021 zijn zoon [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd (feit 1 primair) bewezen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de beschuldiging dat hij opzettelijk ribbreuken heeft toegebracht aan [slachtoffer] in de periode voor 28 juni 2021 (feit 2).

Hierna legt de rechtbank uit waarom zij tot dat oordeel is gekomen. Dat begint met een beschrijving van de feiten en omstandigheden in deze zaak (4.1), te weten de gebeurtenissen op 28 juni 2021 tot aan het overlijden van [slachtoffer] (4.1.1) en de bevindingen van de deskundigen (4.1.2). Daarbij bespreekt de rechtbank ook de door de verdediging gepresenteerde (alternatieve) oorzaak van het hersenletsel bij [slachtoffer] (4.1.3) en licht de rechtbank toe hoe zij de rapporten van de deskundigen in deze zaak waardeert (4.1.4). De rechtbank komt tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van ernstig hersenletsel dat is ontstaan doordat hevig geweld op hem is uitgeoefend (abusive head trauma) (4.2). Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte op 28 juni 2021 hevig geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend (4.3) en dat hij dat ook opzettelijk (in juridische zin) heeft gedaan (4.4). Van de ribbreuken kan de rechtbank niet vaststellen dat deze op een moment voor 28 juni 2021 door verdachte zijn toegebracht (4.5). De volledige bewezenverklaring staat in paragraaf 4.6.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van de vraag of de beschuldigingen bewezen zijn, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gebeurtenissen 28 juni 2021 tot en met [overlijdensdatum]

Op 28 juni 2021 gaat verdachte in de vroege ochtend naar zijn werk; hij hoort nog dat [slachtoffer] rond 06.00 uur wakker wordt voor de fles. De partner van verdachte en moeder van [slachtoffer] , [moeder] , is vanaf dat moment alleen thuis samen met [slachtoffer] . [moeder] omschrijft die dag als een dag als alle andere. [slachtoffer] was vrolijk zoals anders en er waren volgens haar geen bijzonderheden.

Rond 16.00-16.30 uur komt verdachte weer thuis van zijn werk, waarna hij [slachtoffer] rond 16.45 uur de fles geeft op de bank. [slachtoffer] drinkt die fles helemaal leeg; ook daarbij zijn er geen bijzonderheden. Daarna dineren verdachte en [moeder] samen aan de eettafel. [slachtoffer] zit dan in een kinderstoel bij hen aan tafel. Na het diner gaat [moeder] wandelen met de buurvrouw, [getuige 1] . Na een laatste WhatsApp-bericht van [moeder] aan [getuige 1] om 18.16 uur, verlaat [moeder] om ongeveer 18.30 uur de woning. Verdachte blijft dan alleen met [slachtoffer] in de woning. Wanneer [moeder] vertrekt, zit verdachte met [slachtoffer] op de bank. Op dat moment was [slachtoffer] zijn gedrag nog steeds zo vrolijk als altijd, zo heeft [moeder] verklaard. [slachtoffer] was wel wat slaperig. Het is de eerste keer dat verdachte alleen is met [slachtoffer] .

Om 19.14 uur belt verdachte met [moeder] ; verdachte was helemaal in paniek omdat [slachtoffer] raar ademde. Kort daarna, rond 19.15 uur, belt verdachte 112. Hij meldt dat [slachtoffer] heel raar ademhaalt, alsof hij naar lucht snakt, en dat er geen spierkracht meer in [slachtoffer] zit. Met de centralist controleert verdachte de ademhaling van [slachtoffer] , terwijl hulp onderweg is. De verbalisant die het 112-gesprek heeft uitgeluisterd, hoort bij de laatste ademhalingscontrole duidelijk een snurkende/gaspende/gorgelende ademhaling bij [slachtoffer] .

[slachtoffer] wordt met de ambulance naar het Elkerliek ziekenhuis in Helmond gebracht. Daar wordt een CT-scan van zijn hoofd gemaakt. Op die scan worden, onder meer, bloedcollecties onder het harde hersenvlies (subduraal) gezien. Vanwege de slechte toestand van [slachtoffer] wordt besloten om hem over te brengen naar het Maastricht UMC+. Daar worden verdere onderzoeken uitgevoerd, zoals een nieuwe CT-scan en een MRI-scan. Uit die onderzoeken blijkt dat [slachtoffer] ernstige bloedingen in de hersenen heeft en dat er beschadiging van het hersenweefsel zichtbaar is. Omdat de prognose voor [slachtoffer] uitzichtloos bleek, is op [overlijdensdatum] de beademing gestopt en is [slachtoffer] diezelfde dag overleden.

Later die dag is door forensisch arts M.W.G. Govaerts een lijkschouw verricht. Uit het schouwverslag blijkt dat sprake was van zeer ernstig, niet met het leven verenigbaar hersenletsel: er waren bloedingen onder het harde hersenvlies en er was uitgebreide schade van het hersenweefsel ten gevolge van zuurstoftekort. Volgens de schouwarts is sprake van een niet-natuurlijk overlijden, vanwege een ernstig vermoeden van toegebracht letsel met de dood tot gevolg bij een zuigeling van zes weken oud. De schouwarts adviseerde nader strafrechtelijk onderzoek.

Bevindingen van de deskundigen

Om de doodsoorzaak te onderzoeken is drs. D.J. Rijken door de rechter-commissaris als deskundige benoemd. Rijken is forensisch patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, en is opgenomen in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) op het gebied van forensische pathologie.

Rijken heeft op 5 juli 2021 een in- en uitwendige schouw op het lichaam van [slachtoffer] verricht. Ook hebben in zijn opdracht verschillende andere medische professionals aanvullende deelonderzoeken verricht ten behoeve van het forensisch pathologisch onderzoek, waaronder neuropathologisch onderzoek door prof. dr. B. Kubat, forensisch-pediatrisch onderzoek door dr. H.G.T. Nijs en radiologisch onderzoek door het Maastricht UMC+ (CT en MRI van het hele lichaam en skeletstatus) en door het Amsterdam UMC (röntgen). Zijn bevindingen heeft Rijken weergegeven in een rapport van 6 december 2021. Op 26 december 2022 heeft Rijken antwoord gegeven op vragen van de rechter-commissaris naar aanleiding van (kort gezegd) aanvullende medische gegevens over [slachtoffer] en door de verdediging aangedragen alternatieve oorzaken voor het letsel bij [slachtoffer] .

Omdat de verdediging om tegenonderzoek heeft verzocht, heeft de rechter-commissaris dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, MD, PhD, als deskundige benoemd voor het verrichten van dat tegenonderzoek. Zij is senior-forensisch patholoog, verbonden aan Eurofins TMFI en is net als Rijken opgenomen in het NRGD op het gebied van forensische pathologie. Soerdjbalie-Maikoe heeft onderzoek verricht op basis van de sectiefoto’s en dezelfde documenten als Rijken. Aan haar zijn dezelfde vragen gesteld als aan Rijken. De conclusies van Rijken over de toedracht en de doodsoorzaak zijn niet aan Soerdjbalie-Maikoe bekendgemaakt. Haar bevindingen staan in een rapport van 19 maart 2024. Op vragen van de rechter-commissaris naar aanleiding van nadere medische gegevens, heeft Soerdjbalie-Maikoe op 30 september 2024 aanvullend gerapporteerd.

Uit de rapporten van Rijken en Soerdjbalie-Maikoe maakt de rechtbank het volgende op, waarbij achtereenvolgens de volgende onderwerpen worden besproken:

( i) het letsel en de doodsoorzaak;

(ii) de oorzaak van het letsel; en

(iii) de datering van het letsel.

(i) Het letsel en de doodsoorzaak

De eerste vraag is welk letsel bij [slachtoffer] is aangetroffen en wat de doodsoorzaak is geweest.

Rijken komt tot de volgende bevindingen. Bij de schouwing zat onder het harde hersenvlies (rondom de hersenen en het ruggenmerg) ongeveer 50 ml vloeibaar bloed, met ook geringe bloedstolsels aan de bovenzijde van de grote hersenen. Uit neuropathologisch onderzoek is gebleken dat er sprake was van hersenschade door zuurstoftekort (peracute hypoxische encefalopathie), wat de slechte toestand en het overlijden van [slachtoffer] zonder meer kan verklaren. Het neuropathologisch onderzoek van het ruggenmerg toont een recente bloeduitstorting onder het harde hersenvlies ter hoogte van de lendenwervelkolom. Het neuropathologisch onderzoek van het harde hersenvlies in de schedelholte (craniale dura) toont een neomembraan (een nieuw vlies rond of aan oppervlakte van een bloedstolsel) en een recent subduraal hematoom.

Uit deze bevindingen concludeert Rijken dat sprake is van een uitgebreide bloeduitstorting onder het harde hersenvlies in de schedelholte. Volgens Rijken kunnen hierbij hersenfunctiestoornissen optreden op basis waarvan de verhaalde onwel wording (bij ademhalingsproblemen met vervolgens zuurstoftekort van de hersenen), de noodzaak tot ziekenhuisopname en het uiteindelijke overlijden kan worden verklaard. Verder was er enige bloeduitstorting onder het harde hersenvlies ter hoogte van de lendenwervelkolom.

Daarnaast heeft Rijken tijdens de schouw in de romp breuken aan de achterzijde van de rechter 5e rib en de linker 6e rib geconstateerd, beide met tekenen van genezing (botvernieuwing). De ribbreuken hebben geen directe rol gespeeld ten aanzien van het overlijden. Bij radiologisch onderzoek van het Maastricht UMC+ is ook een breuk (zonder tekenen van genezing) gezien ter hoogte van de achterzijde van de linker 5e rib, maar deze kon door Rijken bij de inwendige schouwing met lichtmicroscopisch onderzoek niet bevestigd worden.

Soerdjbalie-Maikoe komt (samengevat) tot de conclusie dat bij [slachtoffer] sprake was van subdurale hematomen, een bloeding op lendenniveau op niveau van het ruggenmerg subduraal en in het wervelkanaal en van in de hersenen enige tijd bestaande hersenschade (hypoxische encephalopathie). Ook bevestigt zij de breuken van de rechter 5e rib en linker 6e rib achterwaarts. Soerdjbalie-Maikoe gaat wel uit van het bestaan van een breuk linker 5e rib achterwaarts, terwijl Rijken dat niet doet. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft Rijken toegelicht dat dit verschil van interpretatie naar zijn oordeel geen relevantie heeft voor de doodsoorzaak gelet op de andere letsels.

(ii) De oorzaak van het letsel

De tweede vraag is hoe het aangetroffen letsel is ontstaan, waarbij eerst onderscheid kan worden gemaakt tussen een medische oorzaak of een krachtsinwerking (een trauma). Wanneer sprake is van een krachtsinwerking, is de vraag of het gaat om accidenteel (per ongeluk) of niet-accidenteel (toegebracht) letsel.

Volgens Rijken ontstaat een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies door het (af)scheuren van brugvenen (kleine bloedvaatjes). Rijken heeft geen aanwijzing gevonden voor een onderliggende medische oorzaak van de bloeduitstorting, zoals een stollingsstoornis, een stofwisselingsziekte of een langer bestaand ziekteproces in het hoofdje van [slachtoffer] . De zwangerschap en geboorte sluit Rijken uit als oorzaak voor de bij [slachtoffer] geconstateerde bloeduitstorting, omdat bij het ontstaan van een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies rondom de geboorte veelal geen klinische verschijnselen te verwachten zijn (doorgaans verdwijnt de bloeduitstorting binnen een maand) en in het geval van [slachtoffer] ervan moet worden uitgegaan dat klinische verschijnselen zijn opgetreden tijdens of direct na het ontstaan van de bloeduitstorting. Daarnaast wordt de geboorte van [slachtoffer] als oorzaak van de aangetroffen bloeduitstorting door Rijken uitgesloten omdat dit niet past bij de neuropathologische datering van de bloeduitstorting (waarover hierna meer). Een hernieuwde bloeding (rebleeding) uit een reeds bestaande bloeding sluit Rijken ook uit als oorzaak voor het letsel bij [slachtoffer] , omdat dit niet gepaard gaat met acute neurobiologische verschijnselen zoals bij [slachtoffer] het geval was. Tijdens de zitting heeft Rijken verklaard dat als sprake zou zijn geweest van een hernieuwde bloeding, dit niet leidt tot overlijden. Bij gebrek aan andere oorzaken, moet volgens Rijken daarom sprake zijn geweest van een krachtsinwerking. Rijken heeft op zitting toegelicht dat zelfs al zou er sprake zijn van medische problematiek, alsnog een krachtsinwerking nodig zou zijn om te komen tot een dergelijke bloeduitstorting, zij het in minder hevige mate.

Ook Soerdjbalie-Maikoe heeft geen medische oorzaak van de bloeding onder het harde hersenvlies kunnen vaststellen, ook niet na bestudering van nadere medische gegevens met betrekking tot [slachtoffer] . De bevindingen bij [slachtoffer] zijn naar haar oordeel volledig traumatisch van aard, dat wil zeggen het gevolg van een krachtsinwerking.

Ook ten aanzien van de oorzaak van de ribbreuken stellen Rijken en Soerdjbalie-Maikoe dat sprake moet zijn van een krachtsinwerking.

De vervolgvraag is of sprake is geweest van een accidentele krachtsinwerking (per ongeluk) of een niet-accidentele krachtsinwerking (toegebracht). Bij accidentele krachtsinwerking moet worden gedacht aan bijvoorbeeld een val van grote hoogte. Een val van minder dan 1 à 2 meter of andere huis-, tuin- en keukenongevallen, kan ernstig traumatisch letsel leidend tot de dood doorgaans niet verklaren. Bij niet-accidentele krachtsinwerking gaat het om toegebracht letsel, zoals door hevig stomp botsende (vallen/slagen/stoten) krachtsinwerking en/of hevige dynamische (repeterend acceleratie-deceleratie trauma) krachtsinwerking op het hoofd.

Nijs, forensisch-pediatrisch specialist, heeft op verzoek van Rijken de bewijswaarde (Likelihood Ratio (LR)) bepaald voor het aantreffen van de combinatie van medische bevindingen (ademhalingsproblemen, bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, tekenen van doorgemaakt zuurstoftekort in de hersenen en ribbreuken) onder de hypothese van niet-accidentele versus de hypothese van accidentele krachtsinwerking. Nijs concludeert dat sprake moet zijn geweest van forse krachtsinwerkingen op het hoofd van [slachtoffer] en dat het aantreffen van de combinatie van de medische bevindingen minimaal 50 keer waarschijnlijker (LR > 50) is onder de hypothese van niet-accidentele krachtsinwerking (toegebracht letsel) dan onder de hypothese van accidentele krachtsinwerking. Rijken neemt dit over in zijn rapport. Soerdjbalie-Maikoe schrijft dat zij deze conclusie goed kan volgen en neemt deze ook over in haar rapport. Kortom, het bestaan van de medische bevindingen is volgens de deskundigen waarschijnlijker onder het scenario dat het letsel is toegebracht, dan onder het scenario dat het letsel het gevolg is van een ongeval.

Er zijn bij [slachtoffer] geen andere letsels aangetroffen die wijzen op een trauma. In zijn eindrapport merkt Rijken op dat uit neuropathologisch onderzoek volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor zogenaamde traumatische axonale schade (letsel van de zenuwuitlopers), maar dat het niet aantreffen van traumatische letsels bij het onderzoek van de hersenen een schedeltrauma niet uitsluit. Soerdjbalie-Maikoe schrijft dat de afwezigheid van traumatische letsels in de oogbollen, zoals bij [slachtoffer] , een traumatische oorzaak voor hoofdletsels niet uitsluit.

Ten aanzien van de ribbreuken rapporteert Rijken dat deze over het algemeen vaker worden gezien in het kader van toegebracht (niet-accidenteel) letsel, dat de achterzijde van de ribbenkast de meest voorkomende locatie van ribbreuken door toegebracht letsel is en dat de aanwezigheid van meerdere ribbreuken en breuken aan beide zijden sterker gerelateerd is aan een niet-accidentele oorzaak dan een enkele ribbreuk. Soerdjbalie-Maikoe onderschrijft dit.

(ii) De datering van het letsel

De derde vraag is wanneer het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel is ontstaan.

Rijken verwijst wat betreft de ouderdom van de bloedophoping onder het harde hersenvlies naar het neuropathologisch onderzoek, dat wordt gezien als de ‘gouden standaard’. Bij dat onderzoek is aangetroffen een neomembraan en een subduraal stolsel. In het rapport van de neuropatholoog is de ouderdom van het neomembraan geschat op meerdere dagen tot 1 à 2 weken, waarbij ouderdom rond een week waarschijnlijker is dan twee weken. De ouderdom van het subduraal stolsel is bepaald op een of enkele dagen, doch niet ouder dan een week. Op basis hiervan concludeert Rijken dat de bloedophoping onder het harde hersenvlies bij [slachtoffer] ongeveer een week oud was ten tijde van het overlijden. Rijken gaat daarbij uit van de datering van het ‘oudste’ component, te weten het aangetroffen neomembraan. Het bij neuropathologisch onderzoek aangetroffen subduraal stolsel kan op hetzelfde moment als het neomembraan zijn ontstaan, maar kan ook wijzen op een latere, kleine bloeding. Rijken heeft dat tijdens de zitting als volgt uitgelegd: in het genezingsproces van een bloeding ontstaan stolsels en vormt zich op den duur om de bloedophoping een neomembraan. Vanuit de kwetsbare bloedvaatjes in het neomembraan kunnen hernieuwde bloedingen ontstaan, welke ook tot stolsels kunnen leiden. Het bij neuropathologisch onderzoek aangetroffen subduraal stolsel kan daarom van de oorspronkelijke bloeding zijn, maar ook van een hernieuwde bloeding vanuit het neomembraan. Daarbij heeft Rijken opgemerkt dat een eventuele hernieuwde bloeding het overlijden van [slachtoffer] niet kan hebben veroorzaakt; het gaat om de eerste, grote bloeduitstorting.

Volgens Rijken kan worden uitgegaan van het ontstaan van klinische verschijnselen tijdens of direct na de krachtsinwerking waarbij de bloedophoping onder het harde hersenvlies is ontstaan. Rijken heeft op de zitting toegelicht dat deze klinische verschijnselen direct zichtbaar en merkbaar moeten zijn geweest voor omstanders. Als voorbeelden van klinische verschijnselen noemde hij bewustzijnsverlies, epileptische insulten, een vreemde, heel hoge huil en agonale ademhaling (gasping, waarmee het happen naar adem wordt bedoeld). De rechtbank is uit andere rechtszaken over abusive head trauma ermee bekend dat deskundigen zeggen dat bij zuigelingen normaal functioneren, zoals het leegdrinken van een fles, niet meer mogelijk is na een hevige krachtsinwerking die leidt tot ernstig (fataal of bijna-fataal) hersenletsel. Hoewel dat niet zijn directe expertise is, heeft Rijken dat tijdens de zitting bevestigd.

Ook Soerdjbalie-Maikoe beschrijft de datering van de twee componenten van de bloeding die zijn vastgesteld bij neuropathologisch onderzoek. Zij stelt dat de krachtsinwerking op het hoofd (wat de bloeding onder het harde hersenvlies heeft veroorzaakt) heeft plaatsgevonden kort vooraf aan een medische noodsituatie en heeft geleid tot de noodzaak tot hospitalisatie en het uiteindelijke overlijden.

Ten aanzien van de ribbreuken concludeert Rijken op basis van het histologisch beeld dat de ouderdom hiervan ongeveer meerdere dagen tot enkele weken voor van het overlijden is. Om die reden kunnen, maar hoeven de ribbreuken niet gelijktijdig met de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies te zijn ontstaan. Soerdjbalie-Maikoe gaat uit van een ouderdom van drie tot vijf weken (tenminste drie weken) op basis van het radiologisch beeld. Volgens Rijken is radiologische breukdatering minder nauwkeurig dan histologische breukdatering.

Alternatief scenario Van Sonderen

Op verzoek van de verdediging heeft mw. L. van Sonderen een aantal rapporten opgesteld. De verdediging presenteert aan de hand van de rapporten van Van Sonderen een alternatieve oorzaak voor het hersenletsel bij [slachtoffer] .

Kort samengevat is de conclusie van Van Sonderen dat bij [slachtoffer] sprake kan zijn geweest van een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies die is ontstaan rondom zijn geboorte, omdat [slachtoffer] mogelijk een vitamine-K tekort had en vanwege de aanwezigheid van een aantal risicofactoren voor het ontstaan van zo’n bloeding. Er bestaat een reële kans dat van daaruit een hernieuwde bloeding (rebleeding) is ontstaan – door een stuip of spontaan – waardoor acute neurologische verslechtering en ernstige hersenschade is opgetreden. Van Sonderen trekt de conclusie van Rijken en Soerdjbalie-Maikoe dat sprake is geweest van een krachtsinwerking in twijfel.

Op vragen van de rechter-commissaris naar aanleiding van het (eerste) rapport van Van Sonderen , hebben Rijken en Soerdjbalie-Maikoe allebei op dezelfde inhoudelijke gronden geantwoord dat zij de conclusies van Van Sonderen niet onderschrijven. Zij sluiten alle door Van Sonderen genoemde factoren als oorzaak van de bij [slachtoffer] aangetroffen bloeding uit gezien het klinische beloop en de neuropathologische datering van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies. Voor zover al sprake zou zijn geweest van een hernieuwde bloeding (rebleeding), dan verloopt dit zonder klinische verschijnselen. Rijken schrijft dat hernieuwde bloedingen alleszins niet gepaard gaan met acute ernstige neurologische verschijnselen met een dodelijk verloop (zoals bij [slachtoffer] wel het geval was). Hij heeft dit tijdens de zitting nogmaals bevestigd.

Waardering van het deskundigenbewijs

De rechtbank staat voor de vraag hoe zij de bevindingen en conclusies van Rijken, Soerdjbalie-Maikoe en Van Sonderen moet waarderen.

De rechtbank stelt voorop dat Rijken en Soerdjbalie-Maikoe allebei als deskundige op het gebied van forensische pathologie zijn geregistreerd in het NRGD en dus relevante pathologische en forensische kennis hebben. Zij hebben onafhankelijk van elkaar en op basis van dezelfde informatie over het letsel bij [slachtoffer] en de doodsoorzaak gerapporteerd. In hun rapporten hebben Rijken en Soerdjbalie-Maikoe hun standpunten onderbouwd, met verwijzing naar wetenschappelijke literatuur, en gebaseerd op resultaten van verschillende forensische deelonderzoeken die uitgevoerd zijn door andere deskundigen (zoals neuropathologisch, radiologisch en forensisch-pediatrisch onderzoek). Allebei hebben ze alternatieve verklaringen onderzocht en meegewogen. Hun conclusies zijn logisch en overtuigend en komen op de voor deze zaak essentiële onderdelen met elkaar overeen.

Ten aanzien van Van Sonderen is de rechtbank van oordeel dat zij niet over de voor deze strafzaak vereiste deskundigheid beschikt. De rechtbank twijfelt er niet aan dat Van Sonderen als gepensioneerd kinderarts-neonatoloog de nodige medische kennis heeft met betrekking tot (zeer) jonge kinderen. Maar de deskundigheid van een kinderarts is niet dezelfde als die van een patholoog, zoals Van Sonderen zelf ook onderkent in haar rapport van 4 december 2024. Forensische pathologie is een medisch specialisme dat zich richt op het onderzoeken van, onder meer, de doodsoorzaak en het vaststellen van de aard, oorzaak, gevolgen en tijdstip van letsels (oftewel: de interpretatie van letsels in een forensische context). De rechtbank vindt dat uit het door de verdediging verstrekte curriculum vitae van Van Sonderen niet blijkt dat zij beschikt over de voor deze zaak benodigde kunde, kennis en ervaring op het gebied van forensische pathologie. Zij is geen forensisch arts en zij heeft geen wetenschappelijke publicaties op dat gebied op haar naam staan. Ook is het de rechtbank opgevallen dat haar curriculum vitae inaccuraat is, omdat daarop deze strafzaak is genoemd waarbij vermeld staat dat Van Sonderen daarin als deskundige is benoemd, terwijl dat niet zo is. En in twee andere door haar genoemde strafzaken zijn de desbetreffende rechtbanken in hun beoordeling juist niet uitgegaan van de door Van Sonderen opgestelde rapportages. Daarmee wordt een onjuist beeld geschetst ten aanzien van de deskundigheid van Van Sonderen in strafzaken zoals deze. Van Sonderen is evenmin als deskundige opgenomen in het NRGD.

Dit alles maakt dat de rechtbank bij het beantwoorden van de vraag wat de oorzaak is van het letsel dat uiteindelijk heeft geleid tot het overlijden van [slachtoffer] , uit zal gaan van de bevindingen en conclusies van Rijken en Soerdjbalie-Maikoe. De rechtbank volgt het door Van Sonderen aangedragen alternatief scenario niet, omdat de rechtbank Van Sonderen niet deskundig acht op het gebied van forensische pathologie en omdat dit alternatief scenario door Rijken en Soerdjbalie-Maikoe op inhoudelijke gronden wordt weerlegd.

Oordeel van de rechtbank over het letsel bij [slachtoffer]

Op basis van de rapporten van Rijken en Soerdjbalie-Maikoe komt de rechtbank tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden aan ernstig hersenletsel als gevolg van een uitgebreide bloeduitstorting onder het harde hersenvlies.

Voor dat letsel is geen enkele ziekte of andere medische oorzaak gevonden en ook de zwangerschap en geboorte van [slachtoffer] zijn door deze deskundigen uitgesloten als oorzaak voor het letsel waaraan [slachtoffer] uiteindelijk is overleden. De bloeduitstorting onder het harde hersenvlies bij [slachtoffer] is volledig traumatisch van aard, dat wil zeggen dat zij het gevolg is van een krachtsinwerking.

Volgens de deskundige is het aantreffen van de combinatie van de medische bevindingen waarschijnlijker onder de hypothese van niet-accidentele krachtsinwerking (toegebracht letsel) dan onder de hypothese van accidentele krachtsinwerking. Deze manier van rapporteren, op basis van een wiskundige formule (de zogenaamde ‘regel van Bayes’), is in de rechtspraak algemeen geaccepteerd als een gebruikelijke wijze van rapporteren. De rechtbank neemt deze conclusie dan ook over bij de beoordeling of sprake is van toegebracht of accidenteel letsel.

Verder acht de rechtbank relevant dat [slachtoffer] een pre-mobiel kind was, wat betekent dat hij nog niet zelfstandig kon voortbewegen (zoals kruipen of rollen). Het letsel kan daarom niet door [slachtoffer] zelf zijn veroorzaakt. Vallen van beperkte hoogte (1 à 2 meter) en andere huis-tuin-keuken ongevallen kunnen het hersenletsel bij [slachtoffer] niet verklaren. Er is ook geen enkele melding gemaakt dat [slachtoffer] een val heeft gemaakt of dat er iets anders is gebeurd wat de bloeduitstorting in de hersenen zou kunnen verklaren, zoals bijvoorbeeld een hard voorwerp dat op het hoofd van [slachtoffer] is gevallen of het stoten van zijn hoofd tegen een hard voorwerp.

Vanwege deze overwegingen en omdat er geen ander, niet hoogst onwaarschijnlijk scenario is dat het ontstaan van het fataal geworden hersenletsel bij [slachtoffer] als gevolg van een ongeluk zou kunnen verklaren, is de conclusie van de rechtbank dat het hersenletsel bij [slachtoffer] moet zijn toegebracht doordat er hevig geweld op het hoofd of op het lichaam van [slachtoffer] is uitgeoefend (abusive head trauma).

De ouderdom van de bloeding onder het harde hersenvlies wordt geschat op meerdere dagen tot hooguit twee weken (meest waarschijnlijk een week) voor het overlijden van [slachtoffer] . Acute neurobiologische verschijnselen, zoals naar adem happen (gasping), en de noodzaak tot ziekenhuisopname moeten zijn ontstaan tijdens of direct na de krachtsinwerking. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er hevig geweld op [slachtoffer] is toegebracht kort voordat [slachtoffer] naar adem ging happen en door verdachte 112 is gebeld op 28 juni 2021.

Daarnaast had [slachtoffer] twee ribbreuken die sterk gerelateerd zijn aan toegebracht letsel; deze breuken hebben niet bijgedragen aan de dood van [slachtoffer] . De ouderdom van deze ribbreuken kan niet nauwkeuriger worden vastgesteld dan dat deze tussen meerdere dagen tot enkele weken voor het overlijden van [slachtoffer] zijn ontstaan. De ribbreuken kunnen, maar hoeven niet gelijktijdig met de bloeduitstorting in de hersenen van [slachtoffer] zijn ontstaan.

Verdachte heeft het hersenletsel bij [slachtoffer] toegebracht

De vervolgvraag is of verdachte verantwoordelijk is voor het toebrengen van het hersenletsel bij [slachtoffer] .

Verdachte was de enige persoon die op 28 juni 2021 bij [slachtoffer] was in de laatste 45 à 60 minuten voordat de toestand van [slachtoffer] zo ernstig was dat verdachte 112 heeft moeten bellen. Toen [moeder] rond de klok van 18.30 uur de woning verliet, was [slachtoffer] nog ‘normaal’. Ook heeft [slachtoffer] kort daarvoor (rond 16.45 uur) nog een hele fles leeggedronken; dat zou onmogelijk zijn geweest als op dat moment al de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies was ontstaan. De abnormale ademhaling en het volledig slap zijn van [slachtoffer] waarover verdachte heeft verklaard en wat hem er toe heeft gebracht 112 te bellen, passen bij de klinische verschijnselen waarover de deskundigen hebben verklaard dat deze optreden tijdens of direct na een krachtsinwerking.

Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte fors geweld op [slachtoffer] heeft toegepast toen hij alleen was met [slachtoffer] op 28 juni 2021. Daarmee heeft hij het hersenletsel bij [slachtoffer] veroorzaakt. Het kan niet kloppen dat er in de tijd dat verdachte alleen was met [slachtoffer] niets is voorgevallen, zoals verdachte telkens heeft verklaard. Die verklaring is niet passend bij de doodsoorzaak van [slachtoffer] .

Omdat verdachte heeft ontkend verantwoordelijk te zijn voor het hersenletsel bij [slachtoffer] , is niet precies duidelijk geworden waaruit dat geweld heeft bestaan. Uit de medische bevindingen volgt echter dat het geweld zal hebben bestaan uit hevig schudden (dynamisch repeterend acceleratie/deceleratie-trauma), stomp botsend geweld op het hoofd van [slachtoffer] (zoals slagen/vallen/stoten) of een combinatie van beide.

Opzet van verdachte

Omdat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte hevig geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend en daarmee hersenletsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt, is de (juridische) vervolgvraag of verachte opzettelijk heeft gehandeld. Had verdachte bij zijn handelen opzet op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] ? Als de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, dan kan de eerste beschuldiging (doodslag, dan wel zware mishandeling) niet bewezen worden.

Juridisch kader

Het strafrecht kent verschillende vormen van opzet. De zwaarste vorm van opzet heet ‘vol opzet’, waarbij de verdachte echt het doel heeft om het strafbare feit te plegen. De meest lichte vorm van opzet wordt ‘voorwaardelijk opzet’ genoemd. Daarvan is sprake als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen) dat een bepaald gevolg zal intreden. Of dit het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval: wat voor soort gedrag heeft verdachte vertoond (de aard van de gedragingen) en onder welke omstandigheden heeft hij dat heeft gedaan. Van een aanmerkelijke kans is sprake bij een kans die naar algemene ervaringsregels reëel of niet onwaarschijnlijk is. Daarnaast moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer kon overlijden (het ‘weten’) en dat hij die kans bewust heeft aanvaard (het ‘willen’). Dat wordt beoordeeld tegen de achtergrond van de aard van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, wat de verdachte daarover heeft verklaard en de persoon van de verdachte. Er zijn bepaalde gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als er contra-indicaties zijn – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard.

Oordeel van de rechtbank over het opzet

De rechtbank heeft geen enkele aanwijzing en gaat er ook niet van uit dat verdachte echt het doel had [slachtoffer] te doden of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Er is daarom geen sprake van vol opzet.

Wel komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] had.

Het is volgens de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat een baby bijzonder kwetsbaar is en dat de kwetsbaarheid groter is naarmate de baby jonger is. Bij een baby zijn in de eerste levensmaanden spieren, weefsels en botten nog zo weinig ontwikkeld en draagkrachtig, dat men voorzichtig moet zijn bij het oppakken van de baby en in de omgang. Een babylichaam, in het bijzonder het relatief grote en zware hoofd, moet zo veel mogelijk worden ondersteund. Dat mag bij iedereen, dus ook bij verdachte, bekend worden verondersteld.

Het hersenletsel bij [slachtoffer] is veroorzaakt door fors geweld dat heeft bestaan uit dynamische repeterende acceleratie-deceleratie (schudden), een impacttrauma (stomp botsende krachtsinwerking) op het hoofd van [slachtoffer] of een combinatie van beide. De kans dat een baby van nog geen zes weken oud als gevolg van het toepassen van een dergelijke kracht overlijdt, is naar algemene maatstaven aanmerkelijk te achten. Deze risico’s staan ook omschreven in het kraamzorgplan van [slachtoffer] voor zijn ouders. De kraamverzorgster die verdachte en [moeder] heeft geholpen in de kraamtijd van [slachtoffer] , heeft verklaard dat zij het ‘shaken baby-syndroom’ met hen heeft besproken.

Verdachte moet daarom bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden als fors geweld op hem zou worden uitgeoefend.

De uiterlijke verschijningsvorm van het geweld (zoals hiervoor omschreven) moet, gelet op het toegebrachte hersenletsel, zo krachtig zijn geweest dat dit geweld gericht moet zijn geweest op de dood van [slachtoffer] . Ook al heeft verdachte de dood van [slachtoffer] niet gewild, het kan niet anders dan dat hij de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] op dat moment bewust heeft aanvaard.

Om te kunnen zeggen dat verdachte de kans op de dood níet bewust heeft aanvaard, moeten contra-indicaties bestaan. Die contra-indicaties zijn er in dit geval niet. Verdachte heeft geen openheid van zaken kunnen of willen geven over wat er precies is gebeurd, zodat de rechtbank daarmee ook geen rekening kan houden. Weliswaar rijst uit de (hierna nog te bespreken) rapporten van de psycholoog en de reclassering en uit de verschillende getuigenverklaringen het beeld dat verdachte een liefhebbende man is die geen kwaad in de zin heeft en heeft verdachte achteraf hulpverlening ingeschakeld. Dat zijn naar het oordeel van de rechtbank geen relevante contra-indicaties. Deze rapporten en verklaringen zeggen namelijk niets over de toestand en beweegredenen van verdachte op het moment dat hij hevig geweld op [slachtoffer] heeft toegepast. Juist daarin heeft de rechtbank geen inzicht gekregen.

Toebrengen ribbreuken voor 28 juni 2021 is niet bewezen

De beschuldiging die gaat over de ribbreuken bij [slachtoffer] , vindt de rechtbank niet bewezen. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte op enig moment tussen 1 en 27 juni 2021 iets heeft gedaan waardoor de twee ribbreuken bij [slachtoffer] zijn ontstaan. Het is niet uitgesloten dat deze ribbreuken zijn ontstaan tegelijkertijd met het geweld waardoor de bloeduitstorting in de hersenen is ontstaan. Dat betekent dat de rechtbank verdachte van de tweede beschuldiging vrij spreekt.

Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte:

op 28 juni 2021 te Helmond, opzettelijk zijn eigen kind, [slachtoffer] ( [2021] ) van het leven heeft beroofd, door hem opzettelijk met kracht- vast te pakken en/of te houden en/of- (vervolgens) (hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of- tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of- (hard) op/tegen zijn hoofd te slaan/ stompen en/of- anderszins (hevig) geweld uit te oefenen op zijn hoofd,waardoor een of meer bloedingen/bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies en hersenletsel is/zijn ontstaan, ten gevolge waarvan [slachtoffer] op [overlijdensdatum] is overleden.

Wat meer of anders ten laste gelegd is dan bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte van deze onderdelen vrij.

5. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht als doodslag (feit 1 primair).

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

6. Straf

De rechtbank legt in dit hoofdstuk uit tot welke straf voor verdachte zij is gekomen. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst en gevolgen van het feit (6.1), de persoon van verdachte (6.2) en de overschrijding van de redelijke termijn (6.3). De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van zeven jaren (6.4).

Ernst en gevolgen van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Door toedoen van verdachte heeft zijn zoon [slachtoffer] , die op dat moment bijna zes weken oud was, het leven gelaten.

[slachtoffer] had zijn hele leven nog voor zich en dat leven heeft verdachte hem ontnomen. Een baby met de leeftijd van [slachtoffer] is volkomen weerloos en bovendien volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. [slachtoffer] zou juist bij zijn vader volkomen veilig moeten zijn.

Het overlijden van [slachtoffer] brengt vanzelfsprekend veel verdriet met zich. Zijn dood heeft een diepe groef achtergelaten in het leven van zijn moeder, grootouders en alle andere naasten. Zij worden elke dag geconfronteerd met het gemis van [slachtoffer] en hun leven is voor altijd ontwricht.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen inzicht heeft willen geven in zijn handelen, waardoor de precieze oorzaak van de medische noodsituatie en het latere overlijden van [slachtoffer] onduidelijk is gebleven.

De verdachte

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 januari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte dan ook geen strafverzwarende omstandigheden.

Rapporten van een psycholoog en de reclassering

In verband met deze zaak zijn over verdachte twee rapporten gemaakt, namelijk een rapport van psycholoog D.M.K. Versteijnen van 27 oktober 2021 en een rapport van de reclassering van 9 februari 2026.

Rapport van de psycholoog

In het rapport van de psycholoog staat dat bij verdachte geen aanwijzingen zijn gevonden dat betrokkene lijdt aan een psychische ziekte. Volgens de psycholoog komt verdachte over als iemand die emotioneel in evenwicht is en over voldoende ontwikkelde regulatie- en coping-mechanismen beschikt om met (in dit geval zelfs extreme) stress om te gaan. De psycholoog acht het risico op delictgedrag zeer klein. Vanwege het ontbreken van een stoornis en een zeer lage risico-inschatting, wordt er door de psycholoog geen interventie geadviseerd.

Rapport van de reclassering

Uit het reclasseringsrapport volgt dat er op de praktische leefgebieden geen problemen of bijzonderheden zijn. Verdachte is nog steeds samen met [moeder] en zij hebben in december 2023 nog een zoon gekregen, [naam 3] . Veilig Thuis heeft in 2024 onderzoek gedaan naar de opvoedsituatie, maar geen bijzonderheden vastgesteld en daarom het onderzoek gesloten. Verdachte wordt door [moeder] gesteund, net als door zijn ouders, broer, schoonouders en schoonzus. Verdachte werkt als zzp’er en is kostwinner.

Mocht verdachte veroordeeld worden, ziet de reclassering geen aanwijzingen voor problemen die verband houden met wat er met [slachtoffer] gebeurd is. Daarom vindt de reclassering een reclasseringstoezicht en het inzetten van hulp op dit moment niet nodig.

De reclassering merkt op dat een gevangenisstraf forse impact zal hebben op verdachte en zijn gezinssysteem, omdat dan een groot deel van de inkomsten van het gezin wegvalt. Het inkomen van [moeder] is onvoldoende om de vaste lasten van te betalen, waardoor het mogelijk nodig kan zijn om de gezamenlijke woning te verkopen.

Redelijke termijn

Een verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. Als dat niet lukt en die termijn wordt overschreden, dan kan de rechtbank bepalen dat de straf wordt verminderd.

De redelijke termijn is in dit geval gestart op 20 juli 2021, omdat verdachte toen in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon hij ervan uitgaan dat hij zou worden vervolgd. Tot aan dit vonnis is een periode van vier jaren en acht maanden verstreken.

Verdachte heeft wel enige tijd in voorarrest gezeten, maar is vanaf 15 september 2021 op vrije voeten gekomen en heeft dus vooral in vrijheid op de behandeling van zijn strafzaak gewacht. Het uitgangspunt is dan dat de redelijke termijn 24 maanden is. Er is weliswaar – mede op verzoek van de verdediging – forensisch (tegen)onderzoek verricht, maar dat verklaart niet de forse overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak. De rechtbank heeft geconstateerd dat tussen de uitgebrachte rapportages regelmatig veel tijd is verstreken. Ook de agenda van de rechtbank heeft bij de planning van deze zaak een rol gespeeld.

Dat betekent dat er in deze strafzaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van 32 maanden. De rechtbank licht hierna toe welk gevolg dit heeft voor de op te leggen straf.

Oplegging straf

Doodslag behoort tot de ernstigste delicten die er bestaan. Het recht op leven is een fundamenteel recht dat in onze rechtsorde moet worden beschermd. Het opzettelijk ontnemen van iemands leven rechtvaardigt een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat is nodig uit het oogpunt van vergelding en als signaal naar de samenleving dat dit soort misdrijven ernstig worden bestraft (dat wordt ‘generale preventie’ genoemd). Het opleggen van een ander soort straf dan een gevangenisstraf is niet passend.

De rechtbank heeft als vertrekpunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Op basis daarvan hanteert de rechtbank als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren.

De rechtbank heeft er oog voor dat een gevangenisstraf voor verdachte bijzonder zwaar zal zijn. Tijdens het voorarrest bleek dat verdachte (destijds) niet geschikt was voor het reguliere detentieregime en is hij overgeplaatst naar een Extra Zorgvoorziening. Ook zal een lange gevangenisstraf een grote impact hebben op het leven van [moeder] en [naam 3] .

De rechtbank ziet bovendien dat verdachte voor de gebeurtenissen op 28 juni 2021 zijn leven goed op orde had. Sinds hij weer op vrije voeten is, doet verdachte zijn best zijn leven weer op te pakken en een goede partner en vader te zijn. Hoewel de rechtbank hem verantwoordelijk houdt voor de dood van [slachtoffer] , moet verdachte leven met het verlies van zijn oudste zoon. Dat moet voor verdachte een enorm zware last zijn, die hij de rest van zijn leven zal moeten dragen.

Met al die omstandigheden zal de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening houden, maar die wegen niet zo zwaar dat de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf zal beperken tot de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten (zoals de verdediging heeft bepleit).

Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de strafzaak tegen verdachte onredelijk lang heeft geduurd. Verdachte heeft ruim vier jaar in de onzekerheid over de uitkomst van deze zaak geleefd. Daarbij is de redelijke termijn met 32 maanden overschreden. Dit heeft het leven van hem en zijn gezin ernstig belemmerd. Deze overschrijding van de redelijke termijn leidt ertoe dat de rechtbank een lagere straf oplegt dan wanneer de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn en vanwege de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte vermindert de rechtbank de straf met een jaar.

Daarom wordt een gevangenisstraf van zeven jaren opgelegd. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal op de straf in mindering worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 15 september 2021 geschorst.

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De officier van justitie heeft zich tegen dat verzoek verzet, maar zij heeft verklaard er geen bezwaar tegen te hebben als de schorsing van de voorlopige hechtenis zal voortduren.

Ondanks dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een langdurige gevangenisstraf, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een eventueel hoger beroep tegen dit vonnis in vrijheid zal mogen afwachten. Omdat verdachte al ruim vier jaar op vrije voeten is hangende deze strafzaak en dat niet tot maatschappelijke beroering heeft geleid, is van een geschokte rechtsorde geen sprake (meer) – ook niet als verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid mag afwachten. Dat betekent dat er geen grond meer bestaat voor het voortduren van de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opheffen.

8. Wettelijke voorschriften

De rechtbank baseert deze straf op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

Kwalificatie en strafbaarheid

Straf

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van vandaag.

10. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M.T. Keukens, voorzitter,

mr. M.E. Bartels en mr. S.H. Schepers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.

Bijlage – de volledige tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 28 juni 2021 te Helmond, in elk geval in Nederland,

opzettelijk zijn eigen kind, [slachtoffer] ( [2021] ) van het leven heeft beroofd,

door hem meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (met kracht)

- vast te pakken en/of te houden en/of

- ( vervolgens) (hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- ( hard) op/tegen zijn hoofd te slaan/ stompen en/of schoppen en/of

- anderszins (hevig) geweld uit te oefenen op zijn hoofd en/of zijn lichaam,

waardoor een of meer bloedingen/bloeduitstortingen in de hersenen en/of onder het harde hersenvlies en/of hersenletsel en/of acceleratie-deceleratie trauma (voorheen bekend als shaken-baby-syndrome) is/zijn ontstaan,

ten gevolge waarvan [slachtoffer] op [overlijdensdatum] is overleden.

( art 287 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juni 2021 te Helmond, in elk geval in Nederland,

aan zijn eigen kind, [slachtoffer] ( [2021] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten

- meerdere, althans een, ribfractu(u)r(en) en/of

- meerdere, althans een afscheuring(en), in elk geval beschadiging(en) van de brugven(en) en/of

- meerdere, althans een bloeding(en) onder het harde hersenvlies en/of

- acceleratie-deceleratie impact trauma (voorheen bekend als shaken-baby-syndrome), althans hersenletsel

door hem meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en met kracht

- vast te pakken en/of te houden en/of

- ( hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- ( hard) tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of schoppen en/of

- anderszins geweld uit te oefenen op zijn hoofd en/of zijn lichaam,

ten gevolge waarvan [slachtoffer] op [overlijdensdatum] is overleden.

artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 juni 2021 tot en met 27 juni 2021 te Helmond, in elk geval in Nederland,

aan zijn eigen kind, [slachtoffer] ( [2021] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten

- meerdere, althans een, ribfractu(u)r(en)

door hem meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en met kracht

- vast te pakken en/of te houden en/of

- ( hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- ( hard) tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of

- anderszins geweld uit te oefenen op zijn hoofd en/of zijn lichaam,

artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 juni 2021 tot en met 27 juni 2021 te Helmond, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn eigen kind, [slachtoffer] ( [2021] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en met kracht

- vastgepakt en/of gehouden en/of

- ( hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer geschud en/of

- ( hard) tegen een oppervlak geslagen en/of gestoten en/of

- op/tegen zijn hoofd geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of

- anderszins geweld uitgeoefend op zijn hoofd en/of zijn lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 juni 2021 tot en met 27 juni 2021 te Helmond, in elk geval in Nederland, zijn eigen kind, [slachtoffer] ( [2021] ), heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal opzettelijk en met kracht

- vast te pakken en/of te houden en/of

- ( hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- ( hard) tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of

- anderszins geweld uit te oefenen op zijn hoofd en/of zijn lichaam

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?