ECLI:NL:RBOBR:2026:2013

ECLI:NL:RBOBR:2026:2013

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 01/236582/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak diefstal. Veroordeling voor bedreiging, mishandeling, vernieling, brandstichting en medeplegen van vernieling in huiselijke sfeer tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van een (dadelijk uitvoerbare) vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. Vordering benadeelde partij deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01-236582-25

Datum uitspraak: 31 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats ] op [1984] ,

ingeschreven en verblijvende te: [vestigingsplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025 en 17 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 december 2025 is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 5 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk een auto (Fiat), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een door hem, verdachte onrechtmatig verkregen sleutel;

feit 2:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk [slachtoffer] heeft bedreigd met brandstichting en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen

"ik ga jouw auto in brand steken, en daarna jou" en/of

"ik steek jou, je huis en de auto in brand"

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk [slachtoffer] heeft mishandeld, door

een salontafel tegen/naar die [slachtoffer] te gooien en/of

die [slachtoffer] (stevig) bij de nek te pakken en/of (vervolgens)

die [slachtoffer] naar de grond te trekken, waardoor die [slachtoffer] viel en/of op de grond terecht kwam, en/of

die [slachtoffer] , toen zij op de grond terecht was gekomen met kracht, met geschoeide voet, in/tegen de rug te trappen;

feit 4:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk opzettelijk en wederrechtelijk een salontafel en/of een televisie en/of een vaas en/of een of meer ruiten van een woning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

feit 5

primair:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk opzettelijk

brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een auto, te weten een Fiat, toebehorende aan [slachtoffer] , althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verband, in elk geval brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of een of meer zich in die auto bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Fiat), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

feit 6:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 september 2025 tot en met 8 september 2025 te Hank, gemeente Altena, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Mercedes), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of [bedrijf] ., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

[slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte op 5 september 2025 haar woning aan de [adres] te Cuijk is binnengekomen, vervolgens zonder haar toestemming de sleutels van haar Fiat heeft meegenomen en daarna de woning heeft verlaten. Nadien stelde zij vast dat de Fiat was verdwenen.

De rechtbank overweegt dat op basis van uitsluitend de verklaring van de aangeefster niet kan worden aangenomen dat de verdachte het voertuig met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte regelmatig van de Fiat gebruik maakte en deze ook van aangeefster mocht gebruiken en dat hierover geen duidelijke afspraken waren gemaakt. De verklaring van aangeefster dat de verdachte op 5 september 2025 geen toestemming had om het voertuig te gebruiken, vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. De wederrechtelijkheid van het wegnemen van het voertuig kan dan ook niet worden bewezen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte zich het voertuig wederrechtelijk heeft toegeëigend en spreekt hem vrij van de tenlastegelegde diefstal.

Feiten 2 tot en met 6

De bewijsvraag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Voor wat betreft het onder 5 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gerekwireerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

1. Feiten 2, 3 en 4

Aangeefster [slachtoffer] heeft - kort na het incident - verklaard dat de verdachte op 7 september 2025 haar woning is binnengekomen, haar heeft bedreigd, mishandeld en goederen in de woning heeft vernield. Ook haar dochter, getuige [getuige] , verklaart hierover. De rechtbank overweegt dat hun verklaringen elkaar ondersteunen en eveneens nadere ondersteuning vinden in het letsel van de aangeefster, de verklaring van de verdachte dat er spullen zijn gegooid en kapot zijn gegaan, en de waarnemingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse. Zij verbaliseren over de schade in de woning, de emotie en paniek bij de aangeefster en getuige [getuige] , alsook over de krassen op de linkerarm van de aangeefster.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en vindt deze naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondersteuning in de overige bewijsmiddelen in het dossier.

De rechtbank zal de feiten 2, 3 en 4 dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaren.

2 Feiten 5 en 6

Nadat de verdachte op 7 september 2025 bedreigingen heeft geuit om de auto’s van de aangeefster in brand te zetten (zoals bewezen onder feit 2), wordt de door haar geleasede Fiat 500, voorzien van het kenteken [kenteken 1] (hierna de Fiat), vlak hierna in brand aangetroffen. De dag daaropvolgend wordt de door haar geleasede Mercedes AMG C 43, voorzien van het kenteken [kenteken 2] (hierna: de Mercedes) afgebrand aangetroffen. In het kader van het onderzoek zijn de telefoongesprekken van de verdachte, die vanuit de penitentiaire inrichting zijn gevoerd, uitgeluisterd en is er een telefoontap aangesloten op het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte] .

Bewijsuitsluiting?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bewijsuitsluiting dient te volgen voor de uitgeluisterde telefoongesprekken door verbalisant [verbalisant 3] , omdat op basis van de latere woordelijke uitwerking van één van de gesprekken is vast te stellen dat deze verbalisant een gesprek onjuist heeft uitgewerkt.

De rechtbank overweegt dat de processen-verbaal door verbalisant [verbalisant 3] op ambtsbelofte zijn opgemaakt. De onderliggende tapgesprekken zijn uitgeluisterd door [verbalisant 3] en andere verbalisanten. Dat verbalisant [verbalisant 3] een onjuistheid heeft geverbaliseerd ten aanzien van het telefoongesprek van 15 september 2025, is gecorrigeerd in het proces-verbaal van 5 maart 2026 waarin dit gesprek woordelijk is uitgewerkt. Waar het gaat om door andere verbalisanten uitgeluisterde gesprekken opgenomen in een door verbalisant [verbalisant 3] opgemaakt proces-verbaal, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door die verbalisanten op ambtseed/belofte gemaakte uitwerking.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting.

De beoordeling van de feiten

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting van de Fiat en het medeplegen van vernieling van de Mercedes.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 7 september 2025 tussen 12:24 uur en 12:30 uur is brand ontstaan in de Fiat, afkomstig van binnenuit het voertuig, terwijl deze geparkeerd stond op de Oude Werf in Cuijk. Verbalisanten hebben een duidelijk brandstoflucht geroken uit de binnenzijde van het voertuig. De rechtbank constateert dat het voertuig werd aangetroffen vlakbij de woning van de aangeefster, waar de verdachte zojuist bedreigingen had geuit over het in brand steken van de auto’s. De verdachte reed regelmatig met het voertuig en beschikte over de sleutel van het voertuig. Uit de zendmastgegevens volgt dat de telefoon van de verdachte op 7 september 2025 om 12:30 uur een zendmast aanstraalde gelegen aan de Weldaad 22 in Cuijk, op enkele honderden meters afstand van de Oude Werf in Cuijk.

Op 8 september 2025 omstreeks 22.30 uur is de Mercedes in brand gestoken, waarna deze uitgebrand werd aangetroffen in Hank. In het voertuig was geen enkel teken van voorstoelen of een achterbank welke in het voertuig zouden hebben gezeten. Diezelfde dag om 21:39 uur vond er een gesprek plaats met het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte] , waarin hij aangaf met de verdachte in de bus te zitten. Er werd ook een tweede mannenstem gehoord. Het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte] straalt op dat moment de zendmast in Hank aan, welke mast valt onder het theoretische dekkingsgebied van de Middellaan in Hank, alwaar de Mercedes uitgebrand is aangetroffen.

Uit de gesprekken van het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte] van 8 september 2025 leidt de rechtbank verder af dat medeverdachte [medeverdachte] om 22:53 uur met zijn moeder heeft gebeld over het interieur uit een auto halen, en dat de auto nu ergens in brand staat. De rechtbank constateert dat dit gesprek plaatsvond kort nadat de Mercedes, waarvan eerder het interieur was verwijderd, in brand was gestoken. In ditzelfde telefoongesprek zegt medeverdachte [medeverdachte] : 'Hij heeft gezeik met zijn ex’, ‘vorige week heeft hij die auto van dat wijf in de fik gestoken daar in Cuijk, en nou de andere aangestoken’. Op 8 september 2025 heeft medeverdachte [medeverdachte] eveneens op internet gezocht op termen ‘Wat voor straf voor auto brandstichting’, en ‘interieur c43 amg’, en op 9 september 2025 op ‘Autobrand Hank’.

Op 9 september 2025 is de verdachte vervolgens aangehouden in een Mercedes Benz Vito, met kenteken [kenteken 3] , toebehorend aan medeverdachte [medeverdachte] , waarin een fles brandspiritus en een stoel van het merk en model van de Mercedes van de aangeefster wordt aangetroffen.

De rechtbank concludeert dat verdachte kon beschikken over de sleutels van de Fiat en de Mercedes, dat hij tegen aangeefster heeft gezegd dat hij haar auto’s in brand zou steken en dat beide auto’s vervolgens – op dezelfde dag respectievelijk de dag erna – ook betrokken zijn geweest bij een brandstichting. Uit het gesprek van [medeverdachte] met diens moeder kan betrokkenheid van verdachte bij beide feiten worden afgeleid. Verdachte was – zo volgt uit de bewijsmiddelen – in beide gevallen in de buurt van de brand. Bij de brand van de Mercedes was verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] in de omgeving ten tijde van de brand en een stoel uit de Mercedes werd aangetroffen in de bus van [medeverdachte] . Verdachte ontkent dat hij betrokken was bij de brandstichting dan wel de vernieling, maar geeft geen enkele verklaring voor deze omstandigheden. Sterker nog, hij verklaart evenmin met welk voertuig hij zich in de periode van 5 september 2025 tot en met 8 september 2025 op verschillende momenten van zijn eigen woning naar de woning van aangeefster of medeverdachte [medeverdachte] heeft verplaatst. Nu de verdachte geen andere verklaring heeft gegeven, is het naar het oordeel van de rechtbank gelet op de bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang beschouwd – de verdachte geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting van de Fiat en de vernieling van de Mercedes.

Dat door de brandstichting van de Fiat gemeen gevaar voor goederen is ontstaan - namelijk voor de Fiat zelf en de goederen daarin - staat vast en wordt door de verdediging ook niet betwist.

De rechtbank zal de feiten 5 en 6 dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Medeplegen vernieling

De rechtbank concludeert op basis van de gebezigde bewijsmiddelen dat er bij de vernieling van de Mercedes ook sprake is geweest van medeplegen door medeverdachte [medeverdachte] . Medeverdachte [medeverdachte] was niet enkel op de hoogte van de vernieling van de Mercedes, zoals volgt uit de tapgesprekken met zijn moeder en zoekgegevens op zijn telefoon, maar is ook de bewuste avond samen met de verdachte richting de plaats delict gereden. Voorafgaand hieraan heeft hij een ‘auto uit elkaar gehaald’, waarna in zijn bus een stoel van de Mercedes is aangetroffen. Dit levert een nauwe en bewuste samenwerking op tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

feit 2:

op 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk [slachtoffer] heeft bedreigd met brandstichting en met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jouw auto in brand steken, en daarna jou" en "ik steek jou, je huis en de auto in brand";

feit 3:

op 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk [slachtoffer] heeft mishandeld, door een salontafel tegen die [slachtoffer] te gooien en die [slachtoffer] (stevig) bij de nek te pakken en (vervolgens) die [slachtoffer] naar de grond te trekken, waardoor die [slachtoffer] viel en op de grond terecht kwam, en die [slachtoffer] , toen zij op de grond terecht was gekomen met kracht, met geschoeide voet, tegen de rug te trappen;

feit 4:

op 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk opzettelijk en wederrechtelijk een salontafel, een televisie, een vaas en ruiten van een woning, die aan [slachtoffer] , toebehoorden heeft vernield en/of beschadigd;

feit 5

primair:

op 7 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een auto, te weten een Fiat, toebehorende aan [slachtoffer] , althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die auto gedeeltelijk is verband, in elk geval brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor die auto en zich in die auto bevindende goederen te duchten was;

feit 6:

in de periode van 5 september 2025 tot en met 8 september 2025 te Hank, gemeente Altena, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Mercedes), die aan [bedrijf] . toebehoorde, heeft vernield.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod met de aangeefster en haar dochters. De officier van justitie heeft eveneens gevorderd om het contact- en locatieverbod op te leggen via een (dadelijk uitvoerbare) vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van 3 jaren, met toepassing van vervangende hechtenis bij overtreding daarvan voor de duur van 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk deel. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van goederen in de woning van zijn ex-partner, en mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner. Deze bedreiging hield in dat hij haar auto, haar woning en haarzelf in brand zou steken. Diezelfde dag is haar leaseauto (Fiat) door de verdachte in brand gezet, en kort daarna is haar andere leaseauto (Mercedes) door de verdachte en zijn mededader vernield. Doordat hij een deel van die bedreigingen, - de brandstichting en vernieling van de voertuigen -, uitvoerde, heeft hij bij het slachtoffer de vrees doen ontstaan dat hij ook zijn andere bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren. Dit was voor haar zeer beangstigend. Door aldus te handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich niets heeft aangetrokken van de impact van zijn handelen op het slachtoffer, maar enkel oog heeft gehad voor zijn eigen gevoelens.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 november 2025. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijk feiten, waaronder in 2017 voor brandstichting en recent in België op 13 januari 2025 voor opzettelijke beschadiging/vernietiging van eigendom. Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.

Bij de strafmaatbepaling heeft de rechtbank verder acht geslagen op een de verdachte betreffend adviesrapport van Reclassering Nederland van 3 maart 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering ziet op dit moment enige instabiliteit, zoals het ontbreken van vaste eigen huisvesting en werk. Zij schatten in dat de verdachte in staat is om, met hulp van zijn directe omgeving, hier stabiliteit in te verkrijgen. De reclassering ziet dan ook geen meerwaarde in reclasseringsinterventies. Gelet op de wens van het slachtoffer om een contact- en locatieverbod, geeft de reclassering deze voorwaarde in overweging mee.

De reclassering adviseert dan ook om bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met het slachtoffer.

De strafoplegging

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de proceshouding van de verdachte. De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen. Ook heeft de verdachte op geen enkel moment berouw getoond voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde en zal zij daarom de officier van justitie volgen in de eis, met uitzondering van oplegging van het contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet hierin geen meerwaarde, nu zij deze verboden (zoals hierna genoemd) als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr zal opleggen.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Om te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen acht de rechtbank het noodzakelijk om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Deze maatregel zal inhouden dat de verdachte zich moet onthouden van contact (op directe en indirecte wijze) met het slachtoffer en haar dochters, en zich niet mag ophouden in een straal van 500 meter van de straat waar zij wonen, te weten de [adres] in Cuijk. Voor het geval de verdachte niet aan de maatregel zal voldoen, zal de rechtbank bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. De rechtbank bepaalt de duur van de vervangende hechtenis op veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De duur van deze vrijheidsbeperkende maatregel zal de rechtbank bepalen op drie jaren.

De rechtbank zal de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er – mede gelet op het recidiverisico, de proceshouding van de verdachte en de door verdachte ondernomen pogingen tot contact met het slachtoffer vanuit de penitentiaire inrichting – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend tegenover het slachtoffer zal gedragen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 18.794,86, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 8.794,86 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

[slachtoffer] vordert eveneens dat de verdachte hoofdelijk (met zijn medeverdachte) tot betaling wordt veroordeeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de gevorderde hoofdelijkheid moet worden afgewezen.

Materiële schade

De officier van justitie heeft betoogd dat voldoende is vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde feiten. De gevorderde reiskosten zijn voldoende toegelicht en derhalve toewijsbaar. De schade aan de inboedel (televisie, ruit, salontafel, deuk in muur, vaas, en loszittende scharnieren) is ter plaatse door de politie waargenomen. Gelet op het ontbreken van de aankoopfacturen, kan de rechtbank voor wat betreft de hoogte van deze schade gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Voor wat betreft de goederen die niet op de tenlastelegging staan heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Immateriële schade

De officier van justitie heeft betoogd dat de immateriële schade voldoende is onderbouwd. Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij slechts gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt en voor het overige dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Materiële schade

i. Reiskosten

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten heeft de verdediging aangevoerd dat deze niet kunnen worden vastgesteld. De afstand tot het gestelde schuiladres is niet verifieerbaar, waardoor de onderbouwing van deze post onvoldoende is. De verdediging heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid.

Televisie

Met betrekking tot de vernielde televisie heeft de verdediging aangevoerd dat, gelet op de grondslag van de vordering, rekening dient te worden gehouden met afschrijving. De televisie is circa vier jaar oud en kent een gemiddelde levensduur van acht jaar. Dit brengt mee dat een afschrijving van 50% redelijk is, uitgaande van een nieuwwaarde van € 999,00.

Gordijnen en jaloezieën

Ten aanzien van de gordijnen en jaloezieën heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat deze schadepost niet voorkomt op de tenlastelegging en reeds om die reden dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. Uit de overgelegde offerte kan niet worden afgeleid hoe lang deze zaken in gebruik zijn geweest. Daarbij ziet de offerte slechts op twee jaloezieën, terwijl vergoeding wordt gevorderd voor raambekleding voor de gehele woning.

Dyson pure cool tower

Met betrekking tot de Dyson heeft de verdediging betoogd dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat deze schadepost rechtstreeks verband houdt met het tenlastegelegde feit, waardoor deze post afgewezen dient te worden.

Diverse meubelstukken

Ten aanzien van de diverse meubelstukken heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een deel van de schade voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij dient echter eveneens rekening te worden gehouden met afschrijving. De verdediging acht een afschrijving van 50% redelijk.

Vervangende vaas

Met betrekking tot de vaas ter waarde van € 220,00 heeft de verdediging betoogd dat de meegestuurde afbeelding niet overeenkomt met de aangetroffen scherven, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het afgebeelde product daadwerkelijk betrekking heeft op de beschadigde vaas, zodat deze post afgewezen dient te worden.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat er een discrepantie bestaat tussen de gestelde aanschafwaarde en de reële waarde van de goederen. Indien en voor zover de rechtbank tot toewijzing overgaat, heeft de verdediging aangevoerd dat de schade kan worden geschat met inachtneming van de gebruikelijke levensduur van de betreffende goederen en de daarbij behorende afschrijving.

Immateriële schade

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op het ontbreken van onderbouwende stukken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er veel is weglakt in de medische stukken van de benadeelde partij, waardoor onvoldoende kenbaar is of de problematiek die zij ervaart al bestond voordat de ten laste gelegde feiten plaatsvonden.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten:

Reiskosten (i) - € 119,46

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat deze kosten zijn gemaakt als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten. In het licht van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank het invoelbaar dat het schuiladres niet is weergegeven in de onderbouwende stukken, waardoor zij het verweer van de verdediging verwerpt.

Televisie (ii) - € 500,00

Met betrekking tot de vernielde televisie overweegt de rechtbank dat de omvang van de schade niet exact kan worden vastgesteld. Gelet op de ouderdom van het apparaat en de te verwachten levensduur, acht de rechtbank het redelijk de schade schattenderwijs vast te stellen op een bedrag van € 500,00. Dit bedrag zal worden toegewezen.

Diversie meubelstukken (v) - €254,15

Ten aanzien van de diverse meubelstukken overweegt de rechtbank dat slechts met betrekking tot de salontafel aannemelijk is geworden dat deze is beschadigd als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 254,15 toewijzen. Voor het overige is onvoldoende vast komen te staan dat sprake is van schade die in rechtstreeks verband staat met de bewezenverklaarde feiten, zodat de benadeelde partij in zoverre

niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Kosten medicatie (vii) - € 18,05

De schadepost ‘kosten voor medicatie’ is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de volgende onderdelen van de vordering, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, te weten:

Gordijnen en jaloezieën (iii)

De rechtbank overweegt dat onvoldoende duidelijk is geworden welke specifieke gordijnen en jaloezieën als gevolg van de bewezenverklaarde feiten zijn beschadigd. De omvang van de schade kan daarom niet worden vastgesteld. Nader onderzoek naar de omvang zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Dyson pure cool tower (iv)

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gestelde schade in een zodanig rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten dat deze aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij zal daarom ook ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vervangende vaas (vi)

Met betrekking tot de vaas overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de op de overgelegde afbeeldingen getoonde vaas overeenkomt met de beschadigde vaas. Evenmin is duidelijk om welke vaas het dan wel gaat en welke waarde deze vertegenwoordigde. Nader onderzoek naar de omvang van de schade zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De benadeelde partij zal daarom ook ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden van de bewezen verklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,00. De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar vergelijkbare zaken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Conclusie

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 3.891,66, bestaande uit € 891,66 aan materiële schade en € 3.000,00- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 7 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijk?

De rechtbank stelt vast dat er geen gronden bestaan om de schadevergoedingsverplichting hoofdelijk op te leggen. Enkel ten aanzien van feit 6 is sprake van een medeverdachte. De materiële posten zoals gevorderd zien niet op dit feit. Het immaterieel deel van de vordering ziet op de schade geleden door de opeenstapeling van de verschillende bewezenverklaarde feiten. De nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van feit 6 rechtvaardigt niet dat de volledige schade aan ieder van hen afzonderlijk wordt toegerekend. De rechtbank zal de schadevergoedingsverplichting daarom niet hoofdelijk opleggen en het verzoek daartoe dus afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 157, 285, 300, 350 Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting;

feit 3:

mishandeling;

feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en beschadigen;

feit 5 primair:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 6:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf en maatregelen;

t.a.v. feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

heft op het tegen de veroordeelde verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf;

t.a.v. feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6:

een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 3 jaren, inhoudende een contactverbod en een locatieverbod, en beveelt voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan dat vervangende hechtenis wordt toegepast van 14 dagen voor iedere keer dat niet aan één van de verboden wordt voldaan, met een maximum van in totaal 6 maanden, waarbij de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen uit de opgelegde maatregel niet opheft;

het contactverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 3 jaren onthoudt van – direct of indirect – contact met:

- [slachtoffer] , geboren op [1982] ;

- [getuige] , geboren op [2007] ;

- [naam 1] , geboren op [2009] ;

- [naam 2] , geboren op [2014] .

het gebiedsverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 3 jaren niet bevindt in een straal van 500 meter van de [adres] ;

beveelt dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn;

t.a.v. feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 3.891,66 euro, bestaande uit 891,66 euro materiële schade en 3.000,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

t.a.v. feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6:

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 3.891,66 euro, bestaande uit 891,66 euro materiële schade en 3.000,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 38 dagen;

bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. F. Kooijman en mr. A. Bernsen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,

en is uitgesproken op 31 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.M.J. Raeijmaekers
  • mr. F. Kooijman
  • mr. A. Bernsen

Griffier

  • mr. R. Ringeling

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?