RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-318979-22
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juni 2023 en 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 februari 2023.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 maart 2026 is aangepast ex artikel
314a Sv van het Wetboek van Strafvordering, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8090 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 6300 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2:
hij op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 21.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 14.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3:
hij op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
feit 4:
hij op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak ten aanzien van feiten 3 en 4
De rechtbank is, met de raadsman en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 6 december 2022 aan de achterzijde van de woning, gelegen aan de [adres 2] , bloedend is aangetroffen. Twee personen zijn vanuit de voorzijde van de woning weggerend. Tijdens een doorzoeking van de woning wordt een revolver op de vloer in de woonkamer aangetroffen, en bij de trap naar de eerste etage een bus pepperspray. Op de loop van het vuurwapen wordt een bloedspoor aangetroffen en bemonsterd, alsook op de bus pepperspray. Verder wordt er op de haan en kolf van de revolver epitheel aangetroffen en bemonsterd. Uit vergelijkend DNA-onderzoek volgt dat de verdachte de mogelijke donor is van celmateriaal in deze bemonsteringen, met een bewijskracht van meer dan 1 miljard voor wat betreft de loop en haan van de revolver en de bus pepperspray.
De verdachte heeft verklaard dat hij bij het betreden van de woning werd overvallen door twee personen. Vervolgens ontstond er een worsteling, waarbij hij met een revolver is geslagen en met pepperspray is bespoten. Volgens de verdachte behoorden het vuurwapen en de pepperspray toe aan de overvallers.
De rechtbank stelt voorop dat het dossier, los van de verklaring van de verdachte, geen uitsluitsel geeft over wie van de betrokken personen de revolver en de bus pepperspray heeft meegebracht naar de woning. Op basis van het dossier kan niet worden uitgesloten dat het hiervoor genoemde celmateriaal op het vuurwapen en de pepperspray is overgedragen door afweer van de verdachte in de worsteling, waarbij de verdachte wellicht het vuurwapen en/of de pepperspray heeft vastgehad doordat hij deze onverhoeds of ongewild kortstondig in handen heeft gekregen. Gelet op de hoofdwond die verdachte heeft opgelopen, is het ook mogelijk dat de verdachte tijdens de worsteling met het vuurwapen en/of de pepperspray op zijn hoofd is geslagen. Dat past ook bij de bloedsporen die zowel op het wapen als de pepperspray zijn aangetroffen. Bewijs dat deze wapens aan de verdachte toebehoorden of dat hij deze anderszins voorhanden heeft gehad zoals ten laste gelegd ontbreekt dan ook. Het alternatieve scenario van de verdachte kan op grond van het dossier niet worden uitgesloten, zodat de rechtbank tot vrijspraak zal komen van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.
Feiten 1 en 2
De bewijsvraag
Inleiding
Op 6 december 2022, omstreeks 03.28 uur, is er een melding binnengekomen bij de politie van de bewoonster van de [adres 2] (hierna: medeverdachte [medeverdachte] ). Medeverdachte [medeverdachte] vertelt dat ze op haar balkon staat met haar twee dochters en dat er op dat moment door personen wordt gevochten in haar woning. Ook vertelt ze dat er personen spullen bewaren in haar woning. Op het moment dat de politie ter plaatse is, blijkt dat twee personen vanuit de voorzijde van de woning zijn weggerend. De verdachte verliet via de achterzijde de woning. In de woning wordt een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen.
De verdachte wordt verweten dat hij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een hoeveelheid hennep, cocaïne en MDMA.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Zij meent echter dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Vaststaat dat alle in de tenlastelegging onder feit 1 en 2 genoemde verdovende middelen op 6 december 2022 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen, namelijk in een kist op de slaapkamer van één van haar dochters (1ste verdieping), in tassen in het washok (2de verdieping) en in tassen op de zolder.
1 Feit 1
Tijds- en plaatsbepaling
De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld wanneer de verdovende middelen daar zijn neergezet en hoelang deze daar al stonden.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde is niet vereist dat met precisie kan worden vastgesteld op welk moment de verdovende middelen in de woning zijn gebracht en hoelang deze zich daar hebben bevonden. Doorslaggevend is of kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen zich op de tenlastegelegde datum in de woning bevonden en dat de verdachte daarvan wetenschap had en daarover beschikkingsmacht kon uitoefenen.
Wetenschap en beschikkingsmacht
De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen verdovende middelen (cocaïne en MDMA). De verdachte heeft in dit verband gesteld dat hij geen wetenschap had van de harddrugs in de woning, enkel van de softdrugs (feit 2). Hij heeft verklaard softdrugs te hebben opgeslagen in de woning van medeverdachte [medeverdachte] . Volgens hem werd hij die nacht overvallen toen hij de woning binnenliep, waarna hij mogelijk de tassen met harddrugs heeft aangeraakt of verplaatst om te controleren of zijn softdrugs waren meegenomen.
De rechtbank acht deze verklaring – voor zover die betrekking heeft op de wetenschap van en beschikkingsmacht over de harddrugs – ongeloofwaardig. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de verdachte toegang had tot de woning, nu hij beschikte over een sleutel en daar ook feitelijk gebruik van maakte. Reeds hieruit volgt dat de verdachte zich vrijelijk toegang kon verschaffen tot de ruimtes waar de verdovende middelen zijn aangetroffen. Verdachte erkent dat hij zelf softdrugs in de woning had opgeslagen. Dit duidt op een zekere mate van betrokkenheid bij en zeggenschap over hetgeen zich in de woning bevond. Verder volgt uit vergelijkend DNA-onderzoek dat de verdachte de mogelijke donor is van celmateriaal aangetroffen op de Gamma-tas en op de groene tas (recycle-elementen). In de Gamma-tas is cocaïne aangetroffen, en in de groene tas (recycle-elementen) is cocaïne, MDMA en hennep/hasjiesj aangetroffen. Dit vormt een sterke aanwijzing dat de verdachte in direct contact is geweest met deze middelen. In samenhang bezien met zijn mogelijkheden tot toegang tot de woning, het feit dat hij zelf verklaart dat hij daar softdrugs bewaarde, en in één tas softdrugs en harddrugs tezamen zijn aangetroffen, acht de rechtbank het onaannemelijk dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de harddrugs, dan wel daarover geen beschikkingsmacht had.
De door de verdediging gestelde omstandigheid dat meerdere personen de woning bezochten en -kort gezegd- het DNA van meerdere onbekende personen op de tassen met daarin de verdovende middelen is aangetroffen, maakt het voorgaande niet anders. Zelfs als de tassen daar door een ander of anderen zouden zijn gebracht, doet dat niet af aan de beschikkingsmacht van verdachte nu hij vrije toegang had tot de woning. De rechtbank acht het bovendien ongeloofwaardig dat er verschillende soorten verdovende middelen van verschillende personen in dezelfde ruimte worden opgeslagen, terwijl er wel een strikte scheiding zou zijn wie over welke middelen kon beschikken. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Dit alles bij elkaar maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zowel wetenschap had van als beschikkingsmacht had over de verdovende middelen (cocaïne en MDMA) aangetroffen in de woning van medeverdachte [medeverdachte] .
Conclusie
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde.
2 Feit 2
De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsman van de verdachte – het onder feit 2 ten laste gelegde wettig overtuigend bewezen. De verdachte heeft bekend de softdrugs voorhanden te hebben gehad in de woning van medeverdachte [medeverdachte] .
3 Feit 1 en 2 Medeplegen
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, eveneens van oordeel dat ten aanzien van feit 1 en 2 sprake was van medeplegen tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat medeverdachte [medeverdachte] op zoek is gegaan naar extra verdiensten, heeft geïnitieerd om haar woning ter beschikking te stellen en heeft aangedrongen om te ‘beginnen’. Vervolgens heeft de verdachte in haar woning verdovende middelen gestald, waartoe hem toegang werd verschaft doordat de medeverdachte [medeverdachte] een sleutel ter beschikking had gesteld. De verdachte heeft verklaard dat hij en de medeverdachte [medeverdachte] beiden de helft van de met de opslag gemoeide opbrengst kregen. Daar komt bij dat zij hierover veelvuldig contact hebben gehad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zodanig nauw en bewust met haar heeft samengewerkt dat hij als medepleger van het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen dient te worden aangemerkt.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
feit 1:
op 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 8090 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 6300 tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2:
op 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 21.090 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en 14.090 gram, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een algehele bewezenverklaring komt, volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, aangevuld met een voorwaardelijk deel van 188 dagen, en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren. De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede met de omstandigheid dat een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf een negatieve invloed zal hebben op de band van de verdachte met zijn nog heel jonge kind. Daarnaast zal een dergelijke straf tot gevolg hebben dat het inkomen van de verdachte wegvalt, terwijl hij en zijn partner recent een koopwoning hebben aangeschaft en ter financiering daarvan een hypotheek zijn aangegaan.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne, MDMA en hennep. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving, onder andere vanwege de criminaliteit die het gebruik van dergelijke verdovende middelen veelal met zich brengt. De verdachte heeft dit, met het in de woning van medeverdachte [medeverdachte] opslaan van verdovende middelen, mede in stand gehouden. De rechtbank neemt het de verdachte ernstig kwalijk dat hij hier geen oog voor heeft gehad, maar uitsluitend heeft gehandeld uit financieel gewin.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 februari 2026. Daaruit blijkt dat hij op 19 januari 2018 eerder is veroordeeld voor een Opiumwetfeit. Deze veroordeling heeft hem niet weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.
Bij de strafmaatbepaling heeft de rechtbank verder acht geslagen op een de verdachte betreffend adviesrapport van Reclassering Nederland van 6 maart 2026. De reclassering kan het risico op recidive niet inschatten. Zij zien geen indicaties voor de noodzaak tot reclasseringsbemoeienis, mede doordat de verdachte en zijn vrouw aangeven dat hij nergens hulp bij nodig heeft. Daarnaast lijkt hij zijn leven op de verschillende leefgebieden op orde te hebben en kan de reclassering vanwege zijn proceshouding geen delictverbanden leggen.
De reclassering adviseert dan ook bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Redelijke termijn
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens gelet op het feit dat de verdachte het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 6 december 2022, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Hij kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 31 maart 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht met ruim 1 jaar en 3 maanden is overschreden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, acht de rechtbank het op zijn plaats dat de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de straf.
Strafoplegging
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als algemeen vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van 9.000-10.000 gram harddrugs gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van 25.000-250.000 gram softdrugs gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank houdt in strafverminderende zin nadrukkelijk rekening met de ouderdom van de zaken. De rechtbank weegt mee dat de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden. Sindsdien is een aanzienlijke periode verstreken waarin de verdachte, voor zover bekend, niet opnieuw met politie of justitie in aanraking is gekomen. De lange tijd die is verstreken sinds het plegen van de feiten, zonder dat sprake is geweest van recidive, duidt erop dat de verdachte zijn leven kennelijk een andere wending heeft gegeven. Om deze reden zal de rechtbank ook geen voorwaardelijke straf opleggen.
Alles afwegende zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan waarop de officier van justitie haar eis heeft gebaseerd. Gelet op de eerdergenoemde oriëntatiepunten kan, ondanks dat verdachte zijn leven inmiddels een andere wending heeft gegeven, en ondanks de grote gevolgen voor zijn leven, echter niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht alles overziend een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
Bij beschikking van 25 mei 2023 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de voorlopige hechtenis van de verdachte voor onbepaalde tijd geschorst met ingang van 26 mei 2023. De schorsing zal na het wijzen van deze uitspraak dan ook niet van rechtswege ten einde komen. De rechtbank ziet aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis in stand te laten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich gedurende de schorsing aan de voorwaarden heeft gehouden en zich voor zover bekend geen nieuwe strafbare feiten hebben voorgedaan. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het verantwoord dat verdachte de verdere tenuitvoerlegging van de straf in vrijheid mag afwachten.
Beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat teruggave aan de verdachte wordt gelast van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde goederen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de onder 1 en 2 genoemde goederen op de beslaglijst van 17 maart 2026, te weten geldbedragen van € 2.145 en
€ 6,90. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
De uitspraak
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Feit 2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
t.a.v. feit 1, feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht
gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen te weten:
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Bernsen, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 31 maart 2026.