ECLI:NL:RBOBR:2026:2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:2026

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 01/051822/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak voorbereidingshandelingen Opiumwet.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.051822.25

Datum uitspraak: 30 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [1985] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 december 2025 en 16 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 oktober 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2024 tot en met 11 december 2024 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij/zij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- een loods, gelegen op/aan de [adres] te verhuren en/of ter beschikking te stellen en/of

- aanpassingen/verbouwingen aan de loods gelegen op/aan de [adres] aan te brengen en/of te laten aanbrengen ten behoeve van de opslag van de benodigde chemicaliën en/of grondstoffen en/of de inrichting van de productieruimte(n) en/of

- in de loods gelegen op/aan de [adres] productieopstellingen ten behoeve van de productie van BMK en/of amfetamine(olie) en/of (laboratorium)benodigdheden en/of grote hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen voorhanden te hebben.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden en de maatregel kostenverhaal van € 24.769,81 of een geldboete van € 20.000,-.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak van de tenlastelegging bepleit.

Vrijspraak.

Verdachte wordt beschuldigd van het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine.

De officier van justitie heeft gesteld dat het niet anders kan dan dat het lab met medeweten van verdachte is gebouwd en is geëxploiteerd. Verdachte heeft die wetenschap ontkent.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte wist dat er een drugslab in de door hem verhuurde loods werd opgezet en/of geëxploiteerd.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt als volgt.

Opbouw lab.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het maanden geduurd moet hebben om het lab te bouwen en een groot gedeelte van de stalvloer moet zijn verwijderd om de voor de productie benodigde goederen in de mestkelder te kunnen plaatsen. De rechtbank constateert dat dit gebaseerd lijkt te zijn op een enkele opmerking in het proces-verbaal van verdenking tegen verdachte, waarin het LFO kennelijk wordt geciteerd. In het dossier is echter geen verankering van die opmerking te vinden. In het bijzonder ontbreekt een proces-verbaal op basis waarvan kan worden vastgesteld hoe en wanneer het lab er gekomen moet zijn, hoe de situatie was voor en na de opbouw en/of exploitatie van het lab en hoe lang de bouw van het lab in beslag heeft genomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 maart 2026 verklaard dat de cementvloer in de voormalige meststal er al lag toen hij het perceel met daarop zijn woonhuis en de loods kocht. In aanvulling op zijn verhoren heeft hij verklaard dat hij geen wetenschap had van de mestkelders onder de vloer en van het feit dat de vloer moet zijn dichtgestort. Hij heeft voorts niets gezien, gehoord, geroken of gemerkt van de aanwezigheid en/of de aanbouw van een ondergronds drugslab. Ook de politie trof bij de instap op 11 december 2024 niet direct een drugslab aan. Pas na nader onderzoek waarbij gebruik werd gemaakt van een warmtebeeldcamera werd het drugslab aangetroffen. Op basis van het dossier concludeert de rechtbank dat de loods zodanig was vormgegeven dat de kans op ontdekking van de ondergrondse ruimtes zo klein mogelijk was. Dat verdachte niets heeft gemerkt van de opbouw van het lab kan verklaard worden door het feit dat hij zich in de zomerperiode van 2024 in het buitenland bevond.

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze verklaring van verdachte omtrent zijn afwezigheid in die periode op basis van het dossier niet zonder meer terzijde worden geschoven.

De rechtbank kan niet vaststellen dat het niet anders kan dan dat het lab met een meer of mindere mate van bewustheid van verdachte is gebouwd en/of geëxploiteerd. De enkele aanname dat verdachte moet hebben geweten dat, en op welke manier, het drugslab is gebouwd, in welke periode dat is gebeurd en wat verdachte daarvan mee had moeten krijgen is daarvoor onvoldoende. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte wist van de bouw en/of exploitatie van het drugslab.

Aanwezigheid licht.

Er is een observatiecamera geplaatst die zicht had op de toegangsdeur van de loods. Op deze beelden is zichtbaar dat verdachte de loods diverse malen betreedt. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 maart 2026 verklaard dat hij zelf ook gebruik maakte van de (door hem verhuurde) loods en dat hij daarover geen afspraken heeft gemaakt met de huurders. Ook zijn hem geen restricties opgelegd. Dat de verdachte toegang had tot de loods is op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de verdachte op de hoogte was van het ondergrondse drugslab, mede gelet op hetgeen in het dossier is beschreven over de wijze waarop dat lab aan het zicht onttrokken werd en nu nader onderzoek naar wat de verdachte bovengronds had kunnen merken van dat lab ontbreekt. Ten aanzien van het ‘rood/oranje licht’ en ‘licht dat lijkt te bewegen’ verklaart verdachte dat hij sleutelde aan een motor en daarvoor gebruik maakte van een bouwlamp die een opbouw kende in lichtintensiteit en hij een hoofdlamp droeg om ‘bij te schijnen’. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank daarmee een verklaring gegeven voor deze omstandigheden die niet per se terzijde kan worden geschoven. Er is geen nader onderzoek gedaan naar wat voor een licht je ziet als de heftmastconstructie – die toegang geeft tot het de ondergrondse productielocatie – wordt bediend waardoor het luik werd geopend, terwijl dit onderzoek gemakkelijk uit te voeren was geweest. De aannames voor de aanwezigheid van het gekleurde licht; namelijk de bediening van de heftmastconstructie, zijn niet nader onderzocht en geverifieerd.

Conclusie.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde. Verdachte zal daarom integraal worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. A. Maas en mr. S.S. Arendse, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 30 maart 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. A. Maas
  • mr. S.S. Arendse

Griffier

  • mr. N.J.S. Doornbosch

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?