RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen
mw. [verzoekster] en mw. [verzoekster] uit [woonplaats] ,
het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woonstichting JOOST uit Boxtel,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/326 OWHAND
verzoeksters,
(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),
en
GS,
(gemachtigden: mr. drs. [naam] , mr. [naam] en mw. [naam] (toezichthouder ODBN)).
(gemachtigde: mr. K.W.H. Albert).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvragen van verzoeksters tot handhaving met betrekking tot de met woningbouwproject “ [naam project] ” samenhangende werkzaamheden aan [adres] te [plaatsnaam] . Verzoeksters zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeksters.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeksters hebben separaat een aanvraag ingediend tot handhaving. Het college heeft deze aanvragen met het bestreden besluit van 7 januari 2026 afgewezen. Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij schrijven van 30 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter aan verzoeksters verzocht nader te onderbouwen wat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is.
Bij schrijven van 5 februari 2026 heeft de gemachtigde van verzoeksters aangegeven wat het spoedeisend belang is en tevens dat het verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft op werkzaamheden binnen het plangebied.
Vergunninghoudster heeft een Memo “Ecologische inspectie [naam project] ” d.d. 11 maart 2026 van Staro overgelegd.
GS heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 16 maart 2026 hebben verzoeksters aangegeven dat het verzoek ook ziet op werkzaamheden (met een graafmachine) op gronden buiten het plangebied.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeksters, de gemachtigde van verzoeksters, de gemachtigden van GS, de gemachtigde van Woonstichting JOOST en [naam] (projectleider).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Feiten
- Op 31 mei 2019 is voor werkzaamheden binnen het plangebied een ontheffing op grond van de Wet Natuurbescherming verleend. Deze ontheffing eindigde op 31 december 2021 en ziet op de alpenwatersalamander, poelkikker en de wezel.
- Bij besluit van 21 oktober 2021 is de looptijd van de ontheffing door GS verlengd tot en met 31 december 202 en bij besluit van 5 juli 2023 tot 1 mei 2025.
- Op 30 april 2024 heeft Econsultancy in opdracht van Woonstichting JOOST een “Rapportage Quickscan natuurwaarden [adres] [plaatsnaam] ” uitgebracht. Hierin zijn de resultaten van een ecologisch onderzoek neergelegd.
- In oktober 2024 heeft Staro een Ecologisch werkprotocol opgesteld ten behoeve van het realiseren van een appartementencomplex door Woonstichting JOOST.
- Op 30 september 2025 heeft [verzoekster] een handhavingsverzoek ingediend.
Op 3 oktober 2025 heeft [verzoekster] een soortgelijk verzoek ingediend.
In deze verzoeken is verzocht om handhaving van artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het Bal) en artikel 5.5 van de Omgevingswet. Verzoeksters hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat Woonstichting JOOST zonder geldige omgevingsvergunning in de zin van artikel 5.1, tweede lid van de Omgevingswet voornoemde verbodsbepalingen overtreedt en ook niet conform de voorschriften van een ontheffing (met kenmerk Z/197015) handelt die is verleend onder de Wet Natuur-bescherming. Dit is aan de orde bij het woningbouwproject “ [naam project] ” op [adres] in [plaatsnaam] .
- Op 8 oktober 2025 heeft een toezichthouder van de ODBN ( [naam] ) een controle ter plaatse uitgevoerd.
- Bij besluit van 5 november 2025 heeft GS een door Woonstichting JOOST op
11 februari 2025 ingediend verzoek -tot het (nogmaals) verlengen van de looptijd van de ontheffing flora- en fauna activiteit van 31 mei 2019- afgewezen.
- Bij brief van 10 november 2025 heeft GS aan verzoeksters medegedeeld voornemens te zijn het handhavingsverzoek af te wijzen.
- Op 5 december 2025 heeft een hernieuwde controle ter plaatse door een toezichthouder ( [naam] ) van de ODBN plaatsgevonden waarvan op 6 januari 2026 rapport is opgemaakt.
- Bij brief van 10 december 2025 hebben verzoeksters een zienswijze tegen het voornemen ingediend.
- Bij primair besluit van 7 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft GS de verzoeken tot handhaving afgewezen.
- Tegen dit besluit hebben verzoeksters bij schrijven van 28 januari 2026 bij GS bezwaar gemaakt.
- Bij mail van 30 januari 2026 heeft GS desgevraagd aan de rechtbank aangegeven dat er niet gestart gaat worden met de werkzaamheden (plaatsing bergingen buiten het plangebied van de eerdere vergunning) totdat de onderzoeken zijn afgerond en er een vergunning flora- en fauna-activiteit is verleend. Werkzaamheden zijn dus niet gepland en de verwachting is dat dit nog een jaar gaat duren.
- Op 6 februari 2026 heeft door een toezichthouder van de ODBN ( [naam] ) een controle flora- en fauna-activiteit plaatsgevonden waarvan op 9 februari 2026 rapport is opgemaakt.
- Op 11 maart 2026 heeft een toezichthouder van de ODBN foto’s van de situatie ter plaatse gemaakt.
- Op 11 maart 2026 heeft een ecoloog van Staro een Memo van een op 3 maart 2026 uitgevoerde “Ecologische inspectie [naam project] ” opgemaakt.
Spoedeisendheid
4. Verzoeksters stellen dat sprake is van een spoedeisend belang nu de werkzaamheden in het woningbouwproject nog niet zijn afgerond en er onherstelbare schade dreigt te ontstaan aan beschermde flora- en fauna. Verzocht wordt om een voorlopige voorziening inhoudende dat GS onder oplegging van een last onder dwangsom wordt gelast om onmiddellijk na de uitspraak de werkzaamheden in het woningbouwproject stil te leggen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat -met hetgeen door verzoeksters is gesteld- sprake is van een spoedeisend belang.
Sprake is van een project waarbij 18 zogeheten tiny houses worden geplaatst. Inmiddels zijn de woningen geplaatst. In het plangebied vinden echter nog (andere) werkzaamheden plaats zoals het aanleggen van parkeerplaatsen, de ontsluiting van parkeerplaatsen, het aanleggen van paden naar de woningen, aanleggen terrassen van de woningen, aanleggen groene haag langs de sloot, plaatsen van een houten poort en het aanleggen van een wadi.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is erop gericht te voorkomen dat ter plaatse onomkeerbare gevolgen voor ingevolge de Omgevingswet beschermde diersoorten ontstaan door voortgang van werkzaamheden. Op voorhand is niet uitgesloten dat hiervan sprake kan zijn zodat een inhoudelijke behandeling aan de orde is.
Reikwijdte verzoeken tot handhaving
5. Verzoeksters hebben aanvankelijk bij schrijven van 5 februari 2026 aangegeven dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen betrekking heeft op werkzaamheden binnen het plangebied.
Nadien hebben verzoeksters bij schrijven van 16 maart 2026 aangegeven dat het verzoek ook ziet op recente werkzaamheden buiten het plangebied. Bij dit schrijven is een mail gevoegd van verzoekster [naam] d.d. 12 maart 2026 aan de ODBN. Hierin is aangegeven dat bij deze een handhavingsverzoek voor het terrein op de [naam project] in [plaatsnaam] wordt ingediend waar werkzaamheden met een graafmachine plaatsvinden.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeksters desgevraagd aangegeven dat het naar hun mening mogelijk is om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin (weer) uit te breiden naar buiten het plangebied nu de oorspronkelijke verzoeken tot handhaving daarin bepalend zijn en dit betrekking heeft op werkzaamheden binnen en buiten het plangebied.
GS heeft daarop ter zitting het standpunt ingenomen dat de werkzaamheden -waarop het recente handhavingsverzoek ziet- niet door Woonstichting JOOST hebben plaatsgevonden maar zien op een zelfstandig project door een andere partij, te weten [naam project] .
Het gaat om grondwerkzaamheden met een graafmachine die betrekking hebben op het komende plantseizoen voor een moestuin en de aanleg van een terras.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de oorspronkelijke verzoeken tot handhaving zien op activiteiten binnen en buiten het plangebied. In zoverre is met het verzoek van 16 maart 2026 geen sprake van uitbreiding van de eerdere handhavingsverzoeken.
Van belang is echter dat bij het verzoek van 16 maart 2026 een andere partij dan woonstichting JOOST betrokken is. De oorspronkelijke verzoeken tot handhaving zagen alleen op activiteiten door woonstichting JOOST. Daar komt bij dat de andere partij ( [naam project] ) -waarop het (nieuwe) verzoek tot handhaving zich richt- thans ook niet ter zitting aanwezig is. Ook is door GS nog geen besluit genomen op dit recente verzoek.
Dit verzoek wordt daarom aangemerkt als een separaat verzoek, en zal buiten verdere beoordeling blijven.
Dit bekent tevens dat alleen ter beoordeling van de voorzieningenrechter staat de activiteiten die (in opdracht van woonstichting JOOST) binnen het plangebied plaatsvinden.
Overtreding- Natuurtoestemming
6. Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat werkzaamheden plaatsvinden zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (natuur-toestemming)
Dit levert naar hun mening een overtreding op van artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet in samenhang met de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Bal.
Voor de werkzaamheden geldt geen ontheffing meer op grond van de Wet natuurbescher-ming nu GS een verzoek om verlenging van de op 31 mei 2019 verleende ontheffing hebben afgewezen.
Verzoeksters zijn van mening dat voor de werkzaamheden die in oktober 2025 zijn gestart een nieuwe natuurtoestemming is vereist tenzij uit ecologisch onderzoek zou zijn gebleken dat geen te beschermen flora en fauna meer aanwezig was. Nu Woonstichting JOOST zelf heeft verzocht om de looptijd van de ontheffing uit 2019 te verlengen was ze kennelijk ook van mening dat dit nodig was.
Voorts wijzen verzoeksters op het ecologisch onderzoek dat bureau Econsultancy in maart 2024 verrichtte, derhalve ná de werkzaamheden in de periode tussen 5 en 28 september 2023. Alstoen was er kennelijk nog sprake van geschikte habitats voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën zodat bij werkzaamheden ná 1 mei 2025 eerst opnieuw aanvullend onderzoek zou dienen plaats te vinden. Een nieuw aanvullend ecologisch onderzoek heeft niet plaatsgevonden voordat de werkzaamheden in oktober zijn gestart.
Het controlerapport van de toezichthouder van 8 oktober 2025 kan niet als zodanig worden aangemerkt (geen ecoloog). Daar komt bij dat in het controlerapport ook wordt aangegeven dat binnen het plangebied nog diverse elementen aanwezig zijn die als verblijfplaats voor amfibieën of kleine marterachtigen kunnen dienen. Tot de genoemde elementen behoort de takkenril die is verplaatst. Dat er dus, zoals GS stelt, enkel werkzaamheden plaatsvinden in een gebied waar zich geen beschermde flora en fauna bevond is dus feitelijk onjuist.
Ter zitting is voorts aangevoerd dat ook werkzaamheden in de sloot binnen het plangebied hebben plaatsgevonden nu een duiker in de sloot met daarop een doorgang is geplaatst.
GS heeft zich op het standpunt gesteld dat op 8 oktober 2025 door een toezichthouder ter plaatse een controle is uitgevoerd. Hierbij is geconstateerd dat er enkel werkzaamheden plaatsvonden in een gebied waar zich geen flora en fauna, die zijn beschermd onder de artikelen 11.37, 11.46 of 11.54 van het Bal, bevindt. Hierdoor is geen verbodsbepaling overtreden en geldt er ook geen vergunningplicht.
Weliswaar is Woonstichting JOOST voornemens om buiten het plangebied bergingen te plaatsen maar deze activiteiten zijn nog niet begonnen waardoor er ook om die reden geen overtreding van de verbodsbepalingen is geconstateerd. Woonstichting JOOST is erop gewezen om de ecologische gevolgen hiervan in kaart te brengen om na te gaan of daarvoor eventueel een vergunning is vereist. Ook bleek de aanrijroute zoals verzoeksters die hebben ontvangen onjuist en vindt vrachtverkeer slechts binnen het reeds voor flora en fauna ongeschikt gemaakte plangebied plaats.
Ten aanzien van artikel 5.5 van de Omgevingswet is van belang dat tijdens de controle op
8 oktober 2025 is gebleken dat het amfibiescherm juist is geplaatst en dat er enkel aan de zijde van het scherm wordt gewerkt waar zich geen beschermde flora en fauna bevinden doordat dat gebied reeds ongeschikt is gemaakt.
Ter zitting is betwist dat de sloot onderdeel is van het plangebied.
Het plangebied is gelegen op de percelen kadastraal bekend als [plaatsnaam] B 4039 en 4059, ten westen van [adres] in [plaatsnaam] .
De activiteiten zien op het bouwrijp maken van het plangebied om woningen en bijbehorende voorzieningen (zoals parkeerplaatsen) te realiseren.
Bij besluit van 31 mei 2019 heeft GS een ontheffing ingevolge de Wet natuur-bescherming (oud) verleend. Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft GS de vergunning verlengd tot en met 31 december 2021. Op 5 juli 2023 (Z/197015) is de vergunning verlengd tot 1 mei 2025 waarbij de projectplanning en de ecologische maatregelen zijn geactualiseerd.
Op dit moment is er geen sprake van een geldende omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor het projectgebied.
De thans geldende Omgevingswet heeft de flora- en fauna-activiteit geïntroduceerd. Dat is iedere activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten te verrichten die in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn aangewezen. Op grond van artikel 1.1 van de Omgevingswet, in samenhang met onderdeel A van de bijlage bij de Omgevingswet, wordt onder flora- en fauna-activiteit verstaan een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten.
GS heeft de taak om toezicht te houden op de naleving van regelgeving en handhavend op te treden tegen een overtreding. Alleen bij overtreding van een wettelijk voorschrift heeft het college de bevoegdheid om handhavend op te treden.
Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat het om de navolgende beschermde flora en fauna: steenmarter, wezel, hermelijn, bunzing, alpenwatersalamander, poelkikker en kamsalamander. Dit zijn (behoudens de kamsalamander) beschermde soorten ingevolge artikel 11.54 van het Bal en onderdeel A van bijlage IX bij het Bal.
Ten aanzien van de kamsalamander (grote watersalamander) is aan de orde het bepaalde in artikel 11.46 lid 1 onder a. van het Bal in samenhang met Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (Triturus cristatus).
Los van de specifieke handelingen die door artikel 11.54 Bal onder het verbod van artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet worden gebracht, geldt te allen tijde de zorgplicht van artikel 11.27 van het Bal die ook beperkingen voor activiteiten met zich kan brengen.
De voorzieningenrechter is niet gebleken van een overtreding van (een voorschrift van) de eerder verleende ontheffing uit 2019 op grond van de toenmalige Wet natuur-bescherming. Met de ontheffing van 2019 is het terrein in 2023 bouwrijp gemaakt en daarmee ongeschikt geworden voor de soorten opgenomen in de ontheffing (poelkikker, alpenwatersalamander en wezel). In het gebied ten noorden van het plangebied zijn met de ontheffing ter compensatie verschillende takkenrillen en 2 poelen geplaatst. Tevens is een amfibie scherm geplaatst welke nog steeds in stand is.
Hierbij verdient opmerking dat tussen partijen -mede gelet op het rapport van de toezichthouder van 6 januari 2026- niet in geschil is dat omstreeks 3 december 2025 door een bedrijf voor Enexis werkzaamheden ter plaatse nabij een verdeelstation hebben plaatsgevonden die hebben geleid tot (tijdelijke) verplaatsing van een takkenril.
Nu deze werkzaamheden niet door of namens woonstichting JOOST zijn uitgevoerd, en het handhavingsverzoek op activiteiten in opdracht van deze stichting is gericht, valt deze takkenril buiten het onderhavige geschil.
Ter beoordeling staat of thans -met het oog op de vraag of zich sedertdien opnieuw ter plaatse binnen het plangebied beschermde fauna heeft gevestigd- een (nieuwe) omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van (thans) de Omgevingswet voor de activiteiten van woonstichting JOOST is vereist.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Econsultancy op 30 april 2024 een “Rapportage Quickscan natuurwaarden [adres] [plaatsnaam] ” heeft uitgebracht.
Op pagina 27 is aangegeven dat wanneer storende handelingen plaatsvinden ná 1 mei 2025 (einde looptijd ontheffing) eerst opnieuw aanvullend onderzoek dient plaats te vinden naar de steenmarter, wezel, hermelijn, bunzing, alpenwatersalamander, poelkikker en kamsalamander.
Door een toezichthouder van de ODBN heeft op 8 oktober 2025 een inspectie van het gebied plaatsgevonden. In het rapport is aangegeven dat het plangebied tussen 5 september en 28 september 2023 onder ecologische begeleiding van Staro B.V. ongeschikt is gemaakt (dit blijkt uit logboek Staro). Het gebied is nadien ongeschikt gebleven voor fauna. Uitgevoerde werkzaamheden zijn het verwijderen van vegetatie, het verwijderen van snoei- en takkenhopen, het leegvangen van poeltjes, het verwijderen van dakpannen, muur en het plaatsen van een amfibieënscherm. De vegetatie is in de tussentijd (tot aan bouwrijp maken) kort gehouden.
Aan de noordzijde van het plangebied (op de grens daarvan) is op 28 september 2023 een amfibieënscherm (zwart scherm) in de grond geplaatst. Werkzaamheden vinden alleen plaats ten zuiden van het scherm.
Het gebied ten noorden van het amfibiescherm is niet ongeschikt gemaakt. Er vinden hier (nog) geen werkzaamheden plaats. Dit gebied is -aldus het rapport- geschikt voor beschermde soorten zoals amfibieën en kleine marterachtigen.
In het gebied ten noorden van het plangebied zijn compenserende elementen geplaatst.
Het gaat daarbij om verschillende takkenrillen en 2 poelen in de omgeving van het plangebied. Deze liggen niet binnen gebied waar gewerkt wordt.
Gelet op dit rapport dient het er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor te worden gehouden dat werkzaamheden namens woonstichting JOOST enkel plaatsvinden ten zuiden van het amfibieënscherm en binnen het plangebied.
Los van hetgeen is vastgesteld met de inspecties door de toezichthouders (waarvan ter zitting door de aanwezige toezichthouder is aangegeven dat ze ook ecoloog zijn) acht de voorzieningenrechter van belang dat op 3 maart 2026 door Staro Natuur en Buitengebied een ecologische inspectie is uitgevoerd.
Door de ecoloog van Staro is beoordeeld of het terrein -sedert het bouwrijp gemaakt zijn onder de looptijd van de eerdere ontheffing- ongeschikt is gebleven voor beschermde diersoorten.
Als resultaat van de inspectie op 3 maart 2026 is door de ecoloog vastgesteld dat de werkzaamheden goed verlopen met betrekking tot beschermde diersoorten. Het aanwezige paddenscherm is geïnspecteerd en er zijn geen gebreken vastgesteld waardoor soorten als alpenwatersalamander en poelkikker het plangebied niet kunnen bereiken. Ook zijn er in het werkveld geen andere elementen aangetroffen waarvan marters gebruik kunnen maken, zoals takkenrillen. Daarnaast is tijdens de inspectie bevestigd dat er geen werkzaamheden worden uitgevoerd in het water van de sloot aan de zuidkant.
Hoewel het rapport van Staro d.d. 11 maart 2026 niet beschikbaar was ten tijde van het primaire besluit -hetgeen onzorgvuldig is- neemt dit niet weg dat GS dit rapport kan meenemen in de nadere besluitvorming op bezwaar.
Gelet op voornoemd rapport van de toezichthouder van 8 oktober 2025, en met name het rapport van Staro, dient het er naar voorlopig oordeel voor te worden gehouden dat geen sprake is van activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit benodigd is. Niet gebleken is van nieuwvestiging van beschermde diersoorten in het plangebied. Gelet hierop kan in het midden worden gelaten of sedert de inspectie van Staro werkzaamheden in de sloot hebben plaatsgevonden.
Mitsdien is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een overtreding en is GS niet bevoegd tot handhaving. De verzoeken om handhaving zijn derhalve terecht afgewezen en voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskosten-veroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
BIJLAGE
Omgevingswet
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een bijlage bij een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet zijn ook van toepassing op een ministeriële regeling op grond van deze wet, tenzij in die regeling anders is bepaald.
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. een rijksmonumentenactiviteit,
c. een ontgrondingsactiviteit,
d. een stortingsactiviteit op zee,
e. een Natura 2000-activiteit,
f. een jachtgeweeractiviteit,
g. een valkeniersactiviteit,
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
b. een milieubelastende activiteit,
c. een lozingsactiviteit op:
1°.een oppervlaktewaterlichaam,
2°.een zuiveringtechnisch werk,
d. een wateronttrekkingsactiviteit,
e. een mijnbouwlocatieactiviteit,
f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:
1°.een weg,
2°.een waterstaatswerk,
3°.een luchthaven,
4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,
5°.een installatie in een waterstaatswerk,
g. een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.5 (verbod handelen in strijd met voorschriften omgevingsvergunning)
1. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor:
a. een omgevingsplanactiviteit, voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op:
1°.het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu,
2°.het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,
3°.het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk,
4°.het beschermen van monumenten of archeologische monumenten,
b. een rijksmonumentenactiviteit,
c. een stortingsactiviteit op zee,
d. een milieubelastende activiteit,
e. een lozingsactiviteit op:
1°.een oppervlaktewaterlichaam,
2°.een zuiveringtechnisch werk,
f. een beperkingengebiedactiviteit,
g. een flora- en fauna-activiteit.
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet
A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
-flora- en fauna-activiteit: activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten;
(..).
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Afdeling 11.2 Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild
§ 11.2.1 Algemeen
Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht)
1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:
1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en
4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;
e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
3. (..).
§ 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn
Artikel 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;
c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of
d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.
2. Het verbod geldt niet, als:
a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
b. de activiteit uitvoering geeft aan:
1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.
§ 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn
Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitat-richtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn;
b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;
d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en
e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
2. Het verbod geldt niet als:
a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
b. de activiteit uitvoering geeft aan:
1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
§ 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten
Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;
b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.
2. Het verbod geldt niet als:
a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden;
b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
c. de activiteit deel uitmaakt van:
1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Bijlage IX bij artikel 11.54 van dit besluit (andere beschermde dier- en plantensoorten)
A Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a
Zoogdieren
(…)
Bunzing
(…)
Hermelijn
(…)
Steenmarter
(…)
Wezel
(…)
Amfibieën
Alpenwatersalamander
(…)
RICHTLIJN 92/43/EEG VAN DE RAAD van 21 mei 1992
Inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
(habitatrichtlijn)
Bijlage IV
Dier- en Plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd
A.DIERSOORTEN
Amfibieën
CAUDATA
Salamandridae
Triturus cristatus