RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.022847.25
Datum uitspraak: 7 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 januari 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 21 september 2021 in staat van faillissement was verklaard (DOC-001 en DOC-014), voor de intreding van het faillissement van [bedrijf 1] ., te weten op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 september 2020 tot en met 20 september 2021, te Waalwijk en/of ’s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, enig goed aan de boedel heeft onttrokken, wetende dat hierdoor een of meer schuldeiser(s) van [bedrijf 1] . in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, door toen aldaar -zakelijk weergegeven-
een of meer geldbedrag(en) voor in totaal per saldo 127.933 euro (DOC-007), althans (telkens) enig(e) geldbedrag(en) over te boeken en/of over te laten boeken van de zakelijke rekening met nr. [rekeningnummer 1] op naam van [bedrijf 1] . naar de privébankrekening met nr. [rekeningnummer 2] op naam van [getuige] (de toenmalige partner van verdachte) (AMB-001-01), zulks (telkens), zonder dat voor die transactie(s) een betalingsverplichting, althans een zakelijke verplichting en/of een zakelijke verantwoording bestond/tegenover stond en verdachte en/of (een of meer van zijn) medeverdachte(n), toen aldaar, een of meer geldbedrag(en) voornoemd, althans een of meer geldbedrag(en), aldus buiten het bereik en beheer van de curator heeft gesteld en/of gehouden (onttrokken);
feit 2:
hij als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2021 in staat van faillissement was verklaard (DOC-001- en DOC-014) en/of van de rechtspersoon [bedrijf 1] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 september 2021 in staat van faillissement was verklaard (DOC-001 en DOC-014), tijdens het faillissement van voornoemde rechtsperson(en), te weten op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2021 tot en met 10 augustus 2022 en/of 22 september 2021 tot en met 10 augustus 2022, te Waalwijk en/of ’s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, desgevraagd (telkens) opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen, gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator heeft verstrekt,
immers heeft/hebben, hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar -zakelijk weergegeven-
geen, althans geen volledige en/of deugdelijke administratie van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] . aan de curator overgelegd/uitgeleverd en/of doen overleggen/uitleveren, althans ter beschikking gesteld en/of doen stellen, ten gevolge waarvan de rechten en verplichtingen van voornoemde rechtspersoon niet te allen tijde juist en/of volledig konden worden gekend;
feit 3:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2021 tot en met 10 augustus 2022 en/of 22 september 2021 tot en met 10 augustus 2022 te Waalwijk en/of ’s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en/of (telkens) heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk onjuiste en/of onvolledige inlichtingen heeft gegeven, terwijl hij in het faillissement van een ander, te weten in het faillissement van [bedrijf 1] d.d. 8 april 2021 en/of [bedrijf 1] . d.d. 21 september 2021, wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen,
immers heeft hij, verdachte, toen aldaar -zakelijk weergegeven-
(telkens) opzettelijk geweigerd om de door de curator, bij e-mail van 9 april 2021 en/of 19 april 2021 en/of 22 september 2021 en/of 29 september 2021 en/of per brief d.d. 30 september 2021 gevraagde inlichtingen te geven, van belang in het kader van de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] . en/of ondanks oproepen hiertoe bij brief van 29 oktober 2021 en per e-mail van 16 november 2021, op 25 november 2021 zonder geldige reden is weggebleven bij het verhoor bij de rechter-commissaris (in het faillissement van [bedrijf 1] .) (DOC-001 en DOC-004).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Inleiding.
De FIOD heeft onderzoek gedaan naar faillissementsdelicten in de faillissementen van [bedrijf 1] ., uitgesproken op 21 september 2021 en [bedrijf 1] , uitgesproken op 8 april 2021. De verdachte was (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van voornoemde vennootschappen. Dit onderzoek heeft geleid tot de vervolging van de verdachte ter zake van onttrekking van vermogen aan de boedel van [bedrijf 1] en het niet verstrekken van administratie en inlichtingen aan de curator in beide faillissementen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gevorderd. Daarbij heeft de officier van justitie zich wel op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde medeplegen niet bewezen kan worden verklaard.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte als bestuurder van de vennootschappen wettelijk verantwoordelijk was voor de financiën en administratie van de vennootschappen en de verplichtingen in verband met een faillissement. De officier van justitie heeft kort gezegd aangevoerd dat de verdachte is tekort geschoten in de verantwoordelijkheden die een goed ondernemer in het zakelijke verkeer heeft.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van de verdachte heeft een integrale vrijspraak van de feiten 1, 2 en 3 bepleit.
Hij heeft aangevoerd dat [getuige] , de toenmalige partner van de verdachte, verantwoordelijk was voor de administratie en de boekhouding van de vennootschappen. [getuige] heeft vanuit [bedrijf 1] . geldbedragen overgeboekt naar haar privérekening, zonder de verdachte daarvan op de hoogte te stellen. Daarnaast heeft [getuige] post voor de verdachte verborgen gehouden, zodat hij geen weet had van de werkelijke (financiële) stand van zaken van de vennootschappen en daarmee een mogelijke benadeling van schuldeisers. Ook tijdens de faillissementen gaf [getuige] berichten van de curator niet door aan de verdachte waardoor hij er niet van op de hoogte was dat hij werd verwacht bij de curator respectievelijk de rechter-commissaris in verband met het faillissement van [bedrijf 1] .
De raadsman heeft aangevoerd dat onder de gegeven omstandigheden de verdachte niet aangemerkt kan worden als feitelijk bestuurder en dat hij geen opzet had op de verboden gedragingen, ook niet in voorwaardelijke zin.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de feiten 1, 2, en 3
De verdachte is vanaf 2006 via een eenmanszaak aan het werk gegaan als schilder. Medio 2020 wilde hij uitbreiden en heeft hij de vennootschappen [bedrijf 1] . en [bedrijf 1] opgericht. Met deze [bedrijf 1] ’s heeft de verdachte een ander schildersbedrijf, [bedrijf 2] , overgenomen.
Per 27 augustus 2020 staat de verdachte als enig (indirect) bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] . in het handelsregister vermeld.
Toen de verdachte zijn eenmanszaak voerde, verzorgde zijn toenmalige partner [getuige] de boekhouding en administratie van zijn bedrijf. Dit is zij blijven doen voor [bedrijf 1] . en [bedrijf 1]
Dat [getuige] de administratie en boekhouding deed, neemt niet weg dat de verdachte formeel bestuurder van de vennootschappen was. Hier horen wettelijke verantwoordelijkheden en verplichtingen bij, waaronder het voeren van een administratie.
Feit 1.
De verweten bedrieglijke bankbreuk tijdens het faillissement van [bedrijf 1] . bestaat volgens de tenlastelegging hierin dat de verdachte in de periode 25 september 2020 tot en met 20 september 2021 diverse geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel, door deze naar de privé rekening van [getuige] over te maken, wetende dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld.
Om tot een bewezenverklaring van bedrieglijke bankbreuk te komen, moet buiten redelijke twijfel vaststaan dat de verdachte het opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers dan wel benadeling van hen in hun verhaalsmogelijkheden. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2010 (NJ 2010, 119) volstaat in dit geval voorwaardelijk opzet. Dat betekent dat voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat de handelingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden hebben doen ontstaan en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
Uit het dossier blijkt dat in de periode 25 september 2020 tot en met 20 september 2021 aanzienlijke bedragen van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] zijn overgeschreven naar de privébankrekening van [getuige] , zonder dat daartoe een zakelijke verplichting bestond. Van deze gelden werden onder andere de privé uitgaven van het gezin van de verdachte en [getuige] betaald.
Deze overboekingen hebben naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de schuldeisers in het latere faillissement zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Daarvan was al sprake vanaf het eerste moment dat de BV’s werden opgericht. Met de overname van [bedrijf 2] zijn de BV’s namelijk financiële verplichtingen aangegaan die niet door hen konden worden gedragen, zo heeft de curator vastgesteld en getuige [getuige] ter zitting erkend.
De vraag is of de verdachte op de hoogte is geweest van de nijpende financiële situatie van de BV’s en van de (omvang van de) overboekingen naar de privé bankrekening van [getuige] . Voor wat betreft de periode tot 8 april 2021 beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend. Uit de verklaring van de verdachte en de getuigenverklaring van [getuige] , zoals afgelegd ter zitting, is de rechtbank gebleken dat [getuige] degene was die de financiën regelde voor zowel de BV’s als het gezin in privé, en dat zij de financiële problemen binnen de bedrijven en het toenmalig gezin van de verdachte en [getuige] in de tenlastegelegde periode verborgen heeft gehouden voor de verdachte. Zij heeft verklaard dat zij hier ook over loog tegen de verdachte. De verdachte heeft aangegeven dat hij er vanuit is gegaan dat de bedrijven genoeg inkomsten genereerden om de financiële lasten te dragen en de rechtbank heeft geen aanleiding aan deze verklaring te twijfelen. De rechtbank gaat er in die omstandigheden niet vanuit dat de verdachte in deze periode kon voorzien dat er een faillissement zou volgen, waarin schuldeisers zouden worden benadeeld.
Dat is naar het oordeel van de rechtbank anders in de periode vanaf 8 april 2011. Dit is de datum waarop [bedrijf 1] failliet is verklaard. Deze Beheer B.V. had de verdachte op advies van de notaris opgericht en hing boven [bedrijf 1] . In het kader van het faillissement heeft de verdachte begin april persoonlijk contact gehad met de curator, zo blijkt uit het dossier. Het faillissement had volgens de verdachte te maken met een dispuut met de heer [naam] , de oude eigenaar van [bedrijf 2] . De heer [naam] had nog geen betaling ontvangen voor de overname van zijn bedrijf, zo heeft hij ook rechtsreeks aan de verdachte laten weten.
Vanaf dit faillissement had de verdachte als (formeel) bestuurder zonder meer aanleiding zich zorgen te maken om de financiële situatie van zijn bedrijven, en dus ook van [bedrijf 1] . De rechtbank gaat er vanuit dat de verdachte vanaf 8 april 2021 heeft geweten dat ook voor zijn andere B.V. een faillissement dreigde. Hij had alle mogelijkheden om vervolgens nader onderzoek te doen naar zowel de financiële situatie als de uitgaven van de bedrijven. Zo had de verdachte toegang tot de bankgegevens van zijn ondernemingen, waarop zowel de overboekingen naar [getuige] , als de actuele stand van zaken, als het uitblijven van een betaling aan de heer [naam] zichtbaar was. Door dat onderzoek in het geheel niet te doen, maar te blijven voortleven en -werken, zoals de verdachte tot dat moment deed, heeft de verdachte in ieder geval vanaf 8 april 2021 willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er nog steeds overboekingen naar [getuige] plaatsvonden, waarmee gelden aan de boedel werden onttrokken en dat zijn schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zouden worden benadeeld.
Feiten 2 en 3.
Een bestuurder van een rechtspersoon is op grond van artikel 2:10 BW verplicht een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Indien de rechtspersoon failliet wordt verklaard, wordt een curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. De curator heeft voor de uitvoering van deze taken terstond de administratie nodig van de rechtspersoon om onder andere waardeverdamping te voorkomen (artikel 68 Fw). Om dat te kunnen bewerkstelligen dient de gefailleerde (hieronder worden in dit verband verstaan de (feitelijke) bestuurders en commissarissen van de failliete rechtspersoon) alle medewerking aan de curator te verlenen aan het beheer en de vereffening van de boedel zodat de afhandeling hiervan niet wordt bemoeilijkt. Het initiatief hiervoor ligt dan ook bij de gefailleerde. Hij moet terstond de administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers volledig en ongeschonden aan de curator overdragen (artikel 105a, 106 Fw en artikel 348a Sr).
Door de verdediging is aangevoerd dat het niet aan de verdachte te wijten is dat de curator geen administratie heeft ontvangen. Het was [getuige] die de administratie voerde dus die kon hij niet overhandigen, en zij heeft de brieven en e-mailberichten van de curator die aan hem waren gericht in deze periode onderschept om de financiële problemen bij hem weg te houden.
De rechtbank overweegt als volgt.
De verdachte was (formeel en feitelijk) bestuurder van beide rechtspersonen. De verplichtingen als bedoeld in feit 2 (artikel 344a lid 2 Sr) en feit 3 (artikel 194 lid 3 Sr in verband met artikel 106 Faillissementswet) rustten dan ook op hem.
Op 9 april 2021 heeft de curator voor het eerst in een e-mailbericht om inlichtingen gevraagd. Uit het e-mailbericht van 19 april 2021 leidt de rechtbank af dat er daarna een ontmoeting heeft plaatsgevonden waar de verdachte bij aanwezig is geweest, en waar is toegezegd dat de vragenlijst en administratie van [bedrijf 1] zou worden aangeleverd. Vanaf de ontmoeting van de verdachte, [getuige] en zijn advocaat met de curator begin april 2021 moet de verdachte derhalve hebben geweten wat zijn verplichtingen jegens de curator waren en dat het belangrijk was de curator alle inlichtingen te verschaffen. Nadien heeft de curator niets van de verdachte ontvangen.
De rechtbank heeft na het horen van de verklaringen van de verdachte en [getuige] niet de overtuiging dat de brieven en e-mailberichten van de curator die (ook) aan de verdachte zijn gestuurd, (allemaal) daadwerkelijk door hem zijn ontvangen. [getuige] heeft immers net als de verdachte verklaard dat zij deze opzettelijk bij hem heeft weggehouden. De rechtbank zal om die reden niet bewezen verklaren dat de verdachte meermaals in weerwil van alle berichten van de curator, zoals genoemd onder feit 3 op de tenlastelegging, geen inlichtingen heeft verschaft. Wel gaat de rechtbank er gelet op het voorgaande vanuit dat de verdachte op de hoogte is geweest van het verzoek van de curator in het e-mailbericht van 9 april 2021 en aan die oproep niet heeft voldaan.
Die verplichtingen had de verdachte niet alleen in verband met het faillissement van de beheervennootschap maar ook van dat van [bedrijf 1] ., welk faillissement op 21 september 2021 volgde en waarvan de verdachte, ook volgens zijn eigen verklaring, wel op de hoogte was.
Door in het geheel niet te communiceren over de faillissementen met de curator en zijn advocaat en geen navraag te doen waarom hij geen post ontving, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanvaard dat de curator geen inlichtingen respectievelijk administratie ontving waardoor hij de wettelijke verplichtingen bij faillissement, zoals bedoeld in feit 2, niet nakwam.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.
Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte
feit 1:
als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 21 september 2021 in staat van faillissement was verklaard, voor de intreding van het faillissement van [bedrijf 1] ., te weten op tijdstippen in de periode van 9 april 2021 tot en met 20 september 2021, in Nederland, meermalen, enig goed aan de boedel heeft onttrokken, wetende dat hierdoor een of meer schuldeiser(s) van [bedrijf 1] . in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, door toen aldaar -zakelijk weergegeven-
geldbedragen over te laten boeken van de zakelijke rekening met nr. [rekeningnummer 1] op naam van [bedrijf 1] . naar de privébankrekening met nr. [rekeningnummer 2] op naam van [getuige] (de toenmalige partner van verdachte), zulks telkens zonder dat voor die transactie(s) een betalingsverplichting, althans een zakelijke verplichting en/of een zakelijke verantwoording bestond/tegenover stond en verdachte, toen aldaar geldbedragen aldus buiten het bereik en beheer van de curator heeft gesteld en/of gehouden (onttrokken);
feit 2:
als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2021 in staat van faillissement was verklaard en van de rechtspersoon [bedrijf 1] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 september 2021 in staat van faillissement was verklaard, tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersonen, te weten op tijdstippen in de periode van 9 april 2021 tot en met 10 augustus 2022 en 22 september 2021 tot en met 10 augustus 2022, in Nederland, meermalen, desgevraagd telkens opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen, gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator heeft verstrekt,
immers heeft hij, verdachte toen aldaar -zakelijk weergegeven-
geen administratie van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] . aan de curator overgelegd/uitgeleverd en/of doen overleggen/uitleveren, althans ter beschikking gesteld en/of doen stellen, ten gevolge waarvan de rechten en verplichtingen van voornoemde rechtspersoon niet te allen tijde juist en/of volledig konden worden gekend;
feit 3:
in de periode van 9 april 2021 tot en met 10 augustus 2022 en 22 september 2021 tot en met 10 augustus 2022 in Nederland heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, terwijl hij in het faillissement van een ander, te weten in het faillissement van [bedrijf 1] d.d. 8 april 2021, wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen,
immers heeft hij, verdachte, toen aldaar -zakelijk weergegeven-
geweigerd om de door de curator, bij e-mail van 9 april 2021 gevraagde inlichtingen te geven, van belang in het kader van de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 1]
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uur met de bepaling dat de verdachte 120 dagen vervangende hechtenis moet ondergaan als hij de taakstraf niet (goed) zou uitvoeren. De officier van justitie heeft daarbij een proeftijd van 2 jaar gevorderd. Ook heeft de officier van justitie de oplegging gevorderd van de bijkomende straf ’ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon’ voor de duur van 5 jaar (hierna aangeduid als beroepsverbod).
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om meer rekening te houden met de rol die [getuige] bij de strafbare feiten heeft gespeeld, de onwetendheid van de verdachte daarover en met het tijdsverloop. Verzocht is daarom om toepassing te geven aan artikel 9a Sr en geen straf op te leggen dan wel om de duur van de gevorderde voorwaardelijke taakstraf te matigen. De verdediging heeft ervoor gepleit om geen beroepsverbod op te leggen, omdat dit niet redelijk is aangezien na de feiten de nodige tijd is verstreken en de verdachte nadien heeft laten zien dat hij een goed ondernemer is.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 60 uur. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt en ook waarom zij geen beroepsverbod oplegt.
De bewezenverklaarde feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de benadeling van schuldeisers in het faillissement van [bedrijf 1] ., waarvan hij via zijn beheervennootschap bestuurder was. De verdachte heeft niet voorkomen dat zijn toenmalige partner geld heeft onttrokken aan de boedel voorafgaand aan het faillissement van de onderneming. Vanaf het faillissement van de beheervennootschap [bedrijf 1] op 8 april 2021 had de verdachte in ieder geval kunnen weten dat ook [bedrijf 1] . er financieel slecht voor stond. Vanaf toen heeft zijn toenmalige partner nog een bedrag van naar schatting tussen de € 30.000,- en € 60.000,- naar haar privérekening overgeboekt (feit 1).
Ook heeft de verdachte in zijn hoedanigheid van bestuurder van de failliete vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 1] ., opzettelijk de wettelijke administratie- en inlichtingenplicht rond een faillissement geschonden (feiten 2 en 3).
De verdachte heeft verklaard dat hij de administratie van zijn BV’s volledig uit handen had gegeven aan [getuige] , zijn toenmalige partner, en dat zij voor hem verborgen heeft gehouden hoe slecht de zaken er financieel voorlagen. Ter zitting heeft [getuige] erkend dat het op die manier is gegaan en aangegeven dat zij op dat moment verslaafd was aan cocaïne en drank en zowel die verslaving als de financiële problematiek voor de verdachte verborgen heeft gehouden.
De rechtbank heeft enerzijds begrip voor het feit dat de verdachte vertrouwen stelde in zijn toenmalige partner, met wie hij al lang samen was en die ook al lange tijd zijn administratie voerde. De rechtbank verwijt de verdachte anderzijds dat hij op geen enkele manier zicht heeft gehouden op de financiën van de bedrijven waarvan hijzelf de bestuurder was. Hij heeft verklaard de bankrekeningen niet te hebben bekeken, geen contact te hebben gehad met zijn (voormalig) boekhouder of de advocaat die was ingeschakeld in het faillissement en hij heeft niet in de gaten gehouden of er belastingen werden betaald (wat niet het geval bleek). Ook nadat de Beheer B.V. van de verdachte failliet is gegaan, heeft hij geen onderzoek gedaan naar de financiële situatie van dit bedrijf, of zijn andere bedrijf.
Dit handelen van de verdachte getuigt van een lichtzinnige houding ten opzichte van de financiële belangen van de schuldeisers van zijn vennootschap, zoals voor de heer [naam] , aan wie de verdachte niet het afgesproken bedrag voor de overname van diens bedrijf heeft betaald. Ook was het door het gebrek aan een deugdelijke administratie en inlichtingen voor de curator lastig om de faillissementen op een juiste wijze af te wikkelen.
Toepassing van artikel 9a Sr, zoals verzocht door de verdediging, doet geen recht aan de ernst van de feiten. Ook een geheel voorwaardelijke taakstraf doet dat naar het oordeel van de rechtbank niet.
Zoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken als uitgangspunt.
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd. De rechtbank heeft ook gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen. Voor fraudedelicten met een benadelingsbedrag tussen de € 10.000,- en € 70.000,- staat in de oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor een duur van 2 tot 5 maanden genoemd. Dat heeft in deze zaak het vertrekpunt gevormd voor het bepalen van de straf.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte en waardering van zijn rol bij de gepleegde feiten.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij geen wetenschap had van de verslavingsproblematiek en bijbehorende financiële problematiek van zijn toenmalige partner, [getuige] . Ter zitting is duidelijk geworden dat [getuige] op eigen houtje geldbedragen van de zakelijke rekening naar haar privérekening overboekte en dat deze gelden voor het gezin zijn gebruikt, maar ook voor een substantieel deel zijn opgegaan aan haar verslavingen. De situatie is zelfs zo penibel geworden dat zij ook de huur van de woning niet meer heeft betaald en het gezin uit huis is gezet. De verdachte is zijn huis en al zijn spullen kwijtgeraakt.
De gevolgen voor de verdachte en zijn kinderen zijn heel groot. De verdachte is bij zijn ouders gaan wonen. Hij heeft een hele tijd alleen voor zijn kinderen moeten zorgen. Hij krijgt op dit moment geen eigen betaalbare huurwoning toegewezen vanwege de eerdere huurachterstanden. De verdachte moet alle zeilen bijzetten om via zijn eenmanszaak de kost te verdienen en schulden af te betalen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het zakelijk op dit moment weer op de rit heeft maar persoonlijk nog dagelijks met de problemen wordt geconfronteerd. Daarbij heeft hij verklaard zakelijk zijn les meer dan te hebben geleerd en dat hij nooit meer een onderneming over zal nemen of zaken uit handen zal geven. De verdachte hoopt op korte termijn te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf sterk rekening met de hierboven geschetste omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de grote gevolgen die de verdachte al heeft ondergaan.
Ook houdt de rechtbank rekening met het aanzienlijke tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de veroordeling. Binnen dat tijdsverloop heeft de verdachte, voor zover nu bekend, geen nieuwe strafbare feiten gepleegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van een beperkte duur een passende straf is. Daarmee kan dit hoofdstuk voor de verdachte worden afgesloten en kan hij zich op de toekomst richten.
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in de vordering om aan de verdachte een beroepsverbod op te leggen. Gezien het tijdsverloop acht de rechtbank oplegging daarvan niet passend.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 57, 194, 343, 344a van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd enig goed aan de boedel hebben onttrokken;
feit 2:
als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken, meermalen gepleegd;
feit 3:
in het faillissement van een ander en wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen weigeren de vereiste inlichtingen te geven.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. N.E.M. Keereweer, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 7 april 2026.