ECLI:NL:RBOBR:2026:209

ECLI:NL:RBOBR:2026:209, Rechtbank Oost-Brabant, 16-01-2026, 25/419

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer 25/419
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

WSF 2000. Kwijtschelden (resterende) studieschuld. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Minister heeft gehandeld volgens de Beleidsregel kwijtschelding studieschulden gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek. Geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/419

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),

en

(gemachtigden: mr. drs. E.H.A. van den Berg en mr. M. Santing).

1. Deze uitspraak gaat over de het verzoek van eiseres om kwijtschelding van haar studieschuld. Eiseres is het er niet mee eens dat de minister haar verzoek om kwijtschelding heeft afgewezen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van eiseres haar studieschuld kwijt te schelden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 24 november 2021 is de studieschuld van eiseres die is ontstaan tot en met 31 december 2020 kwijtgescholden, omdat zij slachtoffer is van de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiseres heeft de minister gevraagd haar resterende studieschuld ook kwijt te schelden. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 9 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. M. Santing namens de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het vertrouwensbeginsel

3. Eiseres voert aan dat de minister een toezegging heeft gedaan dat zij haar studieschuld niet terug hoeft te betalen. Zij stelt dat haar is toegezegd dat zij nog gebruik kon gaan maken van studiefinanciering en dat zij zich geen zorgen hoefde te maken dat haar studieschuld niet zou worden kwijtgescholden. Daarmee doet zij een beroep op het vertrouwensbeginsel.

De minister stelt dat niet is gebleken dat aan eiseres concreet toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan zij zich met succes zou kunnen beroepen op het vertrouwensbeginsel.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit vaste rechtspraak.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister haar heeft toegezegd dat haar studieschuld voor zover die na 31 december 2020 is ontstaan, wordt kwijtgescholden. In de berichten van 30 augustus en 24 november 2021 van de minister staat dat de schulden die zijn ontstaan tot en met 31 december 2020 worden kwijtgescholden. In de brief van 10 november 2022 van mr. Van Dijsseldonk, de toenmalige gemachtigde van eiseres, staat dat eiseres de telefonische bevestiging zou hebben gehad dat ook toekomstige studieschulden die als gevolg van de toeslagenaffaire ontstaan, zullen worden kwijtgescholden. De minister heeft in de brief van 19 januari 2024 echter betwist dat die toezegging is gedaan. Eiseres blijft er desondanks aan vasthouden dat de toezegging is gedaan, maar zij heeft die stelling niet verder onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daardoor niet.

De hardheidsclausule

4. Eiseres betoogt dat haar situatie rondom de toeslagenaffaire maakt dat van haar niet kan worden verlangd dat zij de studieschuld terugbetaalt. Zij betrekt daarbij dat zij door toedoen van de overheid geen voltijdstudie kon volgen, waardoor haar recht op studiefinanciering over de periode van oktober 2022 tot en met oktober 2023 werd ingetrokken. Hiermee doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule.

De minister wijst erop dat voor deeltijdopleidingen geen recht op studiefinanciering bestaat. Verder merkt hij op dat in de situatie van eiseres is gehandeld volgens de Beleidsregel kwijtschelding studieschulden gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek (de Beleidsregel). Volgens de minister heeft de evenredigheidstoets plaatsgevonden, omdat de hardheidsclausule in de Beleidsregel wordt vermeld. Hij stelt dat met de uitzonderlijke situaties van de slachtoffers van de toeslagenaffaire voldoende rekening is gehouden.

Volgens artikel 4 van de Beleidsregel worden studieschulden die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 kwijtgescholden of omgezet in een gift. Uit de toelichting bij de Beleidsregel volgt dat deze kwijtschelding en omzetting in een gift plaatsvindt op grond van de hardheidsclausule of op grond van artikel 4:94a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel bepaalt dat een bestuursorgaan een geldschuld geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden als de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen.

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de minister in de omstandigheid dat een deel van de studieschuld is ontstaan doordat eiseres geen voltijdstudie volgde geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen en de studieschuld kwijt te schelden. Eiseres maakte namelijk bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de studiefinanciering en deed toen ook een beroep op de hardheidsclausule. In de beslissing op bezwaar van 4 mei 2023 heeft de minister uitgelegd waarom er geen reden wordt gezien de hardheidsclausule toe te passen. Eiseres heeft daartegen geen beroep ingesteld, zodat het besluit tot intrekking van de studiefinanciering onherroepelijk is geworden. Bovendien gaat het in deze zaak niet over de omvang van de studieschuld, maar om het verzoek om kwijtschelding. Daarvoor heeft de minister beleid ontwikkeld.

Het is niet in geschil dat de minister volgens de Beleidsregel heeft gehandeld. Daarmee heeft de minister toepassing gegeven aan de hardheidsclausule. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waardoor de minister van de Beleidsregel had moeten afwijken en de studieschuld die betrekking heeft op de periode na 31 december 2020 had moeten kwijtschelden. De omstandigheid dat eiseres slachtoffer is van de toeslagenaffaire is immers juist al meegewogen bij de totstandkoming van de Beleidsregel.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de studieschuld van eiseres terecht niet heeft kwijtgescholden. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van

E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?