ECLI:NL:RBOBR:2026:2108

ECLI:NL:RBOBR:2026:2108

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 01/278366/23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling wegens medeplegen van overtreding art. 2 onder C Opiumwet (aanwezig hebben ayahuasca/ N,N-Dimethyltryptamine ). Gevangenisstraf gelijk aan duur voorarrest (2 dagen) wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie ‘s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.278366.23

Datum uitspraak: 02 april 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1971] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 januari 2025 en 19 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 januari 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 april 2019 te Eersel

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verstrekt en/of vervaardigd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 600 milliliter en/of

- 12,4 kilogram,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende N,N-Dimethyltryptamine (DMT), zijnde N,N-Dimethyltryptamine (DMT) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

Inleiding.

Tijdens het opsporingsonderzoek dat werd gestart naar aanleiding van het overlijden van een [nationaliteit] man, [naam] , op 3 maart 2019 in Eindhoven, kwam de politie uit bij een woning in Eersel waar door een organisatie genaamd [bedrijf] . retraites werden georganiseerd. Tijdens deze retraites zou ‘ayahuasca’ worden gebruikt, dat als werkzame stof N,N-Dimethyltryptamine (DMT) bevat, een stof die staat vermeld op lijst I van de Opiumwet. Nadat uit het onderzoek was gebleken dat er op 24 april 2019 weer een retraite zou plaatsvinden, hebben twee opsporingsambtenaren zich (op basis van een bevel ex artikel 126j Wetboek van Strafvordering) ingeschreven als deelnemers aan die bijeenkomst en heeft er een inval in de woning plaatsgevonden. [verdachte] (hierna: de verdachte) was een van de aanwezigen in de woning en bleek betrokken bij [bedrijf] . Tijdens de doorzoeking werd in de woning een hoeveelheid DMT aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsvrouw van verdachte is vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar in de woning aanwezig was, maar dat niet kan worden bewezen dat hij ayahuasca heeft bereid en/of voorhanden heeft gehad. Verdachte had de bewuste dag geen betrokkenheid bij de retraite en daarmee ook niet bij de in de woning aanwezige ayahuasca.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden.

De rechtbank baseert haar beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht.

Verder overweegt de rechtbank als volgt.

Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte niet alleen wetenschap omtrent de aanwezigheid van het middel heeft, maar hij, al dan niet samen met zijn medepleger(s), ook feitelijke macht hierover kan uitoefenen in de zin dat hij/zij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de middelen zich in de machtssfeer van de (mede)verdachte bevinden.

Op het moment dat de politie de woning in Eersel binnenging waren meerdere deelnemers aan de retraite aanwezig. Zij namen deel aan een ayahuasca-sessie in de woonkamer die op het punt stond te beginnen. Naast verdachte werden nog drie personen in de woning aangehouden die betrokken waren bij [bedrijf] .

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er ayahuasca in de woning aanwezig was en dat er die dag, 24 april 2019, een ayahuasca-sessie zou plaatsvinden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij sinds enkele dagen in de woning in Eersel verbleef en dat hij door de organisatie [bedrijf] . werd opgeleid tot begeleider van sessies waarbij ayahuasca werd gebruikt. Verdachte was dus niet alleen op de hoogte van de activiteiten van de organisatie, hij werd daar door [bedrijf] . actief bij betrokken. Gelet op deze feiten en omstandigheden had verdachte, samen met de andere bij [bedrijf] . betrokken personen, ook beschikkingsmacht over de in de woning aanwezige ayahuasca (DMT). De genoemde feiten en omstandigheden leveren een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de andere leden van de organisatie op zodat sprake is van medeplegen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ayahuasca tezamen en in vereniging aanwezig heeft gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de aanwezige ayahuasca (DMT) op 24 april 2019 op enigerlei wijze is verwerkt, bewerkt, bereid, vervaardigd of verstrekt. Daarom zal verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 24 april 2019 te Eersel

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 600 milliliter en

- 12,4 kilogram,

van een materiaal bevattende N,N-Dimethyltryptamine (DMT), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsvrouw is bepleit dat bij een bewezenverklaring, net als bij de medeverdachten, volstaan kan worden met een straf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid van 600 milliliter en 12,4 kilogram ayahuasca (DMT), vermeld op lijst I van de Opiumwet. DMT veroorzaakt hallucinaties en kan misselijkheid, braken, duizeligheid, dissociatie en bewusteloosheid tot gevolg hebben. Ook bestaat het risico op het versnellen of vertragen van de hartslag, bloeddrukstijgingen en gevoelsstoornissen in de ledematen. Mentaal kan ineens een extreme angst, ontzetting en/of paniek ontstaan. DMT is ingedeeld in lijst I van de Opiumwet. Op deze lijst staan middelen vermeld, onder meer ter uitvoering van internationale verdragsverplichtingen, die zijn aangemerkt als middelen waarvan is gebleken dat deze het bewustzijn van de mens beïnvloeden en bij gebruik door de mens kunnen leiden tot schade aan de gezondheid en schade voor de samenleving. DMT is daarom een verboden middel, met uitzondering van gebruik bij religieuze bijeenkomsten. Daarvan was in dit geval geen sprake. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de gezondheidsrisico’s van DMT heeft miskend. Dat verdachte aangeeft dat hij niet wist dat de stof in Nederland verboden is, doet hier niet aan af.

Met betrekking tot de persoon van verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte in Nederland niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen en dat hij inmiddels een bestaan in Nederland heeft opgebouwd. Verdachte heeft twee dagen in verzekering doorgebracht.

Verder constateert de rechtbank dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vijf jaar. Verdachte is op 25 april 2019 in verzekering gesteld terwijl de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 19 maart 2026, dus bijna 7 jaar later, heeft plaatsgevonden. Hoewel een deel van de vertraging gelegen is in de nadere onderzoekswensen van de verdediging en een gehonoreerd verzoek om aanhouding, kan niet de gehele termijnoverschrijding daardoor worden verklaard. Al met al heeft de afdoening van deze zaak onwenselijk lang op zich laten wachten. Bij de beoordeling van de vraag welke consequentie aan de termijnoverschrijding moet worden verbonden, sluit de rechtbank zich aan bij de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. Hieruit volgt dat bij een termijnoverschrijding met meer dan een jaar gehandeld dient te worden naar bevind van zaken. De rechtbank is van oordeel dat de onwenselijk lange duur van de zaak moet leiden tot compensatie in de hoogte van de straf. Hoewel voor het medeplegen van het aanwezig hebben van een stof vermeld op lijst I van de Opiumwet in beginsel een gevangenisstraf van enkele maanden passend wordt geacht, is de rechtbank van oordeel dat gelet op de forse termijnoverschrijding volstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de door verdachte ondergane voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen

2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de

Opiumwet gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. F. van Buchem en mr. A.H.J. Saes, leden,

in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,

en is uitgesproken op 02 april 2026.

mr. A.H.J. Saes is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T. Kraniotis
  • mr. F. van Buchem
  • mr. A.H.J. Saes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?