ECLI:NL:RBOBR:2026:2112

ECLI:NL:RBOBR:2026:2112

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 01/034639/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Gevangenisstraf 15 maanden voor poging zware mishandeling en diefstal (art. 302 en 310 Sr). Oriëntatiepunten buiten toepassing. Toewijzing vordering benadeelde partij. Opheffing schorsing voorlopige hechtenis.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

[verdachte] ,

De tenlastelegging.

De formele voorvragen.

Bewijs

Nadere bewijsoverweging t.a.v. feit 1

De bewezenverklaring.

De strafbaarheid van het feit.

De strafbaarheid van verdachte.

Oplegging van straf en/of maatregel.

vonnis

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.034639.24

Datum uitspraak: 02 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 mei 2024, 15 augustus 2024 en 19 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 april 2024.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 14 januari 2024 te Eindhoven,

aan [slachtoffer] ,

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing, heeft toegebracht door die [slachtoffer] (meermaals) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen de kaak, het gezicht en/of het hoofd te slaan, waarna die [slachtoffer] met haar (achter)hoofd tegen de grond is gevallen;

T.a.v. feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 14 januari 2024 te Eindhoven,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [slachtoffer] (meermaals) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen de kaak, het gezicht en/of het hoofd heeft geslagen, waarna die [slachtoffer] met haar (achter)hoofd tegen de grond is gevallen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 14 januari 2024 te Eindhoven, een telefoon (Apple iPhone 12 mini), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Op 14 januari 2024 ontving het operationeel centrum van de politie Oost-Brabant de melding dat een vrouw rond 05.00 uur mishandeld zou zijn bij een appartementencomplex gelegen aan de [adres] te Eindhoven. Een man zou het slachtoffer van achter hebben aangevallen, bij haar nek hebben gegrepen, op de grond hebben gegooid en geslagen. Het slachtoffer liep hierbij letsel op. Na de mishandeling heeft de man de telefoon van het slachtoffer meegenomen.

Van het incident werden beelden veiliggesteld en er werd een opsporingsbericht op social media geplaatst. Een werkgever van een bedrijf uit de omgeving van Eindhoven meldde zich naar aanleiding hiervan bij de politie. Zij verklaarde dat zij de man op de beelden herkende als haar werknemer [verdachte] (hierna: verdachte). Nadat de verdachte ook werd herkend door verbalisanten die bij het bedrijf zijn gaan kijken, werd hij daar aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel van het slachtoffer niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van feit 1 primair. De poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair) en de diefstal kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de bewijsmiddelen die zijn vervat in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat feit 1 subsidiair en feit 2 wettig en overtuigend bewezenverklaard kunnen worden. Verder overweegt de rechtbank als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer in de hal van het appartementencomplex waar zij verbleef heeft aangevallen waarbij hij haar meermalen (hard) met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen waardoor het slachtoffer achterover op de grond is gevallen en haar hoofd de vloer heeft geraakt. Het slachtoffer heeft hierbij letsel opgelopen.

De vraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden is of het letsel van het slachtoffer kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Algemeen.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.

Met betrekking tot het gezichtspunt ‘uitzicht op herstel’ geldt ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn als het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook als het

letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Verder kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie zwaar lichamelijk letsel; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk.

Het letsel.

Uit de medische informatie die zich in het procesdossier en bij de vordering benadeelde partij bevindt, blijkt dat het slachtoffer aan de aanval een hersenschudding, zwellingen/bloeduitstortingen en pijnklachten aan haar tanden/kaak heeft overgehouden. Uit het journaal van de huisarts dat zich bij de vordering benadeelde partij bevindt, volgt dat op 22 mei 2024 restklachten aanwezig waren in de zin van 1-2 maal per week hoofdpijnklachten, oorsuizen en vermoeidheid. Meer recente informatie ontbreekt. Waar aanvankelijk sprake leek te zijn van een hersenkneuzing (zoals ook onder 1, primair, ten laste gelegd) bleek dat bij nadere beschouwing niet het geval te zijn (aanvullende medische informatie van waarnemend huisarts [naam] d.d. 8 mei 2024).

Het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het letsel van het slachtoffer niet als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Niet gebleken is dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. De combinatie van het letsel is ook niet van dien aard dat het letsel in zijn totaliteit kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De periode van het herstel (voor zover deze volgt uit de beschikbare medische informatie) en de restklachten op 22 mei 2024 leiden evenmin tot de conclusie dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1 primair.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte (in ieder geval in voorwaardelijke zin) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Naar algemene ervaringsregels kan het meermalen slaan op/tegen het hoofd, waardoor het slachtoffer achterover op de harde ondergrond valt, leiden tot ernstig letsel aan het hoofd zoals breuken van de schedel en hersenschade.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

op 14 januari 2024 te Eindhoven,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [slachtoffer] meermaals met kracht met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen, waarna die [slachtoffer] met haar (achter)hoofd tegen de grond is gevallen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2:

op 14 januari 2024 te Eindhoven, een telefoon (Apple iPhone 12 mini) die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 183 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een poging tot zware mishandeling. Hij heeft na afloop daarvan de telefoon van het slachtoffer weggenomen. Verdachte heeft het slachtoffer op grove wijze aangevallen, meermalen hard tegen het hoofd geslagen en op de grond gegooid. De aanval vond midden in de nacht plaats nadat verdachte het slachtoffer, een volstrekt willekeurige vrouw, gedurende langere tijd had achtervolgd door het centrum van Eindhoven. Hij is het appartementencomplex waar de vrouw die nacht verbleef binnengedrongen en heeft direct de aanval op de vrouw geopend door haar vast te pakken bij haar armen en haar haren. Meerdere plukken haar van het slachtoffer zijn hierdoor losgetrokken. Hierna heeft verdachte geprobeerd het slachtoffer op de grond te gooien en zijn verdachte en het slachtoffer, dat zich stevig verweerde, samen op de grond terechtgekomen. Toen beiden weer overeind waren gekomen heeft verdachte het slachtoffer meermalen hard tegen het hoofd geslagen waardoor het slachtoffer achterover op haar hoofd is gevallen, op de harde tegelvloer in de hal. Dat het slachtoffer door de aanval geen zwaarder fysiek letsel heeft opgelopen dan uit de stukken blijkt, is niet aan verdachte te danken.

Gelet op de geschetste omstandigheden waaronder het feit werd gepleegd en op de beelden van de aanval die zich in het dossier bevinden – in het bijzonder de gedragingen vanaf ongeveer 00:30, waar het slachtoffer op de grond ligt, verdachte haar omhoog trekt, met zijn hand naar zijn broek of riem lijkt te grijpen en hij haar hoofd richting zijn kruis beweegt – vindt de rechtbank het aannemelijk dat de aanval een (ten minste deels) seksueel motief had. Dit wordt ondersteund door notities in de telefoon van verdachte. Dat het in dat opzicht niet ernstiger is afgelopen, lijkt te danken aan het moedig terugvechten door het slachtoffer.

Verdachte heeft een bijzonder grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Over de persoon van verdachte is bekend dat hij ten tijde van het incident in Nederland woonde in verband met werk en dat hij in Nederland een blanco strafblad heeft. Verdachte heeft zich niet aan de aan hem opgelegde schorsingsvoorwaarden gehouden en is al geruime tijd onvindbaar. Mede daardoor is er beperkt zicht verkregen op de persoon van verdachte. Op grond van de aard van het feit en de (beperkte) informatie betreffende verdachte zoals die uit de adviezen van de reclassering en het Pro Justitia rapport blijkt, maakt de rechtbank zich grote zorgen over het psychosociaal functioneren van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. In de huidige tijd is veel aandacht voor geweld tegen vrouwen en de maatschappij verwacht dat hier hard tegen wordt opgetreden. De rechtbank is alles overziend van oordeel dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en zal daarom een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie bij de eis met name onvoldoende oog gehad voor de feiten en omstandigheden rondom de aanval zoals die hierboven zijn omschreven. Deze feiten en omstandigheden maken dat de landelijke oriëntatiepunten voor een (poging tot) zware mishandeling naar het oordeel van de rechtbank niet passend zijn. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden passend en geboden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 29 januari 2024 in verzekering is gesteld. De voorlopige hechtenis is met ingang van 19 augustus 2024 geschorst. Nu verdachte ruimschoots korter dan 16 maanden in voorlopig hechtenis heeft verbleven, geldt als redelijke termijn voor de berechting een termijn van twee jaar. De rechtbank doet uitspraak op 2 april 2026. De redelijke termijn is dus met iets meer dan twee maanden overschreden. Nu de ernst van deze inbreuk van betrekkelijk geringe aard is – gelet op de mate van overschrijding en in het licht van de duur van de op te leggen straf – bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond om aan dat oordeel nog enig ander rechtsgevolg te verbinden. De rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De voorlopige hechtenis.

De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 19 augustus 2024 geschorst. Verdachte heeft hierbij als bijzondere voorwaarden onder andere opgelegd gekregen dat hij moest meewerken aan het Pro Justitia psychiatrisch onderzoek en aan een meldplicht bij de reclassering. Uit het rapport van de psychiater en de informatie van de reclassering blijkt dat hij zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden. Daarnaast was verdachte verplicht te verschijnen bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak en ook deze bijzondere voorwaarde heeft hij (door op 19 maart 2026 niet te verschijnen) overtreden. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de schorsing van de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd van ten minste even lange duur als de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, geen toereikende grond vormt voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Die beslissing moet berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Zij moet een op de voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten waaruit blijkt dat de rechter de genoemde

belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval (alsnog) voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis noodzakelijk is. In die belangenafweging kan wel worden betrokken dat de verdachte wordt veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur wordt opgelegd, in die zin dat daarmee een groter gewicht toekomt aan de desbetreffende grond(en) voor de voorlopige hechtenis. Ook kan daarin een rol spelen in hoeverre de verdachte zich heeft gehouden aan de specifieke schorsingsvoorwaarden en wat het effect daarvan is geweest (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987).

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de strafvorderlijke belangen die gediend zijn met de voorlopige hechtenis zwaarder te wegen dan de persoonlijke belangen die de verdachte heeft bij het voortduren van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Over het psychosociaal functioneren van verdachte bestaan zoals hiervoor is toegelicht grote zorgen, die ook doen vrezen voor herhaling van het plegen van (ernstige) strafbare feiten. Verdachte heeft zich verder aan geen enkele bijzondere voorwaarde gehouden. De schorsing van de voorlopige hechtenis zal dan ook worden opgeheven.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 7.790,45, bestaande uit € 2.290,45 aan materiële schade en € 5.500,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering in zijn geheel toewijsbaar, inclusief wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de behandeling ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

Op grond van de onderbouwing van de vordering, en in aanmerking nemende de nadere toelichting ter terechtzitting door de gemachtigde van de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat de materiële schade zoals gevorderd, dient te worden toegewezen.

Hetzelfde geldt voor de gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij heeft onderbouwd geestelijk letsel te hebben opgelopen (PTSS). Uit de toelichting op de vordering blijkt dat er sprake is van aanzienlijke psychische schade die langdurig van aard is. De benadeelde partij heeft zich onder behandeling moeten laten stellen van een psycholoog en zij ondervindt twee jaar na dato nog steeds de gevolgen van de PTSS. Gelet op de ernst, de duur en de mate van herstel van het psychisch letsel is de rechtbank van oordeel dat aansluiting gezocht dient te worden bij de categorie ‘middelzwaar’ uit de Rotterdamse schaal die een bandbreedte kent van € 5.500,00 tot € 16.000,00 in het geval van een PTSS-diagnose. Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 5.500,00.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

poging zware mishandeling

T.a.v. feit 2:

diefstal

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 7.790,45 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 63 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 2.290,45 euro materiële schade en 5.500,00 euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 7.790,45 euro, bestaande uit 2.290,45 euro materiële schade en 5.500,00 euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F. van Buchem, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. A.H.J. Saes, leden,

in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,

en is uitgesproken op 02 april 2026.

mr. A.H.J. Saes is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F. van Buchem
  • mr. T. Kraniotis
  • mr. A.H.J. Saes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?