RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.343961.25
Datum uitspraak: 02 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [vestigingsplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Eindhoven opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerlijer", "kankerjong", "fascist", "kankerhonden", "hitlerjugend", "flikker" en/of "vies vuil misselijk kutventje", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door
- die [slachtoffer] dreigen de woorden toe te voegen: "Ik schiet je kapot", "Jij gaat eraan", "Ik maak je kapot" en/of "Ik schiet je door je kankerkop, ik doe het echt" en/of
- (daarbij) een handbeweging te maken door met de duim en wijsvinger naar die [slachtoffer] uit te steken, alsof hij een vuurwapen in zijn hand had,
in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking,
terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer] in diens hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding.
Verdachte wordt beschuldigd van het beledigen en bedreigen van een buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: BOA) op 16 december 2025 te Eindhoven.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft met betrekking tot de bewezenverklaring geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigd bewezen. De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit:
op 16 december 2025 te Eindhoven opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerlijer", "kankerjong", "fascist", "kankerhonden", "hitlerjugend", "flikker" en "vies vuil misselijk kutventje".
T.a.v. feit 2:
op 16 december 2025 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "Ik schiet je kapot", "Jij gaat eraan", "Ik maak je kapot" en/of "Ik schiet je door je kankerkop, ik doe het echt" en
- (daarbij) een handbeweging te maken door met de duim en wijsvinger naar die [slachtoffer] uit te steken, alsof hij een vuurwapen in zijn hand had,
in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking,
terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer] in diens hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
Door de officier van justitie is gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 87 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie te volgen in zijn eis en daarmee aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Verdachte wil de recent onherroepelijk geworden ISD-maatregel, die hem in een andere strafzaak is opgelegd, benutten om nog iets van zijn leven te maken en daarnaast is bij verdachte onlangs een ernstige ziekte vastgesteld waarvoor hij behandeld moet worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen en bedreigen van de BOA die hem een bekeuring uitschreef wegens het overtreden van de Algemene Plaatselijk Verordening. Verdachte was op dat moment zwaar onder de invloed van alcohol en niet voor rede vatbaar. Opsporingsambtenaren doen hun best om de samenleving te dienen en krijgen daarbij te maken met mensen zoals verdachte, die hun werk bemoeilijken door beledigingen en dreigende taal te uiten. Daarbij komt dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd in het bijzijn van omstanders. Hierdoor kunnen gevoelens van onveiligheid ontstaan. Dergelijk gedrag ondermijnt daarnaast het gezag. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte een uitgebreid strafblad heeft van 54 pagina’s. Verdachte werd in de afgelopen jaren vele malen veroordeeld, niet alleen voor soortgelijke feiten als de onderhavige, maar ook voor vermogens- en geweldsdelicten. Verdachte was tot aan zijn detentie dakloos. Daarnaast is hij verslaafd aan alcohol en is sprake van psychische en medische problemen. Op 13 oktober 2025 werd verdachte laatstelijk wegens belediging van een ambtenaar en bedreiging een ISD-maatregel opgelegd die in januari 2026 onherroepelijk is geworden.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van een maand. De rechtbank legt daarmee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank oplegt de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank is zich ervan bewust dat de door verdachte ondergane voorlopige hechtenis in deze zaak de duur van de op te leggen straf overstijgt, echter acht de rechtbank het niet passend enkel hierom aan verdachte een langere gevangenisstraf op te leggen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
T.a.v. feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf.
T.a.v. feit 1, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. van Buchem, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. A.H.J. Saes, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 02 april 2026.
mr. A.H.J. Saes is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.