ECLI:NL:RBOBR:2026:2115

ECLI:NL:RBOBR:2026:2115

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 01/017336/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte wordt veroordeeld voor het samen met anderen aanwezig hebben van grote hoeveelheden drugs, het zonder registratie aanwezig hebben van aanzienlijke hoeveelheid ketamine en het voorhanden hebben van een aanzienlijk geldbedrag, dat van misdrijf afkomstig was (witwassen). De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Het inbeslaggenomen geldbedrag wordt verbeurdverklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.017336.25 en 01.072942.24 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 02 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [1996] ,

wonende [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 maart 2026.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

bevattende metamfetamine,
elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 12 februari 2026.

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 01.017336.25 tenlastegelegd dat:

t.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 940 gram (AARS1552NL), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

- ongeveer 621,19 gram (= 452,85 gram (AARS1549NL) + 168,34 gram (AARS1573NL)), in

- ongeveer 1604,53 gram (= 174,53 gram (AARS1512NL) + 1430 gram (AAQW5507NL)),

- ongeveer 665 gram (AARS1506NL), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende 2C-B,

zijnde metamfetamine, MDMA, cocaïne en/of 2C-B (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

t.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder registratie ongeveer 2821 gram ketamine HCI (= 646 gram (AARS1554NL) + 695 gram (AARS1509NL) + 495 gram (AARS1507NL - AARS1515NL - AARS1514NL) + 985 gram (AARS1550NL)), in elk geval een hoeveelheid van een werkzame stof, in voorraad heeft gehad.

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 01.072942.24 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 september 2023, te Veghel, gemeente Meierijstad (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van (totaal) €13.445,-,

A

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den), en/of

B

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beoordeling van het bewijs.

Inleiding.

Op 16 januari 2025 is de politie ter aanhouding van een gesignaleerd persoon (een medeverdachte) binnengetreden in de woning aan de [adres 1] . In deze woning werden tijdens de doorzoeking onder meer grote hoeveelheden middelen aangetroffen, hoofdzakelijk opgeborgen in een daar aangetroffen kluis.

Verdachte wordt - kort gezegd - (medeplegen van) het opzettelijk aanwezig hebben van drugs en ketamine verweten (feiten 1 en 2, parketnummer 01.017336.25).

Op 13 september 2023 werd de auto waarin verdachte reed door de politie gecontroleerd. In de auto werden door de politie grote geldbedragen aangetroffen. Bij de fouillering van verdachte werd in zijn kleding eveneens een aanzienlijk geldbedrag aangetroffen.

Verdachte wordt het witwassen van deze geldbedragen verweten (parketnummer 01.072942.24).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert op de gronden zoals verwoord in de overgelegde schriftelijke weergave van het requisitoir tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, te weten:

(01.072942.24).

Het standpunt van de verdediging.

Op gronden zoals weergegeven in de overgelegde pleitnota bepleit de verdediging:

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De zaak met parketnummer 01.017336.25.

Inleidende overweging.

Niet ter discussie staat dat op 16 januari 2025 in een woning te Uden, gemeente Maashorst, verschillende soorten verdovende middelen en een hoeveelheid ketamine zijn aangetroffen en dat verdachte op dat moment in die woning (met een ander) aanwezig was.

De rechtbank ziet zich voor de (juridische) vragen gesteld of verdachte (al dan niet als medepleger) de in de woning aangetroffen verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet en de eveneens in de woning aangetroffen ketamine zonder registratie in voorraad heeft gehad als bedoeld in artikel 38 van de Geneesmiddelenwet.

Juridisch kader.

Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Dit aanwezig hebben geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op het aanwezig hebben.

Dit juridische kader is ook toepasbaar op het in voorraad hebben van ketamine, zoals aan verdachte onder 2 ten laste is gelegd.

Beoordeling.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Op 16 januari 2025 heeft de politie bij de doorzoeking in de woning aan de [adres 1] in een kluis hoeveelheden ketamine, MDMA en cocaïne aangetroffen, verdeeld over het bovenste en onderste compartiment van de kluis.

In de kluis lag onder meer een gripzak met daarin ketamine. Op het gedraaide deel van die gripzak is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren aangetroffen. Daaruit is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. Dit komt overeen met het DNA-profiel van verdachte. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijk wanneer verdachte de donor is, dan wanneer dat niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat verdachte donor is van een relatief groot deel van het DNA-materiaal op de gripzak. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is uit de bewijsmiddelen te herleiden dat dit DNA-materiaal van de verdachte aanwezig was op de gripzak met ketamine uit het bovenste deel van de kluis.

In een keukenkastje onder de gootsteen is een hoeveelheid metamfetamine aangetroffen. In een bigshopper tussen de bank en de keuken zaten pillen (2C-B).

Op de bank in de woning werd een gripzakje met ketamine aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat dit zakje van hem was en hij die ketamine heeft gekocht.

In de woning waren verdachte en een medeverdachte aanwezig. Verdachte heeft verklaard dat hij op 16 januari 2025 ongeveer vier dagen in de woning verbleef. Op het moment dat de politie de woning betrad, was verdachte aan het koken in de keuken.

Aan de binnenkant van de voordeur zat een sleutelbos in het slot. Met één van de sleutels aan die sleutelbos kon het bovenste compartiment van de kluis worden geopend.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling dat verdachte deze sleutel eerst van de medeverdachte moest pakken of krijgen om in de kluis te kunnen komen. Verdachte kon deze sleutelbos eenvoudig uit het slot pakken en met een van de sleutels de kluis openen. Hij had dus, anders dan de verdediging heeft gesteld, toegang tot het bovenste compartiment van de kluis en kon over de verdovende middelen en ketamine die daarin lagen beschikken.

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat hoe dan ook een deel van de aangetroffen hoeveelheid ketamine – de ketamine die in de gripzak met daarop DNA van verdachte die in het bovenste compartiment van de kluis is aangetroffen – zich in de machtssfeer van verdachte bevond en hij hiervan wetenschap had.

Het verweer dat het DNA van verdachte op de gripzak met ketamine zou kunnen zijn gekomen door andere oorzaken dan dat verdachte zelf die zak heeft aangeraakt of dat verdachte de zak mogelijk heeft aangeraakt toen deze (nog) geen ketamine bevatte, is onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt. De rechtbank merkt op dat de raadsman deze oorzaken heeft opgeworpen, terwijl verdachte hierover niet heeft verklaard. Verdachte immers heeft verklaard dat hij niet weet hoe zijn DNA op die zak komt en dat ‘DNA overal kan rondvliegen’. Dat is geen aannemelijke verklaring. De rechtbank verwerpt dat verweer dan ook.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt het gegeven dat verdachte de aangetroffen ketamine in het bovenste compartiment van de kluis en het gripzakje op de bank in zijn machtssfeer had er mede toe dat ook de hoeveelheid ketamine die in het onderste compartiment van de kluis werd aangetroffen, zich in de machtssfeer van verdachte bevond en hij zich daarvan – op zijn minst in voorwaardelijke zin – bewust moet zijn geweest. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte slechts beschikkingsmacht over en wetenschap van de inhoud van een gedeelte van de kluis zou hebben gehad.

Bezien vanuit deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor de verdovende middelen in die kluis. Verdachte heeft op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het aanwezig hebben van de cocaïne en de MDMA die respectievelijk in het bovenste en onderste compartiment van de kluis zijn aangetroffen.

Hetzelfde geldt voor de in het keukenkastje aangetroffen metamfetamine en de in een bigshopper aangetroffen 2C-B-pillen. Verdachte kon hierover beschikken. Dat is door de verdediging niet betwist.

Verdachte was bij aankomst van de politie in de keuken aan het koken. Hij maakte dus gebruik van de keuken, waarin de metamfetamine aanwezig was. Verder merkt de rechtbank op dat de bigshopper met pillen direct naast de keuken in het zicht stond.

Onder die omstandigheden en in het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarmee ook op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van metamfetamine en 2C-B pillen.

De rechtbank is ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (telkens) van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen verdachte en medeverdachten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die was gericht op het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine.

Verdachte kon tezamen met anderen beschikken over de verdovende middelen en de ketamine. Verdachte werd op 16 januari 2025 met een medeverdachte aangetroffen in de woning van een andere medeverdachte, terwijl beiden de beschikking hadden over de sleutel(s) van de woning van die medeverdachte en de daarin aanwezige kluis. In dat licht is de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (telkens) van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen.

Conclusie.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 16 januari 2025, te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen, verschillende verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad en zonder registratie ketamine in voorraad heeft gehad, zoals hierna bewezen verklaard.

De zaak met parketnummer 01.072942.24.

Inleidende overweging.

Niet ter discussie staat dat op 13 september 2023 te Veghel bij een controle door de politie een aantal geldbedragen werd aangetroffen in een door verdachte bestuurde auto. In de kleding van verdachte werd een geldbedrag van 5.695,00 euro aangetroffen.

De rechtbank ziet zich voor de (juridische) vragen gesteld of verdachte die geldbedragen heeft witgewassen.

Juridisch kader.

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

De rechtbank stelt voorop dat in onderhavig onderzoek geen concreet brondelict naar voren is gekomen, waarvan er een verdenking rust op verdachte. Aangezien geen sprake is van een concreet brondelict zal bij de beoordeling of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, gebruik gemaakt worden van het in de jurisprudentie ontwikkelde stappenplan.

In de eerste plaats dient sprake te zijn van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap I). Van de verdachte mag in dat geval worden verlangd dat hij een verklaring geeft, waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn (stap II). Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn (stap III). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (stap IV). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet ten slotte worden beoordeeld of ondanks de verklaringen van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap V).

Beoordeling.

De rechtbank stelt het volgende vast.

In de nacht van 13 september 2023 werd verdachte, als bestuurder van een auto, staande gehouden te Veghel en gecontroleerd op grond van de Wegenverkeerswet. Verdachte zat met een medeverdachte in de auto.

Op de bijrijdersstoel troffen de verbalisanten een stapel dubbelgevouwen briefjes van tien euro op de stoelzitting aan, nadat de bijrijder uit de auto stapte.

Het voertuig werd inbeslaggenomen en werd op het politiebureau doorzocht. In het voertuig werd aan de bestuurderszijde achter een kap links voorin een bedrag van 6650,00 euro aangetroffen. In het dashboardkastje werd een bedrag van 1100,00 euro aangetroffen.

Tijdens een veiligheidsfouillering van verdachte werd een geldbedrag van 5695,00 euro aangetroffen in de onderbroek van verdachte.

De auto waarin verdachte reed bleek op naam te staan van een ander dan verdachte.

De eigenaar van het voertuig verklaarde dat hij het voertuig uitgeleend had aan verdachte

en dat de spullen en geldbedragen, die in zijn voertuig zijn aangetroffen, niet van hem zijn.

Verdachte heeft verklaard dat alleen het aangetroffen geld in zijn kleding aan hem toebehoort.

De rechtbank overweegt allereerst dat sprake is van een vermoeden van witwassen, nu er relatief grote bedragen contant geld op ongebruikelijke plekken is aangetroffen. Verdachte had een geldbedrag in zijn onderbroek en de ander geldbedragen waren verstopt in de auto.

Het aangetroffen verstopte geld in de auto was niet zodanig (evident) zichtbaar voor verdachte als bestuurder dat hij van de aanwezigheid daarvan - ondanks ontkenning - geweten moet hebben. Verdachte heeft verklaard dat het geld niet van hem was (in tegenstelling tot geld in zijn onderbroek) en verdachte was niet de eigenaar van het voertuig; hij had de auto geleend. Onder deze omstandigheden kan van verdachte geen verklaring over de herkomst van deze geldbedragen worden gevraagd. Dat betekent dat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Dat is anders ten aanzien van het in de onderbroek van verdachte aangetroffen geldbedrag van 5695,00 euro.

Van verdachte mag dus ten aanzien van dit bedrag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van dit bedrag.

Verdachte geeft hiervoor als verklaring, dat hij het geld heeft verdiend met zwart werk bij een stratenmakersbedrijf van een zekere ‘ [naam] ’. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende een half jaar in het weekend veel heeft gewerkt en dat hij daarmee ongeveer 5400,00 euro heeft verdiend.

Deze verklaring van verdachte is niet verifieerbaar. Verdachte wil namelijk niet de naam van het bedrijf noemen. Ook tijdens de zitting is hier expliciet naar gevraagd, maar verdachte wil daarover niets zeggen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij heeft genoteerd wanneer en wat hij precies heeft verdiend. Die notities zijn door verdachte echter niet overgelegd. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij die notities niet meer heeft. Hij heeft er naar zijn zeggen niet aan gedacht om deze te bewaren.

Daarmee is het niet mogelijk om nader onderzoek te verrichten om de verklaring van verdachte te verifiëren.

De rechtbank merkt nog op dat de verklaring van verdachte ook verder vragen oproept.

Verdachte stelt immers bij zijn aanhouding dat hij die avond een sportschool had bezocht. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij het geld toen bewaard had in een sporttas, maar hij kon zich niet herinneren waar hij die tas (tijdens het sporten) heeft achtergelaten. Waarom het voor verdachte nodig was om het geld vervolgens, na het sporten, in zijn onderbroek te stoppen, is niet duidelijk geworden.

Het is naar het oordeel van de rechtbank verder onwaarschijnlijk dat verdachte al het contante geld dat hij naar eigen zeggen in een half jaar heeft verdiend met zich mee draagt (in zijn onderbroek). Ook dat roept vragen op.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte niet een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag van 5695,00, die voldoende tegenwicht biedt aan het vermoeden van witwassen. Dat betekent dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte op 13 september 2023 te Veghel een geldbedrag van 5695,00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geld afkomstig was uit enig misdrijf. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.

De bewezenverklaring.

en
zijnde metamfetamine, MDMA, cocaïne en 2C-B telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

in de zaak met parketnummer 01.017336.25:

feit 1:

op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 940 gram (AARS1552NL) van een materiaal bevattende metamfetamine,

- 621,19 gram (= 452,85 gram (AARS1549NL) + 168,34 gram (AARS1573NL)) van een materiaal bevattende MDMA,

- 1604,53 gram (= 174,53 gram (AARS1512NL) + 1430 gram (AAQW5507NL)), van een materiaal bevattende cocaïne

- 665 gram (AARS1506NL) van een materiaal bevattende 2C-B,

feit 2:

op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk, zonder registratie 2821 gram ketamine HCI (= 646 gram (AARS1554NL) + 695 gram (AARS1509NL) + 495 gram (AARS1507NL - AARS1515NL - AARS1514NL) + 985 gram (AARS1550NL)) in voorraad heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 01.072942.24:

op 13 september 2023, te Veghel, gemeente Meierijstad een voorwerp, te weten een geldbedrag van 5.695,00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het adviesrapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 4 maart 2026 betreffende verdachte.

Ook vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van een geldbedrag van 13.445,00 euro en de teruggave aan verdachte van een geldbedrag van 330,00 euro.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt aan verdachte geen onvoorwaardelijke detentie op te leggen die de duur van reeds ondergane inverzekeringstelling overtreft.

Wat betreft de te stellen bijzondere voorwaarden stelt de verdediging dat verdachte zich daaraan wil conformeren. Indien enkel ambulante begeleiding als bijzondere voorwaarde wordt gesteld, ziet de verdediging geen meerwaarde in de daarnaast geadviseerde meldplicht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft samen met anderen grote hoeveelheden drugs en zonder registratie een aanzienlijke hoeveelheid ketamine aanwezig gehad. Verdachte heeft daarnaast een aanzienlijk geldbedrag, dat van misdrijf afkomstig was, voorhanden gehad.

Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen schade kan toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien gaat de handel in dergelijke middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor schade en overlast kan worden toegebracht aan anderen. Gelet op de hoeveelheid drugs die is aangetroffen, ruim 3800 gram, gaat de rechtbank ervan uit dat dit bedoeld was om te verhandelen.

De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Artikel 38 lid 1 van de Geneesmiddelenwet beoogt met name de volksgezondheid te beschermen en mede tegen die achtergrond de productieketen van geneesmiddelen te versterken door de productie, de handel of het bezit van geneesmiddelen en werkzame stoffen te reguleren. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het reguliere circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als - eenvoudig gezegd - een partydrug.

Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid (ruim 2800 gram) kan het niet anders dan dat deze ketamine bestemd was om verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid. De werking van ketamine is vergelijkbaar met die van harddrugs en de illegale productie van en handel in deze stof ondermijnen de samenleving en brengen risico’s voor de gezondheid en veiligheid met zich. Verdachte heeft een bijdrage geleverd aan dit illegale circuit, waarbij bovendien andere vormen van (zware) criminaliteit zeer wel denkbaar zijn.

Verdachte heeft er geen blijk van gegeven zich om deze gevolgen te hebben bekommerd.

Daarnaast heeft verdachte een bedrag van 5695,00 euro witgewassen. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan en ondermijnt de legale economie. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd.

De persoon van verdachte.

Kijkend naar de persoon van verdachte constateert de rechtbank dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld.

Uit het over verdachte door de reclassering op 4 maart 2026 uitgebrachte adviesrapport blijkt onder meer – kort en zakelijk weergegeven – het volgende:

Verdachte heeft vanaf november 2025 ongeveer tien weken een traject gevolgd bij Point O in een afkickkliniek en is hier vroegtijdig mee gestopt. Ondanks dat verdachte op eigen initiatief gestopt is met het door hem lang gewenste traject bij Point O, ziet de reclassering een gemotiveerde houding bij verdachte. Sinds de opname in de kliniek is hem duidelijk geworden dat hij nooit meer drugs kan gebruiken.

Sinds 23 januari 2026 verblijft verdachte opnieuw bij het Verdihuis (nachtopvang).

Volgens de begeleiding van het Verdihuis lijkt verdachte een duidelijke omslag te hebben gemaakt en verder te willen in zijn leven. De begeleiding benoemt dat verveling het grootste risico is bij verdachte. Het vinden van werk heeft daarom prioriteit. Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij werk heeft gevonden en hiermee in de avond na de zitting zal starten.

Verdachte heeft aangegeven dat hij gebaat is bij (ambulante) begeleiding ook bij toekomstige huisvesting.

Op 19 februari 2026 is een indicatie afgegeven/toegewezen voor kleinschalige opvang. Verdachte zou van daaruit kunnen toewerken naar een eigen woning.

Hoewel verdachte sinds november 2025 clean is en er geen signalen van gebruik zijn, blijft naast verslaving ook het gebrek aan goede huisvesting een risicofactor. Ook de financiën van betrokkene en het gebrek aan inkomen is een risicoverhogende factor.

Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld.Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de WMO-indicatie stopgezet worden. Er is gekozen om begeleid wonen niet op te nemen als primaire voorwaarde, daar dit vanuit een forensisch kader voorliggend zal zijn aan een WMO-indicatie, waardoor de WMO-indicatie zal worden stopgezet. De reclassering vindt duurzaamheid van wonen van belang voor het slagen van het traject. De reclassering adviseert de volgende voorwaarden:• meldplicht bij reclassering;• gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;• ambulante begeleiding;• dagbesteding;• houden aan aanwijzingen.De op te leggen straf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Voor het aanwezig hebben van 3000 – 4000 gram harddrugs (het totale gewicht dat verdachte aanwezig heeft gehad is 3830,72 gram) is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden onvoorwaardelijk.

Ten aanzien van het in voorraad hebben van een hoeveelheid ketamine bestaan geen oriëntatiepunten. Echter, omdat dit middel gebruikt en verhandeld wordt als partydrug, dan wel genotsmiddel, heeft de rechtbank hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten ten aanzien van het bezit van harddrugs in plaats van die van economische delicten.

De rechtbank realiseert zich dat ketamine niet voorkomt op lijst I van de Opiumwet, maar constateert dat het eindgebruik niet verschilt van het aanwezig hebben van stoffen die op lijst I van de Opiumwet staan. Voor het aanwezig hebben van 2000 – 3000 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden onvoorwaardelijk.

Het oriëntatiepunt voor witwassen met een benadelingsbedrag tot 10.000 euro is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week tot 2 maanden.

Kort gezegd zou, gelet op deze oriëntatiepunten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal 21 maanden opgelegd kunnen worden.

In deze concrete zaak ziet de rechtbank, net als de officier van justitie heeft gevorderd, echter aanleiding een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank acht het namelijk noodzakelijk dat verdachte begeleiding krijgt om recidivegevaar in te perken. Daarom zal de rechtbank aan het voorwaardelijk deel de voorwaarden, zoals de reclassering heeft geadviseerd, verbinden.

Verder stelt de rechtbank vast dat sinds het moment waarop het in de zaak met parketnummer 01.072942.24 bewezenverklaarde witwassen heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken Deze omstandigheid leidt tot enige matiging van de op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte – te weten, twaalf maanden – voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen, zoals hiervoor benoemd, de na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 01.072942-24 inbeslaggenomen voorwerpen van 5.695,00 euro vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit geldbedrag aan verdachte toebehoort, verdachte dit geldbedrag geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en het geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit is verkregen.

De rechtbank zal, zoals gevorderd door de officier van justitie, de teruggave aan verdachte gelasten van het (in de zaak met parketnummer 01.017336.25) inbeslaggenomen geldbedrag van 330,00 euro nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.

De rechtbank zal de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende(n) van het inbeslaggenomen geldbedrag van 7.650,00 en van het inbeslaggenomen geldbedrag van 100,00 euro. Dit geld is weliswaar onder verdachte in beslag genomen, maar verdachte stelt dat dit geld niet van hem was. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen wie als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 63, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

38 van de Geneesmiddelenwet

1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten

2, 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01.017336.25 onder feit 1 en feit 2 en het in de zaak met parketnummer 01.072942.24 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

in de zaak met parketnummer 01.017336.25:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;

in de zaak met parketnummer 01.072942.24:

witwassen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en bijkomende straf:

t.a.v. 01-017336-25 feit 1, feit 2, 01-072942-24:

- een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Algemene voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht om het reclasseringstoezicht uit te oefenen.

De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils op het adres [adres 2] (telefoonnummer [telefoonnummer] );

2. binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

3. zich gedurende de proeftijd ambulant laat begeleiden door het Verdihuis of een soortgelijke instantie, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig vindt.

De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding;

4. zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding in de vorm van betaald werk, met een vaste structuur;

5. zich gedurende de proeftijd houdt aan de officiële aanwijzingen die door de reclassering worden gegeven. Ook als dat inhoudt meewerken aan:

- begeleid/beschermd wonen;

- middelencontrole.

Geeft opdracht aan Reclassering Leger des Heils Oost-Brabant, [adres 2] , om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 5 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs

ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het

zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

t.a.v. 01-072942-24:

- verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van 5.695,00 euro.

Verdere beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen.

T.a.v. 01-072942-24:

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van 7.650,00 euro ten behoeve van de rechthebbende(n).

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van 100,00 euro ten behoeve van de rechthebbende(n).

T.a.v. 01-017336-25:

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag van 330,00 euro.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,

mr. N. Flikkenschild en mr. P.T. Heblij, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 02 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.A.E.M. Rampaart
  • mr. N. Flikkenschild
  • mr. P.T. Heblij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?