[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Land van Cuijk, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of aan eiser terecht aanslagen in de afvalstoffenheffing en het gebruikersdeel van de rioolheffing zijn opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft op 25 februari 2025 aan eiser aanslagen in de afvalstoffenheffing en het gebruikersdeel van de rioolheffing opgelegd voor het tijdvak 2025.
Met de uitspraak op bezwaar van 11 juni 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de aanslagen gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft eiser een compromisvoorstel gedaan.
Eiser heeft op het compromisvoorstel gereageerd.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de aanslagen in de afvalstoffenheffing en het gebruikersdeel van de rioolheffing voor het tijdvak 2025 ten onrechte aan hem zijn opgelegd. De heffingsambtenaar heeft dat in zijn verweerschrift erkend. De rechtbank zal daarom het beroep van eiser gegrond verklaren en de bestreden uitspraak vernietigen. Zij zal vervolgens zelf in de zaak voorzien door de genoemde aanslagen te vernietigen en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats komt van de vernietigde bestreden uitspraak.
3. In zijn compromisvoorstel heeft de heffingsambtenaar aangekondigd dat hij in het belastingjaar 2026 voornemens is om de (mantelzorg)woning van eiser als apart object in de zin van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) af te bakenen en de bijbehorende aanslagen in de lokale heffingen – waaronder de afvalstoffenheffing en het gebruikersdeel van de rioolheffing – op te leggen. Eiser is het hiermee niet eens en verzoekt de rechtbank “te oordelen dat ook vanaf belastingjaar 2026 geen afzonderlijke WOZ-beschikking of belastingheffing mag worden opgelegd op deze mantelzorgwoning, zolang de situatie voldoet aan de criteria voor tijdelijke mantelzorg.”
De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat dit verzoek van eiser in deze procedure niet aan de orde kan komen, omdat slechts sprake is van een mededeling van de heffingsambtenaar. Dit is geen voor bezwaar (en beroep) vatbare beschikking en verder ziet de mededeling op een ander belastingjaar (namelijk 2026) dan in deze procedure aan de orde is (te weten: 2025).
De rechtbank overweegt als volgt. In deze beroepsprocedure kan alleen aan de orde komen of eiser terecht is aangeslagen in de afvalstoffenheffing en het gebruikersdeel van de rioolheffing voor het tijdvak 2025. De reden daarvoor is dat de aanslag van 25 februari 2025 alleen daarover gaat. Andere onderwerpen kunnen in het kader van deze beroepsprocedure daarom niet aan de orde komen. De rechtbank kan dan ook niet ingaan op het door eiser gedane verzoek (zoals hiervoor onder punt 3 is weergegeven). Daar komt nog bij – zoals de heffingsambtenaar terecht opmerkt – dat ten aanzien van het tijdvak c.q. belastingjaar 2026 door de heffingsambtenaar nog helemaal geen aanslag is opgelegd met betrekking tot de lokale heffingen. Pas als dat is gedaan kan eiser daartegen – nadat eerst de bezwaarprocedure bij de heffingsambtenaar is doorlopen – beroep instellen bij de rechtbank en zo een oordeel vragen over de rechtmatigheid daarvan.
4. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.