RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.024945.25Parketnummer vordering: 200011820
Datum uitspraak: 07 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1999] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 februari 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 maart 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 22 januari 2025 te Eindhoven, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken enkel en/of een verbrijzelde knieschijf en/of een botbreuk in het scheenbeen ter hoogte van het gewrichtsoppervlak knie) heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, met een door hem bestuurd voertuig (personenauto) tegen het lichaam van die [slachtoffer] gereden en/of doorgereden terwijl die [slachtoffer] op de motorkap van de auto lag;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 januari 2025 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig (personenauto), tegen het lichaam van die [slachtoffer] is gereden/gebotst en/of is blijven rijden en/of niet heeft geremd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)feit 2:hij op of omstreeks 22 januari 2025 te Eindhoven,[slachtoffer] en/of andere (nog onbekend gebleven) personen, heeft bedreigdmet enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door met een door verdachte bestuurd voertuig (personenauto),in de richting van die [slachtoffer] en/of [betrokkene] en/of andere (nog onbekend gebleven)personen te rijden;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht).
De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De zaak met parketnummer 20.00118.20 is aangebracht bij vordering van 13 februari 2026. Deze vordering heeft betrekking op het arrest van de gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 november 2022. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsmiddelen en beoordeling daarvan.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, omdat het letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Hoewel verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde gedragingen bekent, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet gekwalificeerd kan worden als een zware mishandeling, waardoor verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak t.a.v. feit 1, primair.
Met de verdediging en officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat het letsel van het slachtoffer gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Hier is weliswaar sprake van een fractuur, maar uit het dossier volgt niet wat de aard van het letsel is, of medisch ingrijpen nodig is geweest en in welke mate er sprake is van uitzicht op herstel. Deze informatie is wel nodig om te kunnen beoordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel (zie HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66). De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring t.a.v. feit 1 subsidiair en feit 2.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de hierna genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten.
De bewijsmiddelen.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen. Verdachte heeft de feiten immers bekend en zijn raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit.
De opgave van de bewijsmiddelen is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
T.a.v. feit 1, subsidiair:
op 22 januari 2025 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig (personenauto), tegen het lichaam van die [slachtoffer] is gereden/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
T.a.v. feit 2: op 22 januari 2025 te Eindhoven, personen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een door verdachte bestuurd voertuig (personenauto), in de richting van [betrokkene] en andere (nog onbekend gebleven) personen te rijden.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Daarnaast dient aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid te worden opgelegd voor de duur van 24 maanden. Voorts heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het reeds ondergane voorarrest van 15 dagen niet overstijgt en om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen af te wijzen. Oplegging van een gevangenisstraf zou grote consequenties met zich brengen waardoor verdachte weer terug bij af is, terwijl verdachte zijn leven juist goed op de rit heeft. Dit blijkt ook uit de inhoud van het reclasseringsadvies van 5 maart 2026. Hoewel verdachte eerder is veroordeeld wegens een soortgelijk feit en daarvoor nog in een proeftijd liep, dateert dat feit uit 2019, waardoor hiermee geen rekening gehouden moet worden bij de bepaling van de straf. In overweging is gegeven aan verdachte een forse taakstraf op te leggen, zo nodig aangevuld met een voorwaardelijke straf. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met zijn auto in te rijden op een persoon met wie hij ruzie had. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer [slachtoffer] pijn en letsel opgelopen, waaronder een gebroken been. Verdachte is na het inrijden op het slachtoffer nog een aantal keer heen en weer gereden, waarbij hij op andere personen is af- en ingereden met de expliciete bedoeling hen vrees aan te jagen. Daarmee heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan bedreiging. In dit verband weegt de rechtbank het navolgende mee. Het gewelddadige karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om geweld tegen anderen te gebruiken. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer [slachtoffer] en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte zich bij zijn strafbaar handelen niet heeft bekommerd om de gevolgen. Het had ook heel anders kunnen aflopen met slachtoffer [slachtoffer] aangezien de gevolgen van het met een auto inrijden op een persoon vele malen ernstiger hadden kunnen zijn. Maar ook hadden de gevolgen voor de omstanders op wie verdachte is ingereden om hen vrees aan te jagen vele malen erger kunnen zijn. Dergelijke gedragingen dragen bij aan gevoelens van onveiligheid onder weggebruikers en omstanders in het algemeen. Dat hiervan sprake was, blijkt ook uit de inhoud van het dossier. Er waren veel getuigen bij het incident aanwezig en uit de getuigenverklaringen blijkt dat de gedragingen veel indruk hebben gemaakt op hen. De rechtbank neemt verdachte dit alles kwalijk.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in paniek was en zich bedreigd voelde, omdat hij kort voor het incident fysiek werd aangevallen door het slachtoffer. De rechtbank overweegt, voor zover hiervan al sprake was, dat het toepassen van geweld niet de manier is om conflicten op te lossen en dat dit geen excuus is om dergelijke ernstige strafbare feiten te plegen. Verdachte had anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd in een lopende proeftijd. Hoewel verdachte dus een gewaarschuwd mens was, hebben noch de eerdere veroordeling, noch het feit dat hem een voorwaardelijke straf boven het hoofd hing hem ervan weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. De rechtbank rekent verdachte dit aan. Dat de pleegdatum van de feiten van de eerdere veroordeling dateert van 2019, doet hier niet aan af.
De rechtbank heeft echter ook acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies van 5 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte zich aan de voorwaarden heeft gehouden die de rechtbank op 5 februari 2025 aan de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verbonden. Hij heeft zijn medewerking verleend aan zowel het reclasseringstoezicht als aan de agressietraining die hij positief heeft afgerond. Hoewel verdachte de inzet van de reclassering niet nodig achtte, heeft hij er achteraf gezien wel van geleerd. De rechtbank vindt dat positief. Voorts blijkt uit het advies dat het momenteel goed gaat met verdachte, dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag en dat de praktische leefgebieden op orde zijn. De reclassering ziet geen noodzaak voor het opnieuw indiceren van reclasseringsinterventies.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte de door hem gepleegde strafbare feiten in een vroeg stadium van het onderzoek heeft toegegeven en zijn medewerking aan het onderzoek verleend. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en heeft berouw getoond.
Bovendien is verdachte zelf getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten in die zin dat verdachte zijn baan is verloren, de opstart van zijn eigen bedrijf geen doorgang meer kon vinden, hij niet aan de opleiding mocht deelnemen waarvoor hij zich had ingeschreven en hij zelf geen auto meer mocht rijden omdat hij geen verzekering meer kreeg voor een auto.
De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit
De rechtbank heeft gelet op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden de aangewezen strafmodaliteit en duur is ten aanzien van zware mishandeling met een wapen, feit 1 subsidiair houdt een poging hiervan in, en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden ten aanzien van feit 2. Volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het reeds ondergane voorarrest van 15 dagen niet overstijgt en oplegging van een taakstraf, zoals betoogd door de verdediging, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde alsmede de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Een dergelijke straf is te gering en geeft bovendien geen blijk van een juiste normhandhaving.
De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en anderzijds - in ruime mate - rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de officier van justitie volgen in de door haar gevorderde straf.
Conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Met het voorwaardelijke strafdeel wil de rechtbank enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds beoogt zij daarmee invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte gericht op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarnaast acht de rechtbank passend en geboden een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van 24 maanden.
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20.00118.20.
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 45, 57, 285, 302 Wetboek van Strafrecht
179a Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Verklaart de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling
T.a.v. feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 2 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 november 2022, gewezen onder parketnummer 20.001108.20, te weten: een gevangenisstraf van 30 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. Kooijman, voorzitter,
mr. A. Bernsen en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,
en is uitgesproken op 7 april 2026.