ECLI:NL:RBOBR:2026:228

ECLI:NL:RBOBR:2026:228, Rechtbank Oost-Brabant, 19-01-2026, 01.320128.24

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 01.320128.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor zware mishandeling door met een fietspomp en/of glazen wijnfles op/tegen het hoofd en/of gezicht van het slachtoffer te slaan met als gevolg zwaar lichamelijk letsel. Het zwaar lichamelijk letsel bestaat uit een complexe schedelfractuur. Medisch ingrijpen was noodzakelijk met als gevolg een groot en blijvend litteken over de gehele breedte van het hoofd van het slachtoffer. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Toekenning van immateriële schadevergoeding ter hoogte van 12.000,-- euro.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.320128.24

Datum uitspraak: 19 januari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 december 2025 en 5 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

t.a.v. primair:

hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Langendoom aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, (te weten een fractuur in het voorhoofd en/of een schedelbasisfractuur en/of een blijvend litteken op het voorhoofd en/of een fractuur in de voorwand van de neusbijholte), heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een fietspomp en/of een (glazen) wijnfles op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan;

t.a.v. subsidiair:

hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Langendoom ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een fietspomp en/of een (glazen) wijnfles op/tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 5 oktober 2024 krijgt de politie een melding binnen om met spoed naar de Esdoornlaan te Langenboom te gaan, alwaar een mishandeling zou hebben plaatsgevonden. De melder en tevens aangever, [slachtoffer] (hierna te noemen: de aangever), zou met een wijnfles en een fietspomp op/tegen het hoofd zijn geslagen. Op 8 oktober 2024 doet de aangever hiervan aangifte tegen verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

Met betrekking tot het primair tenlastegelegde feit refereert de verdediging zich voor wat betreft het toebrengen door verdachte van het ten laste gelegde letsel aan aangever met de wijnfles en/of de fietspomp aan het oordeel van de rechtbank. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat het toegebrachte letsel op basis van de beschikbare informatie niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsbijlage

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is bijgevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Vaststelling feiten

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat tussen verdachte en aangever een ruzie is ontstaan waarbij verdachte de aangever (meermalen) met een fietspomp en/of een glazen wijnfles op/tegen het hoofd en/of gezicht heeft geslagen. Aangever heeft als gevolg daarvan hoofdletsel opgelopen.

Overweging ten aanzien van de kwalificatie.

Voor het antwoord op de vraag of het lichamelijk letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen ook als zwaar is aan te merken, is van belang dat uit vaste rechtspraak volgt dat lichamelijk letsel als zwaar kan worden beschouwd als dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of het gaat om zwaar lichamelijk letsel, kunnen in ieder geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van gezichtspunten worden gebaseerd.

Uit de beschikbare medische informatie volgt dat het slachtoffer door de mishandeling een schedelfractuur heeft opgelopen, te weten een complexe botbreuk van de voorhoofdsholte waarbij het bot van die voorhoofdholte is verbrijzeld en in meerdere stukken is gebroken.. Om de breuk in het voorhoofd te kunnen herstellen heeft een vier uur durende operatie plaatsgevonden. De geschatte duur van genezing was ongeveer 6 tot 8 weken. Ook heeft het slachtoffer aan de chirurgische ingreep een groot en blijvend litteken over de gehele breedte van zijn hoofd overgehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de totaliteit van de verwondingen, de complexe schedelfractuur, de medische ingreep die voor herstel van de breuk in het voorhoofd nodig was en het blijvende, grote litteken op het hoofd van het slachtoffer dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 5 oktober 2024 te Langenboom aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur in het voorhoofd en een blijvend litteken op het hoofd, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met een fietspomp en/of een glazen wijnfles op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank een gevangenisstraf van een 6 maanden waarvan een deel voorwaardelijk op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van het slachtoffer door hem (meermalen) met een wijnfles en/of een fietspomp op/tegen het hoofd/gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft hierdoor onder andere een complexe botbreuk in het voorhoofd opgelopen. Voor het zetten van deze breuk was een vier uur durende operatie nodig. Het slachtoffer heeft voor de rest van zijn leven een groot en ontsierend litteken op de bovenkant van zijn hoofd.

Het geweld moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt.

Het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen een ander te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog lang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Justitiële Documentatie betreffende verdachte waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De op te leggen straf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten voor de duur van 5 maanden, voorwaardelijk opleggen. De gebrekkige agressieregulatie van verdachte baart de rechtbank zorgen. Het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf zal verdachte er hopelijk van weerhouden opnieuw een (dergelijk) strafbaar feit te plegen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 16.000,00 euro aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Primair verzoekt de verdediging de rechtbank de vordering af te wijzen bij gebrek aan onderbouwende informatie. Subsidiair verzoekt zij het toe te wijzen bedrag te matigen tot 3.000,00 euro.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een gedeelte van de gevorderde immateriële schade, te weten een bedrag van 12.000,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel, te weten een breuk in het voorhoofd opgelopen en heeft daarnaast een blijvend en ontsierend litteken over de gehele breedte van zijn hoofd overgehouden aan het noodzakelijk medisch ingrijpen (hersteloperatie). De rechtbank zoekt bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen vergoeding onder meer aansluiting bij de categorisering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat schadevergoeding ter hoogte van 12.000,00 euro in onderhavige kwestie passend is.

Ten aanzien van de overige gestelde klachten, waaronder de zenuwtrekken, PTSS, kortademigheid en migraine, moet de rechtbank concluderen dat daarvoor geen nadere onderbouwing is gegeven. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige gedeelte, te weten voor een bedrag van 4.000,00 euro, van de vordering.

De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. primair:

zware mishandeling

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. primair:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

T.a.v. primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer], van een bedrag van 12.000,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 85 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, C.H. Ezeanyanoso, van een bedrag van 12.000,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 19 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. E.M.J. Raeijmaekers
  • mr. A.M.R. van Ginneken

Griffier

  • mr. F.H.R.M. Robbers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?