ECLI:NL:RBOBR:2026:2293

ECLI:NL:RBOBR:2026:2293

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 01.382738.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting. Aangeefster is in haar eigen huis – de plek waar zij zich vertrouwd en veilig hoort te voelen – verkracht door de vriend van haar beste vriendin, terwijl ze lag te slapen. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 24 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.382738.24]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.382738.24

Datum uitspraak: 14 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 februari 2026.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 31 maart 2026 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 30 mei 2023 te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn penis in haar vagina en/of - het vastpakken van haar borst en/of - het proberen haar te zoenen,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte: - (terwijl die [slachtoffer] sliep) van achter in haar bed is gekropen en/of - vervolgens (terwijl die [slachtoffer] sliep) haar heeft vastgepakt en/of onverhoeds zijn penis in haar vagina heeft geduwd/gebracht;

t.a.v. feit 1 subsidiair: hij op of omstreeks 30 mei 2023 te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

immers is verdachte - van achter in het bed van die [slachtoffer] gekropen en/of heeft verdachte (vervolgens) - die [slachtoffer] vastgepakt en/of - zijn hand onder haar shirt gedaan en/of haar borst gepakt en/of - zijn penis in haar vagina geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of bewogen en/of - haar geprobeerd te zoenen;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Aard van de zaak.

Op de avond van 29 mei 2023 vierden verdachte en mevrouw [slachtoffer] (hierna: aangeefster) de verjaardag van de vriendin van verdachte bij die vriendin thuis. Daar besloten zij uit te gaan in Den Bosch. Verdachte en zijn vriendin zouden bij aangeefster blijven slapen in haar woning in Den Bosch. Aangeefster zou in haar eigen bed slapen en verdachte en zijn vriendin zouden op twee tegen elkaar geschoven banken slapen. Deze banken stonden in een open ruimte die grenst aan de slaapkamer van aangeefster. Rond 05:00 uur is verdachte bij aangeefster in bed gekropen, waarna er seksuele handelingen mede bestaande uit het binnendringen met zijn penis in de vagina van aangeefster hebben plaatsgevonden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde, de verkrachting van aangeefster, wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van aangeefster zijn consistent en gedetailleerd, niet alleen ten aanzien van het ten laste gelegde feit, maar ook over de omstandigheden daaromheen. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door getuige [getuige] (haar huisgenoot) en door verbalisanten die omschrijven dat aangeefster bibberend voor hen zat. Daarmee is er voldoende steunbewijs. Er was sprake van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud), nu verdachte aangeefster door onverhoeds handelen in een zodanige situatie heeft gebracht dat zij zich daar redelijkerwijs niet meer aan kon onttrekken. Dit heeft verdachte gedaan door met zijn geslachtsdeel de vagina van aangeefster binnen te dringen terwijl zij sliep en waardoor zij als het ware overvallen werd toen ze eenmaal wakker werd en bevroor.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake was van seks met wederzijdse instemming en is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, vanwege een gebrek aan (voldoende) steunbewijs. Getuige [getuige] heeft niet verklaard over wat aangeefster deed toen ze wakker werd. Ze heeft ook niet zelf waargenomen dat aangeefster sliep toen de seksuele handelingen aanvingen. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat er sprake was van bewusteloosheid of verminderd bewustzijn. Verdachte zou daarom moeten worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen zijn in de bijlage aan dit vonnis gehecht.

Juridisch kader

Voorop gesteld wordt dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In het geval dat de vermeende dader ontkent, moet de rechtbank allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van het vermeende slachtoffer. Voor een bewezenverklaring moet er sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Wel moet er een voldoende duidelijk verband zijn tussen de verklaring van de aangever en het steunbewijs. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een getuige die een verklaring heeft afgelegd over de emotionele toestand die hij of zij heeft waargenomen bij een aangeefster kort na het feit, de zogenoemde disclosure-getuige. Ook andere waarnemingen van getuigen die weliswaar niet de verweten seksuele handelingen bevestigen, maar wel binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn, kunnen een rol van betekenis spelen en als steunbewijs dienen. In dit kader mag echter geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de voornoemde verklaring (aangifte) en het overige bewijsmateriaal.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verklaring van aangeefster geloofwaardig en betrouwbaar is. Aangeefster heeft verklaard dat zij sliep en dat zij, toen zij wakker werd, merkte dat verdachte met zijn geslachtsdeel in haar vagina zat en zijn hand op haar borst had. Zij heeft verklaard dat zij, toen zij ontwaakte en werd geconfronteerd met de seksuele handelingen, bevroor en het liet gebeuren totdat verdachte klaarkwam. De rechtbank stelt vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over zowel de omstandigheden rondom de seksuele handelingen als over de seksuele handelingen zelf. Dit geldt zowel voor wat aangeefster direct de volgende ochtend heeft verklaard toen de politie ter plaatse kwam, als wat zij heeft verklaard bij het informatieve gesprek later die dag, als hetgeen zij heeft verklaard in haar aangifte en later als getuige tegenover de rechter-commissaris. Verschillende onderdelen van haar verklaring vinden bovendien bevestiging in bijvoorbeeld berichten die zij die nacht aan haar huisgenoot heeft gestuurd en ook in de verklaring van de verdachte zelf. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en zal haar verklaring daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

Steunbewijs

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Op 12 juni 2023 is getuige [getuige] gehoord door de politie. Zij is een huisgenoot van aangeefster en lag op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden te slapen in de woning. [getuige] heeft verklaard over de gemoedstoestand van aangeefster direct na de seksuele handelingen. Zij verklaarde onder meer dat aangeefster rond 05:00 uur naar haar slaapkamer kwam en dat zij overstuur was en huilde. Aangeefster vertelde haar dat er iets gebeurd was, dat ze niet alleen wilde slapen en dat verdachte in haar was gekomen terwijl ze sliep. Ook de verbalisanten die de volgende ochtend ter plaatse kwamen, hebben waargenomen dat aangeefster gedurende het gesprek dat toen plaatsvond erg emotioneel was en bibberend tegenover hen zat. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke emotionele toestand goed past bij hetgeen aangeefster zou zijn overkomen. De rechtbank is, gelet op deze waarnemingen van de gemoedstoestand van aangeefster, van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster.

Verkrachting

Om tot een bewezenverklaring van verkrachting in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht Sr (oud) te kunnen komen, moet vast komen te staan dat er sprake is geweest van dwang, in die zin dat verdachte door geweld of andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, die mede bestaan uit het seksueel binnendringen in het lichaam van aangeefster.

Dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen wordt door verdachte bekend. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het strafdossier geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte geweld heeft gebruikt of met geweld heeft gedreigd. Dan blijft de vraag over of sprake is geweest van dwang door (bedreiging met) een andere feitelijkheid. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat die andere feitelijkheid bestond uit onverhoeds handelen, terwijl aangeefster sliep en vervolgens ontwaakte. Deze feitelijkheid levert volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dwang in de zin van artikel 242 Sr (oud) op indien de verdachte (a) opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of aangeefster in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat zij zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten, of (b) indien de verdachte aangeefster heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat aangeefster zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Hiervoor moet worden gekeken naar de omstandigheden van het individuele geval.

Van een hierboven onder (b) bedoelde situatie kan sprake zijn, indien het plotseling onverhoeds verrichten van seksuele handelingen aangeefster in een situatie zou hebben gebracht waartegen zij geen weerstand kon bieden, waardoor zij tegen haar wil de seksuele handelingen van de verdachte moest dulden. ‘Onverhoeds’ dient te worden begrepen in de betekenis van ‘onverwachts’. Aangeefster heeft verklaard dat zij bevroor, toen zij wakker werd en merkte dat verdachte met zijn geslachtsdeel in haar vagina zat en dat verdachte kort na haar ontwaken in haar klaarkwam.. De reactie, het bevriezen na het ontwaken, is onder de gegeven omstandigheden geenszins onbegrijpelijk of onaannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende vast is komen te staan dat aangeefster door de plotselinge confrontatie met de seksuele handelingen (waaronder penetratie) en de daaropvolgende staat van bevriezing geen weerstand kon bieden, waardoor zij tegen haar wil in de seksuele handelingen van verdachte moest dulden. Daarmee is sprake geweest van dwang in de zin van een andere feitelijkheid zoals bedoeld in artikel 242 Sr (oud).

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit, verkrachting van aangeefster, wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

t.a.v. feit 1 primair:

op 30 mei 2023 te ‘s-Hertogenbosch, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen van zijn penis in haar vagina en - het vastpakken van haar borst en - het proberen haar te zoenen,

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat verdachte: - terwijl die [slachtoffer] sliep van achter in haar bed is gekropen en - vervolgens terwijl die [slachtoffer] sliep haar heeft vastgepakt en onverhoeds zijn penis in haar vagina heeft gebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting. Verkrachting is een zeer ernstig feit en verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangeefster. Dit geldt temeer gelet op de context waarin deze verkrachting heeft plaatsgevonden. Aangeefster is in haar eigen huis – de plek waar zij zich vertrouwd en veilig hoort te voelen – verkracht door de vriend van haar beste vriendin, terwijl ze lag te slapen. Verdachte en zijn vriendin logeerden bij aangeefster en sliepen in dezelfde ruimte. Verdachte is zonder voorbehoedsmiddel met zijn penis vaginaal bij aangeefster binnengedrongen en heeft enkel de bevrediging van zijn eigen seksuele lusten vooropgesteld. Hij heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn strafbare handelen voor aangeefster of deze gevolgen simpelweg op de koop toe genomen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Slachtoffers van een verkrachting kunnen immers nog lange tijd last hebben van de psychische gevolgen daarvan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat dat dit in deze zaak ook het geval is.

Persoon van verdachte

Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 12 februari 2026. Daaruit volgt dat er op de praktische leefgebieden nauwelijks problemen zijn; alleen op het gebied van dagbesteding is er nog geen stabiliteit. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij een reclasseringstoezicht en het inzetten van hulp op dit moment niet nodig vindt.

De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte en het reclasseringsadvies dan ook geen strafverzwarende of -verminderende omstandigheden.

In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat hij – vanwege zijn ontkennende proceshouding – geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daad. Sterker nog, hij schuift de schuld af op aangeefster. Ook lijkt verdachte de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed niet in te zien.

Op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Bij haar beslissing over de hoogte van hiervan, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Deze oriëntatiepunten gaan bij een verkrachting (artikel 242 Sr (oud)) waarbij sprake is van een beperkte mate van dwang, zoals in deze zaak, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank ziet ondanks het tijdsverloop geen aanleiding hiervan af te wijken.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.500,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gedeeltelijke toewijzing gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag moet worden gematigd, omdat er diversiteit zit in de aangehaalde uitspraken en een medische onderbouwing ontbreekt. Ten aanzien van de hoogte heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

Gezien de bepleite vrijspraak heeft de raadsman primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling.

Door de benadeelde partij wordt een immateriële schadevergoeding gevorderd. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek onder andere recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade indien zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit volgt dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan die naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending maken dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat er sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde ten gevolge van de verkrachting door verdachte. In de vordering wordt toegelicht dat de benadeelde sprake kampt met diverse klachten: herbelevingen, vermijdend gedrag, spannings- en stressklachten, huilbuien, schrikachtigheid, overgevoeligheid, minderwaardigheidsgevoelens, concentratieproblemen, slaapproblemen en vermoeidheid. Weliswaar is er nog geen diagnose gesteld, maar de rechtbank is van oordeel dat een aantasting in de persoon, gelet op de grove aard en de grote ernst van de normschending kan worden aangenomen. Daarmee is voldoende gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank categorie 15.1 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een bandbreedte van € 2.500,- tot € 7.500,-. De rechtbank houdt enerzijds rekening met de aard en ernst van het feit (onbeschermde (penetratie)seks in eigen bed, terwijl aangeefster sliep en zij haar huis openstelde voor een ‘vriend’) en stelt anderzijds vast dat geen sprake is geweest van (dreiging met) geweld. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 5.000,-.

De rechtbank acht de vordering dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 242 (oud) Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. feit 1 primair:

verkrachting

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:

t.a.v. feit 1 primair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

t.a.v. feit 1 primair:

De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,- euro en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

t.a.v. feit 1 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,- euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op het beslag:

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:

1. STK Ondergoed (omschrijving: PL2100-2023115532-G2071354);

1. STK Shirt (omschrijving: PL2100-2023115532-G2071358);

1. STK Laken (omschrijving: PL2100-2023115532-G2071360);

1. STK Ondergoed (omschrijving: PL2100-2023115532-G2071356);

1. STK Ondergoed (omschrijving: PL2100-2023115532-G2071580),

aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Heuft, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. S.V. Vullings, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,

en is uitgesproken op 14 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.J. Heuft
  • mr. J.G. Vos
  • mr. S.V. Vullings

Griffier

  • mr. M.A.I.A. Aarts

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?