ECLI:NL:RBOBR:2026:2310

ECLI:NL:RBOBR:2026:2310

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer 82.084049.22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling medeplegen passieve omkoping ambtenaar. Aanzienlijke overschrijding redelijke termijn. Taakstraf 240 uur. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [82.084049.22]

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 82.084049.22

Datum uitspraak: 13 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,

wonende te [adres]

.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 februari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij

op één of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2016 tot en met 1 december 2017 te Tilburg en/of Dordrecht, in elk geval in Nederland, en/of te Antwerpen, in elk geval in België,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans éénmaal

als ambtenaar, te weten in de functie van [functie] en/of als (waarnemend) [functie] bij de [gemeente] ,

(om) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),

te weten:

a. a) de toezegging van betaling van € 16,00 exclusief BTW over elk door [naam 1] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] (zie o.a. bijlage 023, pagina 2823) en/of

b) de toezegging van betaling van € 62,50 exclusief BTW over elk door [naam 2] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] (zie o.a. bijlage 074, pagina 2208) en/of

c) de toezegging van betaling van € 60,00 exclusief BTW over elk door [naam 2] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] (zie o.a. bijlage 098, pagina 2274) en/of

d) de toezegging van betaling van € 18,50 exclusief BTW over elk door [naam 3] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] (zie o.a. bijlage 031, pagina 2395) en/of

e) de toezegging van betaling € 9,00 exclusief BTW over elk door [naam 4] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] (zie o.a. bijlage 016, pagina 2608) en/of

f) de toezegging van betaling van € 9,00 exclusief BTW over elk door [naam 5] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] (zie o.a. bijlage 034, pagina 2940) en/of

g) de betaling van in totaal (ongeveer) € 10.796,00, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 1] door de [gemeente] (zie o.a. ordner 6, pagina 3135 en/of 3155) en/of

h) de betaling van in totaal (ongeveer) € 90.375,00, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 2] door de [gemeente] (zie o.a. ordner 6, pagina 3112 en/of 3114 en/of 3116 en/of 3121 en/of 3123 en/of 3138 en/of 3142 en/of 3145 en/of 3147 en/of 3150) en/of

i. i) de betaling van in totaal (ongeveer) € 8.750,50, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 3] door de [gemeente] (zie ordner 6, pagina 3118 en/of 3125 en/of 3127) en/of

j) de betaling van in totaal (ongeveer) € 6.849,00, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 4] door de [gemeente] (zie o.a. ordner 6, pagina 3132 en/of 3158)

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door

[persoon] en/of [bedrijf 1]

I. heeft aangenomen terwijl zij, verdachte,

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) haar werd(en) gedaan teneinde haar te bewegen in haar bediening iets te doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) haar werd(en) gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door haar in haar bediening is gedaan of nagelaten (sub 2)

en/of

II. heeft gevraagd

(telkens) teneinde haar, verdachte, te bewegen om in haar bediening iets te doen of na te laten (sub 3) en/of

(telkens) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door haar, verdachte, in haar bediening is gedaan of nagelaten (sub 4)

bestaande dat doen of nalaten hierin dat zij, verdachte, vanuit haar functie binnen de [gemeente] heeft bewerkstelligd dat:

a. a) [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] door de [gemeente] werd(en) ingehuurd via het detacheringsbureau [bedrijf 1] en/of

b) buiten de bestaande werkafspraken en/of mantelcontracten om de [gemeente] een “Supplier Agreement” en/of mantelcontract en/of overeenkomst heeft afgesloten met [bedrijf 1] en/of [persoon] (zie o.a. pagina 2022 t/m 2204) en/of

c) de (gemeente)profielen voor in te huren personeel zodanig werden aangepast dat deze beter aansloten bij de profielen van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of andere sollicitanten (zie o.a. pagina 19) en/of

d) dat [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of andere sollicitanten - voorafgaand aan het sollicitatiegesprek - vertrouwelijke informatie van/over de [gemeente] hebben ontvangen en/of

e) dat [verdachte] [naam 2] heeft meegegeven wat hij wel of niet moest communiceren richting de [gemeente] over zijn vorige dienstverband zodat er voor [verdachte] op termijn ruimte zou zijn om hem hoger in te kunnen (laten) schalen (zie o.a. pagina 2087).

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het aan verdachte ten laste gelegde onder II sub e onbegrijpelijk en/of innerlijk tegenstrijdig is, waardoor de dagvaarding ten aanzien van dit punt nietig verklaard dient te worden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd onder II sub e in het licht van het dossier voldoende duidelijk is en er derhalve geen grond bestaat tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen (HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1030). Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn (HR 14 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0452), verder niet innerlijk tegenstrijdig (HR 14 oktober 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4802 en HR 8 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0641) en overigens voldoende feitelijk.

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten (HR 14 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2057). Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt (idem). Ook de inhoud van de door de verdediging overgelegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen (HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2348), evenals de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting (HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8410).

Gezien de onderhavige tenlastelegging, meer specifiek hetgeen onder II sub e is opgenomen, in samenhang bekeken met het complete dossier, moet de verdachte in staat worden geacht de tekst van de tenlastelegging te begrijpen. Voorts is mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat het voor de verdachte en de verdediging niet duidelijk was tegen welke verdenking de verdachte zich moest verdedigen.

De tenlastelegging behelst naar het oordeel van de rechtbank een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat bij de verdachte geen enkele twijfel kan bestaan welke gedraging haar verweten wordt. Daarmee voldoet de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.

Op 19 juni 2018 heeft de toenmalige burgemeester van de [gemeente] (hierna: gemeente), [aangever] , namens de gemeente aangifte gedaan tegen [verdachte] , de voormalig [functie] ter zake onder andere ambtelijke corruptie. Deze aangifte volgde na een onderzoek door adviesbureau Berenschot vanwege gerezen vermoedens van belangenverstrengeling bij de inhuur van extern personeel door de gemeente. In dit onderzoek werd geconcludeerd dat [verdachte] via het bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) onder directie van [persoon] , die [verdachte] en haar echtgenoot [medeverdachte] (privé) kenden, externen inhuurde voor de gemeente. Verder werd in dit onderzoek geconcludeerd dat het bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), waar [verdachte] en [medeverdachte] voor ieder een gelijk deel aandeelhouder van waren, commissiegelden ontving van [bedrijf 1] voor de inhuur van deze externen door de gemeente.

In 2019 is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek genaamd “Taishan” inzake ambtelijke corruptie gestart. In het kader van dit onderzoek heeft op 12 februari 2019 een doorzoeking in het kantoorpand van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) plaatsgevonden. [bedrijf 1] was namelijk intussen overgenomen door [bedrijf 3] . Op 23 mei 2019 zijn de woningen van [persoon] en de gezamenlijke woning (tevens kantoorpand) van [verdachte] en [medeverdachte] in Antwerpen doorzocht. Door de gemeente en andere betrokkenen zijn bescheiden verstrekt. Hoewel aanvankelijk ook [persoon] als verdachte werd aangemerkt, zijn uiteindelijk alleen [verdachte] en haar echtgenoot [medeverdachte] gedagvaard.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 30 maart 2026 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere overwegingen.

Ambtenaar in zijn bediening.

Allereerst is voor een bewezenverklaring vereist dat een ambtenaar in zijn bediening wordt omgekocht. De woorden ‘in zijn bediening’ van artikel 363 Wetboek van Strafrecht eisen niet dat de ambtenaar bevoegd is tot de diensten die van hem verlangd worden, maar alleen dat zijn ambt hem daartoe in staat stelt of hem daartoe de gelegenheid biedt.

Verdachte was in de ten laste gelegde periode werkzaam als ambtenaar bij de gemeente in de functie van [functie] . Per 1 juni 2017 nam zij ook de taken van het [functie] (hierna: P, O & I) waar. [verdachte] is per 1 december 2017 ontslag verleend, zij had hier om verzocht per brief van 3 november 2017. [verdachte] was dan ook gedurende de gehele ten laste gelegde periode bij de gemeente werkzaam als ambtenaar.

Giften, beloften of diensten.

Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is van het aannemen of vragen van giften, beloften of diensten (hierna samengevat als: giften) van een ander door de ambtenaar. Van het aannemen van een gift is sprake als het betreffende voordeel feitelijk in de macht van de ambtenaar is geraakt. Van het aannemen van een belofte is sprake als het aanbod wordt geaccepteerd.

Uit de deelovereenkomsten tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] blijkt dat commissiegelden overeen zijn gekomen op basis van de door externen via [bedrijf 1] gewerkte uren. Deze commissies werden aan [bedrijf 1] gefactureerd vanuit [bedrijf 2] . [verdachte] is blijkens het dossier oprichter en samen met [medeverdachte] ieder voor 50% aandeelhouder van [bedrijf 2] . In de administratie van [bedrijf 2] die tijdens de huiszoeking op 23 mei 2019 wordt aangetroffen zaten facturen aan [bedrijf 2] ten name van [verdachte] , hetgeen bevestigt dat zij ook daadwerkelijk bij [bedrijf 2] betrokken was.

Het dossier bevat declaraties (facturen) van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] ten aanzien van de commissiebetalingen voor de gewerkte uren van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 1] en [naam 5] . Deze facturen zijn bij de doorzoeking bij [bedrijf 3] aangetroffen en ook in de ordners die in het pand van [verdachte] en [medeverdachte] lagen. De commissiebetalingen die zijn overeengekomen en (deels) zijn gedaan komen overeen met hetgeen in de tenlastelegging is opgenomen.

In totaal heeft [bedrijf 2] binnen de ten laste gelegde periode voor een bedrag van € 116.770,50 aan [bedrijf 1] gedeclareerd ter zake commissiebetalingen. In totaal is er tot een bedrag van €54.750,50 daadwerkelijk aan [bedrijf 2] uitbetaald. Het overige, € 62.020,00 is niet betaald door [bedrijf 3] aangezien toen de onregelmatigheden door hen geconstateerd werden. [persoon] was toen niet meer werkzaam bij [bedrijf 3] .

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] via [bedrijf 2] commissiebetalingen als gift en als belofte hebben aangenomen van en hebben gevraagd aan [bedrijf 1] .

Tegenprestatie.

Als is komen vast te staan dat de ambtenaar giften heeft aangenomen of gevraagd, is de volgende vraag of die ambtenaar wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze giften haar werden gedaan om haar als ambtenaar iets te laten doen of nalaten of omdat zij in het verleden iets heeft gedaan of nagelaten. Art. 363 Sr vereist niet dat het met de giften beoogde handelen of nalaten ook daadwerkelijk is gevolgd.

Werkafspraken gemeente.

De gemeente heeft een Europees aanbestedingstraject doorlopen voor de inhuur van adviserend en uitvoerend ICT personeel en de inhuur van Interim management-/projectleiding & Vakspecialisten. Op basis daarvan heeft de gemeente met verschillende bedrijven een mantel- of raamcontract afgesloten voor de inhuur van externen uit deze groepen. [bedrijf 1] was geen partij waar een mantel- of raamcontract mee was afgesloten.

Voor de inhuur van vakspecialisten en interim management bij de gemeenten zijn in april 2013 werkafspraken vastgesteld. In mei 2016 zijn soortgelijke werkafspraken vastgesteld als het gaat om de inhuur van uitvoerend en adviserend ICT-personeel. Onderdeel van de werkafspraken voor alle inhuur was de volgende formele procedure.

De rechtbank behandelt de inhuur van iedere ten laste gelegde externe afzonderlijk.

[naam 2] .

In juni 2016 is vanuit de gemeente een vacature geopend voor Teammanager IT. In de zomer van 2016 werd [naam 2] door [medeverdachte] benaderd. Vervolgens heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verdachte] , [medeverdachte] en [naam 2] . Tegen [naam 2] is toen gezegd dat indiensttreding via [bedrijf 1] zou moeten verlopen, ‘omdat dat de constructie was’. [verdachte] zei dat [naam 2] eerst een jaar via [bedrijf 1] gedetacheerd zou worden en daarna in dienst zou kunnen treden bij de gemeente. Dat, terwijl [bedrijf 1] niet onder de betreffende mantelcontracthouders viel en volgens de geldende interne procedure bij de gemeente niet betrokken kon worden bij de inhuur en initieel het de voorkeur van [naam 2] had om direct in dienst te treden bij de [gemeente] .

Op 6 en 7 september 2016 zijn door [medeverdachte] diverse documenten van de gemeente toegestuurd aan [naam 2] . Op 7 september 2016 stuurt [verdachte] [naam 2] meerdere e-mailberichten met als bijlage onder andere een vertrouwelijk rapport over de toekomstige ICT-organisatie van de gemeente. De e-mailberichten van [naam 2] aan [verdachte] worden door [verdachte] doorgestuurd aan [medeverdachte] op zijn e-mail adres van [bedrijf 2] .

Uit e-mailverkeer van 12 september 2016 blijkt dat een afspraak was gepland met [verdachte] , [naam 2] en het toenmalige hoofd van de afdeling P, O en I, [voormalig hoofd afdeling] . [verdachte] geeft op 16 september 2016 [naam 2] aan dat hij niet moet communiceren dat hij op dat moment al een vast dienstverband had. Hij moest doen alsof hij gedetacheerd werd, dat zou [verdachte] op termijn de ruimte geven om hem hoger in te schalen, aldus de betreffende e-mail. [naam 2] erkent in zijn verklaring dat hij hierover vervolgens inderdaad gelogen heeft. Op 21 september 2016 mailt [verdachte] naar [voormalig hoofd afdeling] dat zij graag de opdrachtverstrekking aan het detacheringsbureau [bedrijf 1] tegemoet ziet. [voormalig hoofd afdeling] mailt daarop op 23 september intern dat [naam 2] bij een van de mantelcontracthouders ondergebracht moet worden. Vervolgens is een RIT-aanvraag opgesteld en is uitvraag bij de mantelcontracthouders gedaan met daarin een deadline van 7 oktober 2016. In een e-mailbericht van 30 september 2016 stuurt [verdachte] erop aan dat de RIT-aanvraag en de opdracht formulering parallel lopen. Diezelfde dag neemt [medeverdachte] contact op met [naam 2] om zijn persoonlijke gegevens aan te leveren zodat de aanbieding en het arbeidscontract in orde gemaakt kunnen worden. Op 3 oktober 2016 mailt [verdachte] [naam 2] dat zijn aanstelling wordt geregeld en dat hij bij [bedrijf 1] ondergebracht wordt.

Ondertussen worden door de mantelcontracthouders diverse kandidaten aangedragen. Deze e-mailberichten van [voormalig hoofd afdeling] aan [verdachte] worden steeds door [verdachte] doorgemaild aan [medeverdachte] .

Op 18 oktober 2016 wordt vanuit [bedrijf 1] de arbeidsovereenkomst tussen [naam 2] en [bedrijf 1] toegezonden aan [naam 2] . Daarin wordt gerefereerd aan de afspraak met de heer [persoon] ‘in verband met uw inzet bij de [gemeente] ’. Op 19 oktober 2016 wordt door [voormalig hoofd afdeling] namens de gemeente een supplier agreement tussen de gemeente en [bedrijf 1] ondertekend. [voormalig hoofd afdeling] verklaart zelf dat hij in de voorondersteling was dat deze overeenkomst enkel zag op de inhuur van [naam 2] . [voormalig hoofd afdeling] heeft later verklaard dat [verdachte] erop aandrong de afspraak die zij reeds had gemaakt met [bedrijf 1] – dat [naam 2] bij de [gemeente] zou starten – ‘rond te maken’. [voormalig hoofd afdeling] heeft aangedrongen om de formele procedure te volgen, maar [verdachte] wilde per se dat [naam 2] ingehuurd werd. [voormalig hoofd afdeling] voelde zich niet vrij om [naam 2] niet in te huren.

Op 20 oktober 2016 is de deelovereenkomst getekend tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte] van [bedrijf 2] . In deze deelovereenkomst is een commissie overeengekomen voor [bedrijf 2] van € 62,50 per door [naam 2] gewerkt uur bij de gemeente. [naam 2] verklaart hierover dat hij hiervan niet wist en dat hij het ook belachelijk vindt.

[naam 1] .

[naam 1] is in 2016 in contact gekomen met [medeverdachte] . Begin 2017 nam [medeverdachte] contact op in verband met een mogelijk interessante opdracht bij de [gemeente] . Via [medeverdachte] heeft [naam 1] een afspraak met [verdachte] . [verdachte] gaf er de voorkeur aan om voor de kennismaking bij haar thuis af te spreken. Dit gesprek heeft op 31 maart 2017 in de woning van [verdachte] met [verdachte] en [medeverdachte] aan de keukentafel plaatsgevonden, aldus [naam 1] . [naam 1] gaf uiteindelijk aan dat hij ingehuurd kon worden via zijn bedrijf en het niet nodig was een tussenpartij te gebruiken. [verdachte] gaf aan dat de gemeente met preferred suppliers werkte en toen kwam [bedrijf 1] in beeld.

Voor de inhuur van [naam 1] is tussen [bedrijf 1] en de gemeente een deelovereenkomst gesloten. Op 3 mei 2017 wordt in opdracht van [verdachte] een profiel Manager ICT doorgezet naar de mantelcontracthouders. Daaruit komen van een van de mantelcontracthouders vragen over het profiel en ook worden er cv’s naar [verdachte] doorgestuurd van potentiële kandidaten. Deze e-mailberichten worden doorgestuurd naar [medeverdachte] . Ook van collega’s krijgt [verdachte] kandidaten aanbevolen. [medeverdachte] heeft [naam 1] gevraagd of hij zijn profiel nog eens naar [verdachte] kon doorsturen. Nadat [medeverdachte] deze van [naam 1] had ontvangen, stelde [medeverdachte] [persoon] de vraag of hij het cv van [naam 1] op [bedrijf 1] wil zetten en deze dan per direct aan [verdachte] aan te bieden en zo is dit ook gebeurd.

[naam 1] heeft verklaard dat hij het vreemd vond dat [persoon] zijn cv naar [verdachte] toezond, terwijl [verdachte] zijn cv al kende. [persoon] was op dat moment namelijk niet bij [naam 1] in beeld. De rechtbank concludeert dat [persoon] net doet alsof hij een goede kandidaat via [bedrijf 1] aanbrengt, terwijl [naam 1] daarvoor al meerdere gesprekken met [verdachte] en [medeverdachte] heeft gehad over de functie. [naam 1] noemt dit zelf een vooropgezet spel. De door [bedrijf 2] in rekening gebrachte commissiegelden noemt [naam 1] onbegrijpelijk.

Op 17 mei 2017 mailt [naam 1] naar [medeverdachte] en [verdachte] . [medeverdachte] vraagt in reactie daarop om geen e-mails naar de gezamenlijke adressen te sturen; bij voorkeur één-op-één.

[naam 3] .

In december 2016 maken [naam 3] en [verdachte] kennis met elkaar. Op 30 december 2016 ontvangt [naam 3] een e-mail van de programmamanager Het Nieuwe Werken van de gemeente waarin staat geschreven dat ze van [verdachte] heeft begrepen dat [naam 3] het spoor “bytes” komt versterken. [naam 3] verklaart dat zij al bij de gemeente werkte voordat zij wist hoe ze uitbetaald ging worden. Op een gegeven moment geeft [verdachte] aan [naam 3] aan dat de uitbetaling via [bedrijf 1] zou lopen. Op 16 januari 2017 stuurt [naam 3] haar bedrijfsgegevens door aan [verdachte] . Dit e-mailbericht wordt direct doorgestuurd naar [medeverdachte] . Op 19 januari 2017 vraagt [verdachte] intern bij de gemeente om het profiel voor IT telefonie uit te zetten. Daarbij geeft [verdachte] aan dat er al een kandidaat in beeld is. Op 19 januari 2017 wordt bevestigd dat het profiel wordt uitgezet bij mantelcontracthouders met sluitingsdatum 26 januari 2017. Op 20 januari 2017 stuurt [verdachte] naar [naam 3] dat zij de gegevens naar [bedrijf 1] heeft verstuurd en dat zij de financiële afhandeling doen met de gemeente. Op 23 januari 2017 stuurt [medeverdachte] een e-mailbericht naar [persoon] met het verzoek om de inzet van [naam 3] te formaliseren. [medeverdachte] schrijft op 23 januari 2017 aan [persoon] dat [naam 3] al is begonnen vanaf 1 januari 2017. [medeverdachte] vraagt aan [persoon] of de commissie € 19,80 per uur is. In de afsluiting schrijft hij dat [naam 3] weet dat [bedrijf 1] als broker betrokken is voor de formalisatie van de opdracht. Op 25 januari 2017 mailt [persoon] dat de commissie voor [naam 3] € 18,50 wordt. [medeverdachte] mailt dat dat akkoord is.

Op 25 januari 2017 reageren drie mantelcontracthouders met potentiële kandidaten Deze worden, inclusief de CV’s door [naam 6] aan [verdachte] toegestuurd. Dit e-mailbericht wordt doorgestuurd naar [medeverdachte] . Naar [naam 6] reageert [verdachte] ‘ga eerst profielen bekijken en dan laat ik het weten’. De rechtbank merkt op dat [verdachte] dan van enige betrokkenheid van [medeverdachte] , naar wie [verdachte] de hele e-mail had doorgestuurd, niets laat blijken. Op 26 januari 2017 wordt een overeenkomst getekend tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 4] d.d. 26 januari 2017 getekend door [naam 3] en [bedrijf 1] . Voor de inhuur van [naam 3] is tussen [bedrijf 1] en door [verdachte] namens de gemeente een deelovereenkomst gesloten aangaande de inhuur van [naam 3] . Deze deelovereenkomst dateert van 27 januari 2017. De startdatum van de werkzaamheden is echter feitelijk al per 1 januari 2017. Ook is er een deelovereenkomst gesloten tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] d.d. 27 januari 2017 aangaande [naam 3] . Daarin is opgenomen dat de commissie per gewerkt uur vanaf 1 januari 2017 € 18,50 bedraagt.

Op 30 januari 2017 wordt door [naam 6] aan [verdachte] gevraagd of zij naar aanleiding van de cv’s die vanuit de mantelcontracthouders zijn gestuurd nog mensen op gesprek wil laten komen. De reactie van [verdachte] daarop is dat er twee afvallen en dat de dame wellicht in aanmerking zou komen voor wat betreft het profiel, maar niet in het geheel zou passen en dat de ervaring kleinere opdrachtgevers betrof. [naam 6] reageert daarop dat de dame wel de ervaring bij grotere opdrachtgevers zou hebben. Hij merkt op dat [naam 3] al rond loopt dat dat hij de raamcontractpartners af moet wimpelen. De rechtbank merkt op dat [naam 3] ten tijde van dit e-mailbericht al één maand werkzaam is bij de gemeente. [naam 3] verklaart dat zij niet heeft geweten van de commissievergoedingen.

[naam 4] .

Op 23 januari 2017 mailt [persoon] naar [medeverdachte] dat hij gebeld is door iemand van de gemeente in verband met een vacature voor de functie van portfoliomanager. [persoon] vraagt [medeverdachte] of hij ideeën heeft. [naam 4] kwam in contact met [bedrijf 1] naar aanleiding van een vacature van [bedrijf 1] in december 2016. Naar aanleiding van deze sollicitatie werd [naam 4] in maart 2017 gebeld door [bedrijf 1] of hij nog interesse had. Op 21 februari 2017 draagt [persoon] [naam 4] voor als kandidaat bij de gemeente. Op 6 maart 2017 is een arbeidsovereenkomst getekend tussen [bedrijf 1] en [naam 4] . Voor de inhuur van [naam 4] is tussen [bedrijf 1] en de gemeente een deelovereenkomst afgesloten. Deze deelovereenkomst dateert van 28 maart 2017. [naam 4] verklaart dat hij niet in dienst is getreden bij de [gemeente] omdat [persoon] en [verdachte] de afspraak hadden gemaakt dat [bedrijf 1] de werving en selectie zou verrichten en dat [naam 4] dan in ieder geval een jaar via [bedrijf 1] zou worden ingehuurd.

De deelovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ter zake de commissiebetalingen voor de inhuur van [naam 4] was, al voordat in contact was getreden met [naam 4] , op 27 januari 2017 door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] tot stand gekomen. Volgens de deelovereenkomst zou [naam 4] per 15 april 2017 bij de gemeente beginnen en bedraagt de commissie per gewerkt uur voor [bedrijf 2] € 9,00. [naam 4] verklaart dat hij van de commissievergoedingen niet op de hoogte was.

[naam 5] .

[naam 5] is via LinkedIn benaderd door [bedrijf 1] . Daaropvolgend heeft in mei 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 5] , [persoon] en nog een medewerker van [bedrijf 1] . Op 26 mei 2017 mailt [medeverdachte] naar [persoon] het profiel Enterprise Architect met een beschrijving van wat de functie en de vaardigheden moeten inhouden. Op 13 juni 2017 wordt aan [verdachte] voorgesteld een RIT-aanvraag uit te zetten voor de functie van Enterprise Architect. Op 13 juni 2017 wordt aan [naam 5] en [persoon] een bevestiging gestuurd van een kennismakingsgesprek met [persoon] en [medeverdachte] . Op 27 juni 2017 wordt de vacatureomschrijving van de gemeente aan [naam 5] toegestuurd met de vraag of hij zijn cv daarop kan afstemmen. Voorts wordt op 31 juli 2017 gecorrespondeerd tussen [persoon] en [verdachte] aangaande de aanbieding van [naam 5] . Dit e-mailbericht wordt door [verdachte] doorgestuurd naar [medeverdachte] . Op 9 augustus 2017 stuurt [persoon] de workorder toe aangaande [naam 5] met het uurtarief van € 128,50 per uur en een commissie voor [bedrijf 2] van € 9,00 per uur. Op 11 augustus 2017 is een overeenkomst van opdracht opgemaakt tussen [bedrijf 1] en [naam 5] en ook is de deelovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] opgemaakt. [naam 2] verklaart over de inhuur van [naam 5] dat hij had voorgesteld via de mantelcontracthouders uitvraag te doen. Die uitvraag is nooit gedaan omdat [naam 2] door [verdachte] is gestuurd via [bedrijf 1] in te huren, aldus [naam 2] . [naam 5] verklaart dat hij van de betaling van de commissiegelden niet op de hoogte was.

Resumé

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte] in samenwerking met [bedrijf 1] en [persoon] een constructie hebben opgezet rondom de inhuur van externe medewerkers door de gemeente. [verdachte] heeft [bedrijf 1] vanuit haar functie de ingang verschaft bij de gemeente en daarbij actief gestuurd op de inhuur via dit bureau. [verdachte] heeft hiermee de geldende interne procedures bij de gemeente bewust omzeild. [verdachte] heeft in meerdere gevallen de uitvraag bij de mantelcontracthouders gedaan/laten doen, terwijl zij al een externe op het oog had om via [bedrijf 1] aan te stellen. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat dit schijnprocedures betroffen, teneinde te doen alsof de geldende procedure gevolgd werd.

Met de inhuur van [naam 2] is de constructie opgetuigd. [verdachte] en [medeverdachte] hebben aangegeven aan [naam 2] dat de constructie via [bedrijf 1] loopt. [verdachte] wist dat [bedrijf 1] geen mantelcontracthouder was. Het was om die reden van belang dat een supplier agreement tussen [bedrijf 1] en de gemeente werd afgesloten om als basis te kunnen dienen voor de inhuur van allereerst [naam 2] maar vervolgens ook van andere externen via deze constructie. [verdachte] heeft in het kader van de inhuur via [bedrijf 1] meermaals (vertrouwelijke) documenten van de gemeente en communicatie met betrokkenen over de invulling van functies gemaild naar [medeverdachte] . [medeverdachte] deelde deze informatie daarnaast meermaals met [persoon] en ook met nog in te huren personen. Noch de ingehuurde externen, noch de gemeente was ervan op de hoogte dat [bedrijf 2] onderdeel uitmaakte van de constructie. Ook de commissiebetalingen door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] waren voor de gemeente en de ingehuurde personen niet bekend. Op geen enkel moment is enige gegronde verklaring gegeven waarom de ter zake doende externen via [bedrijf 1] aan de gemeente aangeleverd moesten worden in plaats van via de bestaande mantelcontracthouders Beide verdachten hebben aangegeven dat hun handelen gebruikelijk is in de markt van inhuur van professionals zoals deze externen, maar het is juist daarom veelzeggend dat [bedrijf 2] en de commissiebetalingen desondanks stelselmatig buiten beeld zijn gehouden.

De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat [verdachte] gezien het dossier op geen enkel moment openheid van zaken heeft gegeven richting de gemeente betreffende haar nevenfuncties of financiële belangen. Bij het aangaan van haar dienstverband heeft de gemeente haar, zoals gebruikelijk is, expliciet verzocht om schriftelijk opgave te doen van nevenfuncties en financiële belangen. Niet blijkt dat zij dit gedaan heeft. [verdachte] heeft ter terechtzitting voor het eerst verklaard dat zij op dit punt wel transparant is geweest richting de gemeente. Dit standpunt vindt echter geen steun in het dossier. De rechtbank schuift het mede daarom als ongeloofwaardig terzijde. De nauwe betrokkenheid van [verdachte] blijkt verder uit het feit dat zij volgens het procesdossier de betalingen door de gemeente aan [bedrijf 1] ook deels heeft geaccordeerd.

[verdachte] en [medeverdachte] vormden een stel, zij woonden in de ten laste gelegde periode samen in dezelfde woning en spraken elkaar dagelijks. [medeverdachte] wist dat [verdachte] een hoge functie binnen de gemeente had. Uit het procesdossier volgt dat [verdachte] vele e-mails met bijbehorende bijlagen van de gemeente doorzond naar [medeverdachte] – naar zijn [bedrijf 2] e-mailadres - , meestal zonder enig commentaar. [medeverdachte] had zo ook wetenschap van vacatures zelfs voordat ze – als dat al gebeurde – werden uitgezet naar mantelcontracthouders. De rechtbank maakt daaruit op dat ze daarover met [medeverdachte] sprak, wat ter terechtzitting is bevestigd. [verdachte] wist dat [medeverdachte] over een netwerk met personeel beschikte. De rechtbank merkt op dat gelet op het verweer van de verdediging dat [verdachte] gedreven was kwalitatief de juiste personen op de juiste plekken binnen de organisatie te kunnen plaatsen, kan bestaan naast het strafbare handelen waartoe de rechtbank zal concluderen.

Daarnaast was [verdachte] bekend met [bedrijf 2] , gelet op het gegeven dat ze 50% aandelen had. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat ze geen actief partner van de BVBA was en dat [medeverdachte] zaaksvoerder was. De rechtbank merkt op dat [verdachte] als aandeelhouder de jaarrekeningen van 2016 en 2017 heeft goedgekeurd. De administratie van [bedrijf 2] bevond zich op het woonadres van [verdachte] en in de inbeslaggenomen ordners waren ook facturen opgenomen rondom de overige (bedrijfs) activiteiten van [verdachte] omtrent ‘knitware’, op naam van [bedrijf 2] .

Doordat [verdachte] gebruik heeft gemaakt van haar positie, heeft zij tezamen met [medeverdachte] ervoor gezorgd dat [bedrijf 1] de inhuur van externen kon verzorgen. Daarmee heeft ze ook bewerkstelligd dat [bedrijf 2] de commissiegelden aan [bedrijf 1] kon factureren. [bedrijf 2] heeft daarmee een bedrag van 116.770,50 kunnen factureren bij [bedrijf 1] , waarvan daadwerkelijk 54.750,50 is ontvangen door [bedrijf 2] . De rechtbank wijst in dit verband nogmaals op het gegeven dat [verdachte] en [medeverdachte] beiden 50% aandeelhouder waren van deze onderneming.

De rechtbank is gezien al het voorgaande in onderling verband en in samenhang gezien van oordeel dat het niet anders kan dan dat [verdachte] op de hoogte moet zijn geweest van de commissiebetalingen aan [bedrijf 2] . De ter zitting door [verdachte] ingenomen stelling dat [medeverdachte] haar nimmer heeft geïnformeerd over deze commissiebetalingen en dat zij er tijdens haar dienstverband bij de gemeente nooit van op de hoogte is geweest acht de rechtbank gezien het voorgaande (en de daaruit blijkende innige samenwerking) ongeloofwaardig.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de commissiebetalingen aan [bedrijf 2] en de toezeggingen daartoe zijn aan te merken als giften en als beloften in de zin van artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht, die [verdachte] en [medeverdachte] hebben ontvangen, terwijl [verdachte] wist dat deze giften verband hielden met haar handelen in haar bediening als ambtenaar van de gemeente. Gezien het planmatige handelen van beide verdachten en de nauwe en bewuste samenwerking die daaruit blijkt, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

Overige verweren.

Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gerespondeerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 1 juli 2016 tot en met 1 december 2017 in Nederland en in België,

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen,

als ambtenaar, te weten in de functie van [functie] en/of als (waarnemend) [functie] bij de [gemeente] ,

giften en beloften,

te weten:

a. a) de toezegging van betaling van € 16,00 exclusief BTW over elk door [naam 1] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] en

b) de toezegging van betaling van € 62,50 exclusief BTW over elk door [naam 2] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] en

c) de toezegging van betaling van € 60,00 exclusief BTW over elk door [naam 2] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] en

d) de toezegging van betaling van € 18,50 exclusief BTW over elk door [naam 3] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] en

e) de toezegging van betaling € 9,00 exclusief BTW over elk door [naam 4] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] en

f) de toezegging van betaling van € 9,00 exclusief BTW over elk door [naam 5] gewerkt uur ten behoeve van de [gemeente] en

g) de betaling van in totaal (ongeveer) € 10.796,00, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 1] door de [gemeente] en

h) de betaling van in totaal (ongeveer) € 90.375,00, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 2] door de [gemeente] en

i. i) de betaling van in totaal (ongeveer) € 8.750,50, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 3] door de [gemeente] en

j) de betaling van in totaal (ongeveer) € 6.849,00, althans een groot geldbedrag, in verband met de inhuur van [naam 4] door de [gemeente]

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door

[persoon] en/of [bedrijf 1]

I. heeft aangenomen terwijl zij, verdachte,

telkens wist dat deze giften en beloften haar werden gedaan teneinde haar te bewegen in haar bediening iets te doen of na te laten en/of

telkens wist dat deze giften en beloften en diensten haar werden gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door haar in haar bediening is gedaan of nagelaten

en

II. heeft gevraagd

telkens teneinde haar, verdachte, te bewegen om in haar bediening iets te doen of na te laten en/of

telkens ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door haar, verdachte, in haar bediening is gedaan of nagelaten

bestaande dat doen of nalaten hierin dat zij, verdachte, vanuit haar functie binnen de [gemeente] heeft bewerkstelligd dat:

a. a) [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] en [naam 5] door de [gemeente] werden ingehuurd via het detacheringsbureau [bedrijf 1] en

b) buiten de bestaande werkafspraken en/of mantelcontracten om de [gemeente] een “Supplier Agreement” en/of mantelcontract en/of overeenkomst heeft afgesloten met [bedrijf 1] en/of [persoon] en

c) de (gemeente)profielen voor in te huren personeel zodanig werden aangepast dat deze beter aansloot bij het profiel van een andere sollicitant en

d) dat [naam 2] - voorafgaand aan het sollicitatiegesprek - vertrouwelijke informatie van/over de [gemeente] heeft ontvangen en

e) dat [verdachte] [naam 2] heeft meegegeven wat hij wel of niet moest communiceren richting de [gemeente] over zijn vorige dienstverband zodat er voor [verdachte] op termijn ruimte zou zijn om hem hoger in te kunnen (laten) schalen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen straftoemetingsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit.

Verdachte heeft haar positie als ambtenaar op directieniveau gedurende ruim een jaar misbruikt teneinde zichzelf en haar partner te bevoordelen. [verdachte] heeft met [medeverdachte] een geraffineerde constructie opgezet voor de inhuur van IT-personeel bij de [gemeente] , waarbij buiten weten van de gemeente en de betreffende externen een grote geldstroom is verdwenen naar het bedrijf van [verdachte] en [medeverdachte] . Door aldus te handelen heeft [verdachte] het in haar gestelde vertrouwen als ambtenaar op grove wijze geschonden en haar positie misbruikt voor financieel gewin. Voor een goed functioneren van een democratische samenleving is het van belang dat burgers vertrouwen (kunnen) hebben in het openbaar bestuur. Door haar handelen heeft verdachte het vertrouwen dat burgers moeten kunnen hebben in een integere overheid geschaad. Ook heeft verdachte voor veel onrust binnen de gemeentelijke organisatie gezorgd, terwijl zij als topambtenaar een voorbeeldfunctie had.

De persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op geen enkel moment blijk gegeven van inzicht in het laakbare van haar handelen. Zij heeft ter terechtzitting geen rekenschap afgelegd over haar rol en geen verantwoordelijkheid genomen voor de gevolgen van haar handelen. Evenmin heeft verdachte op enig moment berouw getoond. Verdachte heeft zich op geen enkel moment bereid getoond het door haar veroorzaakte nadeel te compenseren of zelfs maar de intentie daartoe uitgesproken.

Justitiële documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 februari 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Schending redelijke termijn.

Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In de onderhavige zaak oordeelt de rechtbank dat deze termijn op 23 mei 2019 bij de doorzoeking van het toenmalige pand van [verdachte] en [medeverdachte] is aangevangen. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar stelt de rechtbank vast dat deze termijn met ruim vier jaar en elf maanden is geschonden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het door verdachte gepleegde feit op zichzelf zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Gezien de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank echter volstaan met oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Conclusie.

Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Motvering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [gemeente] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 72.090,00 bestaande uit materiële schade. De materiële schade bestaat uit kosten voor Deloitte en kosten voor Berenschot.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade voor de schadepost “Berenschot” kan worden toegewezen en dat de vordering voor de schadepost “Deloitte” niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen gezien de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat de schadepost “Deloitte” onvoldoende onderbouwd is ten aanzien van de motivering waarom deze kosten een direct gevolg zijn van het handelen van verdachte. Nader onderzoek zou de behandeling van deze zaak te zwaar belasten. De schadepost “Berenschot” is geen gevolg van enig strafbaar feit.

Het oordeel van de rechtbank.

Berenschot.

De rechtbank acht de gevorderde materiële schadevergoeding voor wat betreft de schadepost “Berenschot” toewijsbaar, omdat deze schadepost betrekking heeft op kosten die gemaakt zijn ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a van het Burgerlijke Wetboek. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende onderbouwd en redelijk zijn.

Deloitte.

De rechtbank is van oordeel dat de onderbouwing van de kosten voor wat betreft de schadepost “Deloitte” onvoldoende is. Het is uit de vordering en uit de toelichting ter terechtzitting onvoldoende duidelijk geworden welke werkzaamheden door Deloitte zijn verricht en in hoeverre deze verband houden met het bewezenverklaarde feit. Daarnaast is de verhouding tussen de bedragen op de facturen enerzijds en de gevorderde schadevergoeding anderzijds niet inzichtelijk geworden. Het aanhouden van de zaak voor nader onderzoek naar deze schadepost zou een onevenredige belasting voor het strafgeding vormen. Zodoende wordt het gevorderde bedrag voor wat betreft deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 27.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de laatste factuurdatum van Berenschot van 22 mei 2018. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Aangezien verdachte en haar mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de benadeelde partij bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 363 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Medeplegen van als ambtenaar een gift en een belofte aannemen, wetende dat deze haar gedaan en aangeboden wordt teneinde haar te bewegen om in haar bediening iets te doen, meermalen gepleegd

en

Medeplegen van als ambtenaar een gift en een belofte vragen teneinde haar te bewegen om in haar bediening iets te doen, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [gemeente] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [gemeente] , van een bedrag van 27.500,00 euro, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [gemeente] , van een bedrag van 27.500,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 150 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover het bedrag door haar mededader is betaald.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of haar mededader aan een van beide

betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boerma, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. S.H.C. Merkx, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,

en is uitgesproken op 13 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E. Boerma
  • mr. E.M. Vermeulen
  • mr. S.H.C. Merkx

Griffier

  • mr. J. Beex

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?