RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [82.084049.22]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.084049.22
Datum uitspraak: 13 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,
wonende te [adres]
.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.
De vordering van de officier van justitie.
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 54.750,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De beoordeling.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde vast te stellen op € 54.750,50 en voor dit bedrag een betalingsverplichting op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit van hetgeen in de onderliggende strafzaak aan veroordeelde ten laste is gelegd.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering is tijdig ingediend.
De veroordeelde is bij vonnis van 13 april 2026 van deze rechtbank veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
1. Medeplegen van als ambtenaar een gift en een belofte aannemen, wetende dat deze haar gedaan en aangeboden wordt teneinde haar te bewegen om in haar bediening iets te doen, meermalen gepleegd en;
2. Medeplegen van als ambtenaar een gift en een belofte vragen teneinde haar te bewegen om in haar bediening iets te doen, meermalen gepleegd
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
1. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht d.d. 28 juli 2020, rapportnummer 170.
Onderzoeksperiode voordeelsberekening De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de periode 1 juni 2016 tot en met 1 december 2017. Deze begindatum van deze onderzoeksperiode, 1 juni 2016, is vastgesteld aangezien [verdachte] per 1 juni 2016 is aangesteld als [functie] van de [gemeente] .
De einddatum van 1 december 2017 is aangehouden omdat [verdachte] met ingang van 1 december 2017 door de [gemeente] ontslag is verleend.
Uitgangspunten berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Het doen van een gift (in de zin van de ambtelijke omkopingsbepalingen in het Wetboek van Strafrecht) kan volgens vaste rechtspraak worden beschouwd als elk overdragen aan een ander van iets dat voor die persoon materiële of immateriële waarde heeft. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat [verdachte] giften heeft aangenomen in de vorm van geldbedragen aan [bedrijf 1] .
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] betreft de waarde waarmee het vermogen van [verdachte] als gevolg van de inkomsten of besparing van kosten is toegenomen.
In het opsporingsonderzoek zijn er voldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat de [verdachte] al dan niet via [bedrijf 1] uit bovenstaande verdenkingen op geld waardeerbaar voordeel van aanzienlijk belang heeft verkregen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in dit rapport berekend aan de hand van de voordeelberekening op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
(…)
Recapitulatie wederrechtelijk verkregen voordeel
Verschillende feiten en omstandigheden uit het opsporingsonderzoek maken aannemelijk dat met giften, namelijk commissievergoedingen aan [bedrijf 1] , op geld waardeerbaar voordeel is ontstaan voor [verdachte] . Hiermee is door [verdachte] wederrechtelijk voordeel verkregen dat in de rechtspersoon [bedrijf 1] terecht is gekomen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor [verdachte] is berekend op € 116.770,50, zoals hieronder nader is gespecificeerd:
(…)
[pag. 10 t/m 11]
Bij een doorzoeking bij de onderneming [bedrijf 2] te Dordrecht, de (nieuwe) aandeelhouder van [bedrijf 3] op 12 februari 2019 onder leiding van de officier van justitie mr. P.J. Borst werden diverse (digitale) documenten in beslag genomen. Daarin werd een Excel bestand aangetroffen betreffende de omzet en fee bij de [gemeente] . Hierin zijn schematisch alle facturen opgenomen van [bedrijf 3] (afdeling Dordrecht) naar de [gemeente] en de kosten (fee) opgevoerd door [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] (afdeling Dordrecht).
Uit dat bestand blijkt onder meer dat
[bedrijf 3] (afdeling Dordrecht) voor een bedrag van € 543.136,89 aan facturen heeft gefactureerd aan de [gemeente] aangaande de ingehuurde personen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] . [naam 4] , [naam 5] en [naam 6]
[bedrijf 3] (afdeling Dordrecht) voor een bedrag van € 116.770,50 kosten (fee) heeft opgevoerd ten behoeve van [bedrijf 1] aangaande vier personen.
Uit de in beslaggenomen facturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] blijkt tevens dat door [bedrijf 1] een bedrag van € 116.770,50 aan commissievergoedingen (fee) bij [bedrijf 3] in rekening is gebracht voor de inhuur van vier door de [gemeente] ingehuurde personen ( [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 5] ).
5. 3.2.2 Verrichte betalingen aan [bedrijf 1]
Toen [bedrijf 2] deze betalingen van commissievergoedingen van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] constateerde, werden de betalingen van de nog openstaande facturen stopgezet. Op dat moment waren volgens de financiële administratie van de [bedrijf 2] al meerdere betalingen aan [bedrijf 1] verricht voor een bedrag van totaal € 54.750,50. Het betreft betalingen van de volgende facturen voor commissievergoedingen:
Uit de gevorderde en verstrekte mutaties van de bankrekening [rekeningnummer] van [bedrijf 3] (thans [bedrijf 2] ) is tevens gebleken dat van de gefactureerde bedragen € 54.750,50 daadwerkelijk is betaald aan [bedrijf 1] .
(…)
5.3.2.3 Openstaande facturen (vorderingen) [bedrijf 1]
Uit de aangetroffen facturen en de verrichte betalingen blijkt dat een deel van de openstaande facturen van commissievergoedingen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] niet betaald zijn. Het betreft de volgende facturen voor commissievergoedingen:
Als opbrengsten kunnen tevens worden aangemerkt vorderingen. Een vordering is namelijk een vermogensbestanddeel met een bepaalde waarde en dan kan de nominale waarde van de vorderingen worden beschouwd als voordeel. De nominale waarde van de openstaande vorderingen vertegenwoordigen een waarde van totaal € 62.020,00.
(…)
[pag. 16]
5.3.5 Wederrechtelijk verkregen voordeel [verdachte]
Op basis van de weergegeven bevindingen is aannemelijk geworden dat [verdachte] via [bedrijf 1] voor tenminste € 54.750,50 aan geldbedragen heeft aangenomen, ontvangen. Mede gezien de openstaande vordering op thans [bedrijf 2] van € 62.020,00 heeft [verdachte] een wederrechtelijk voordeel verkregen, dat is berekend op minimaal € 116.770,50, gespecificeerd:
Nadere overweging. De rechtbank volgt het rapport ten aanzien van de berekeningswijze en de vaststelling van de daadwerkelijk aan [bedrijf 1] verrichte betalingen van € 54.750,50.
De rechtbank volgt het rapport niet voor zover daarin de openstaande vorderingen van € 62.020,00 als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt, nu ter terechtzitting is gebleken dat deze vorderingen niet zijn voldaan en niet aannemelijk is geworden dat deze vorderingen nog een reële vermogenswaarde vertegenwoordigen. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vast, conform de vordering van de officier van justitie, op € 54.750,50.
De rechtbank is van oordeel dat het genoten wederrechtelijk voordeel afkomstig uit de commissiebetalingen bij de rechtspersoon [bedrijf 1] terecht is gekomen en dat dit voordeel ook kan worden toegerekend aan medeveroordelde [medeveroordeelde] , nu zij 50% aandeelhouder van de rechtspersoon was, over het vermogen van de rechtspersoon kon beschikken – gebleken uit de bankrekening en facturen voldaan door [bedrijf 1] uit naam van [medeveroordeelde] – en daarmee dus ook kon strekken tot het voordeel van [medeveroordeelde] .
Er is geen reden de betalingsverplichting lager vast te stellen dan dit bedrag.
Hoofdelijkheid. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde de bewezenverklaarde feiten tezamen en in vereniging met de medeveroordeelde [medeveroordeelde] heeft gepleegd. Uit de in het vonnis van 13 april 2026 in de strafzaak vastgestelde feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat veroordeelde en [medeveroordeelde] gezamenlijk de beschikking hebben gehad over het uit het feit verkregen wederrechtelijk voordeel. Veroordeelde noch Jaspers heeft inzicht verschaft in de onderlinge verdeling van dat voordeel. De rechtbank merkt het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom aan als gemeenschappelijk voordeel en zal de betalingsverplichting op grond van artikel 36e lid 7 van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen.
Toepasselijke wetsartikelen.De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 54.750,50 (vierenvijftigduizend zevenhonderdvijftig euro en vijftig cent);
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boerma, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 13 april 2026.