ECLI:NL:RBOBR:2026:2333

ECLI:NL:RBOBR:2026:2333

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer 01-201369-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot afpersing, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest. Ook moet de verdachte het slachtoffer een schadevergoeding betalen van 21.781,00 euro.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.201369.25

Datum uitspraak: 13 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1957] ,

thans gedetineerd te: [PI]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2025, 15 december 2025, 2 maart 2026 en 30 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

ten gevolge waarvan bij die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, te weten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 september 2025.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 maart 2026 definitief is gemaakt, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1 primair:

hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Waalre, althans in Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer]

van het leven te beroven,

meerdere malen in/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Waalre, althans in Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een derde toebehoorde(n)

- de woning van die voornoemde [slachtoffer] is binnengedrongen

- (daarbij) een rugzak met zich mee droeg, met daarin tie-wraps en/of ducktape

- (daarbij) de woorden heeft toegevoegd "geef geld" althans woorden van gelijke aard en/of strekking

- met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp meerdere malen in de richting van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden

- meerdere malen op het hoofd en/of lichaam die [slachtoffer] in heeft gestoken en/of gesneden

- in de vingers en/of handen van die [slachtoffer] heeft gebeten

- meerdere malen die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt en/of knietjes heeft gegeven tegen diens geslachtsdeel en/of het lichaam,

- meerdere malen tegen het gezicht, hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt

- een of meerdere steekverwondingen in/aan het hoofd en/of het lichaam

- een afgebeten wijsvinger, welke volledig moest worden geamputeerd

- een afgebeten nagel van een duim

- een gebroken neus

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit: poging tot afpersing met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging doodslag en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank.

In navolging van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit: poging tot doodslag, niet kan worden bewezen. Niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om de heer [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven. Verdachte zal van het primair ten laste gelegde dan ook worden vrijgesproken.

Op grond van de navolgende bewijsmiddelen acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde poging tot afpersing met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte een financieel motief om tot het plegen van het feit over te gaan. De verklaring van het slachtoffer dat verdachte uit was op geld past bij de overige omstandigheden die uit het dossier zijn gebleken:

- Verdachte was door een huurachterstand zijn toenmalige woning kwijtgeraakt.

- Uit onderzoek aan zijn telefoon bleek dat hij in de periode mei-juni 2025 opgeteld een bedrag van € 2570 heeft uitgegeven bij Jack’s Casino en in de periode van 10 juli 2024 tot en met 9 juli 2025 middels 393 transacties een bedrag van € 22.570,00 heeft overgemaakt naar Jack’s Casino.

- De ochtend van het feit had verdachte een afspraak om de huurovereenkomst voor een andere woning te ondertekenen, op grond waarvan hij direct de eerste huurtermijn zou moeten overmaken.

- Direct voorafgaand aan het incident heeft verdachte deze huurovereenkomst en zijn ABN AMRO app geopend.

Verder is in de woning van het slachtoffer een tas van verdachte aangetroffen met daarin een schaar, een rol ducttape en tie-wraps.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte het slachtoffer wilde dwingen om geld aan hem af te staan. Daarbij heeft hij veel geweld gebruikt.

Bewijsmiddelen.

1. Een proces van bevindingen, inhoudende het relaas van [verbalisant 1] , opgemaakt, afgesloten en ondertekend op 1 juli 2025, p. 55-56 van het einddossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op dinsdag 1 juli 2025 kwamen wij ter plaatse op [adres] . Ik zag dat er op de tweede verdieping een man voor de deur van de woning met [nummer] lag. Ik zag dat deze man zijn lijf grotendeels onder het bloed zat. Ik zag dat er in de gang, op de grond, bloedsporen lagen. Ik zag dat er in de woning ook veel bloedsporen waren. Toen ik aan het slachtoffer vroeg wat er was gebeurd, hoorde ik dat hij zei dat hij in de ochtend werd aangevallen door de verdachte met een mes en dat de verdachte geld wilde zien van hem.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , opgemaakt, afgesloten en ondertekend op 1 juli 2025, p. 71-99 van het einddossier (incl. foto's), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op dinsdag 1 juli 2025 kwamen wij ter plaatse op [adres] .

We controleerden het gehele lichaam van het slachtoffer op steekwonden. Ik zag aan de linkerhand dat in een van de vingers een diepe snee zat. Ik zag dat deze los aan de hand zat.Ik zag dat het slachtoffer veel bloed bij zijn linkeroor had. Het bloed wat we aantroffen bij het slachtoffer was op veel plaatsen al opgedroogd.

(…) Ik hoorde dat het slachtoffer antwoordde dat de man die binnen op de grond lag geld van hem wilde.

3. Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] van 1 juli 2025, p. 103-106 van het einddossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik ben opgestaan en toen ben ik op de hometrainer gaan fietsen in huis. Ik zag dat er een man binnenkwam met een mes. Het was een groot mes. Een koksmes uit de keuken. Hij stond achter mij. Ik hoorde dat de man vroeg om geld. Hij begon te zwaaien met het mes. Hij raakte me in mijn linkerbeen en hij bleef maar aan de gang.

O: Het slachtoffer verklaarde dat hij moest vechten voor zijn leven en dat hij na dit gevecht naar de hal is gekropen.

4. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] van 2 juli 2025, p. 107-111 van het einddossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik sta altijd om 06:00 uur op en dus ook deze ochtend. Ik had gegeten en was in mijn woonkamer aan het fietsen. De man kwam via de voordeur naar binnen en de man viel mij van achter aan. Ik keek om en keek direct tegen het mes aan dat de man vast had. Ik zag meteen dat het een heel groot mes was. Ik zag dat de man met de punt van het mes naar voren in mijn richting liep. De man maakte hele korte steekbewegingen in de richting van mijn lichaam. Ik zat op dat moment nog op mijn stoel, ik draaide mij half om en de man bleef op mij in proberen te steken. Ik heb het mes afgestoten en geweerd. Ik heb het mes vastgepakt met mijn linkerhand op het scherpe gedeelte, bij de punt. Ik val uit mijn stoel en val samen met de man op de grond. Op de grond gaat de worsteling verder. De man heeft mij echt op mijn hele lichaam proberen te steken. Zelfs op mijn benen, voeten en oren heeft de man mij gestoken. Ik heb hier ook meerdere verwondingen van opgelopen. Uiteindelijk wist ik tijdens de worsteling het mes onder de keukentafel te gooien. Tijdens de worsteling probeerde ik de verdachte met mijn benen vast te klemmen om zijn hoofd of nek. De verdachte wist zich los te trekken omdat hij zo hard in mijn linkerwijsvinger beet dat ik hem wel los moest laten. Mijn linkerwijsvinger hing hierdoor nog maar aan een spier vast aan mijn hand en deze hebben ze uiteindelijk moeten amputeren. Verder heeft de verdachte in mijn duim gebeten waardoor mijn nagel eraf is en heel mijn duim zwart is. Tijdens de worsteling probeerde de verdachte bij mijn geslachtsdeel te komen over mijn kleding heen, hij gaf mij knietjes in mijn kruis. Ik voelde en zag dat de verdachte op mij insloeg met zijn vuisten en met zijn knieën op mij intrapte. Ik zag en voelde dat hij vooral op mijn hoofd sloeg. Hij heeft mij ook op mijn neus geraakt en deze is hierdoor gebroken.

Ik was constant bang dat de verdachte op kon staan en weer op mij in ging steken en ik het niet zou overleven. Om hem tegen te houden heb ik mijn benen heel strak om zijn nek geklemd. Ik was bang dat als ik hem los zou laten ik de pineut zou zijn. Uiteindelijk heb ik het risico genomen om op mijn rug, schuivend, naar de voordeur te kruipen en heb ik via het touwtje aan mijn voordeur deze open kunnen maken. Ik schat dat ik ongeveer 10 minuten in de gang heb gelegen zonder dat iemand mij heeft gehoord.

De persoon die mij heeft aangevallen heeft de hele tijd in mijn woonkamer gelegen.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [getuige] van 1 juli 2025, p. 122-128 van het einddossier, voor zover

– zakelijk weergegeven – inhoudende:

[slachtoffer] zei: ‘Hij kwam (…) binnen en eiste meteen geld.’ Ik ben de woning van [slachtoffer] binnengegaan. Ik trof in de woonkamer de dader aan. Ik zag in het hoekje van de keuken een vleesmes op de grond liggen.

6. Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van [verbalisant 5] , opgemaakt, afgesloten en ondertekend op 10 juli 2025, p. 153-159 van het einddossier (incl. foto’s), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op dinsdag 1 juli 2025 werd een schoudertas, kleur zwart, KVI-registratienummer 2025145456-27, goednummer 2025145456-2359700, in beslag genomen. Deze tas werd tijdens het forensisch onderzoek aangetroffen in de woning van het slachtoffer, zijnde het appartement [adres] te Waalre.In het “hoofdvak” van de schoudertas zat een merkloze schaar, een aangebroken rol ducttape en zeven zwarte tie-wraps.

7. Een proces-verbaal onderzoek gegevensdrager, inhoudende het relaas van [verbalisant 6] , opgemaakt, afgesloten en ondertekend op 14 juli 2025, p. 165-190 van het einddossier (incl. bijlagen), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

De telefoon van [verdachte] werd op 1 juli 2025 in beslag genomen en geregistreerd onder BVH-goednummer 2359623. De opgeslagen gegevens van deze telefoon werden veilig gesteld en voor onderzoek ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam.

Resumé

Uit de bevindingen uit de telefoon kan het volgende worden opgemaakt:

• Door WoonInc wordt in een mail van 05-03-2025 benoemd dat [verdachte] en ernstige betaalachterstand heeft;

• Op 07-05-2025 een mail dat er een bewindvoerder voor [verdachte] gezocht gaat worden;

• Op 12-05-2025 krijgt [verdachte] een mail dat de ontruiming van zijn woning aan de [adres] Waalre op 20-05-2025 zal plaatsvinden;

• Op 13-05-2025 wordt in een mail aangegeven dat de ontruiming niet plaats zal vinden als [verdachte] de huur heeft betaald;

• Er is op 30-06-2025 om 09:49 uur telefonisch contact geweest met [naam] van WoonInc. Dit is te zien in de telefoon, uit proces-verbaal -66 (p. 164) is gebleken dat dit ging over het verzetten van de afspraak tekenen huurcontract naar 01-07-2025 om 09:30 uur;

• [verdachte] zou op de dag van de sleuteloverdracht de eerste huur (van 30-06-2025 t/m 31-07-2025) moeten overmaken, deze bedroeg € 773,74;

• [verdachte] heeft op 01-07-2025 tussen 06:05 uur en 06:33 uur zijn huurovereenkomst geopend en zijn ABN Amro-app geopend en gebruikt.

Overige opvallende relevante informatieIk zag dat [verdachte] in mei en juni opgeteld een bedrag van € 2570,- heeft uitgegeven bij Jack's Casino. Ook zag ik in zijn e-mails meerdere aanmaningen van CZ zorgverzekering, Libera, en BudgetEnergie.

8. Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] opgemaakt, opgemaakt, afgesloten en ondertekend op 28 augustus 2025, p. 191-197 van het einddossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

(...)Door mij werden de bij mij bekend geworden bankgegevens van [verdachte] voornoemd geanalyseerd over de onderzoeksperiode 10-07-2024 tot en met 09-07-2025(...)In de bevragingsperiode zijn in totaal 393 transacties uitgevoerd naar Jack’s Casino voor een totaalbedrag van € 22.570,00. Dit is een significant deel van de totale afschrijving van

€ 32.185,35. Betalingen aan Jack's Casino vinden op diverse dagen meermaals per dag plaats.

9. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van de afdeling Chirurgie van het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) betreft [slachtoffer] , opgemaakt door J. Greijmans (arts-assistent Chirurgie), mede namens L. Heijnen (fellow trauma chirurgie) op 11 juli 2025, p. 283 van het einddossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Bovengenoemde patiënt was van 01-7-2025 tot 11-07-25 opgenomen op de afdeling chirurgie van ons ziekenhuis.

Opname-indicatie01-7-25 geweldpleging, met daarbij:1. Os nasale fractuur.2. Traumatische amputatie van DIP dig 2 linkerhand (bijtwond).3. Multipele kleine laceraties waarvoor hechtingen.

Relevante problemen2025-07: fractuur van neusbeenOverige problemen2025-07: licht traumatisch schedel-hersenletsel2025-07: amputatie van vinger2025-07: traumatische amputatie van distale phalanx dig 2 links2025-07: oppervlakkig letsel van hand rechts2025-07: acuut trauma met ISS <16

10. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van de afdeling Chirurgie van het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) betreft [slachtoffer] , opgemaakt door dr. L.A. Heijnen (fellow traumachirurgie) op 6 oktober 2025, p. 282 van het einddossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Patiënt werd op de traumakamer onderzocht, waarbij de volgende letsels werden geconstateerd:1. Meerdere oppervlakkige steekverwondingen op thorax (1x) en abdomen (2x).

Snijletsel linker oor (1x), waarvoor 1 hechting geplaatst werd.2. Traumatische amputatie distale phalanx en halve midphalanx dig 2 links (bijtwond), waarvoor vervolledigen amputatie door plastisch chirurg.3. Os nasale fractuur.

11. Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] bij de r-c op 9 maart 2026, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik heb er veel last van dat ik mijn vinger mis. Ik draag makkelijke kleding, omdat ik knopen niet goed dicht kan doen. Ik ben ook nog eens links en juist aan die hand mis ik nu een vinger.

De bewezenverklaring.

ten gevolge waarvan bij die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, te weten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 1 juli 2025 te Waalre, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde,

- de woning van die voornoemde [slachtoffer] is binnengedrongen,

- daarbij een tas met zich mee droeg met daarin tie-wraps en ducttape,

- daarbij de woorden heeft toegevoegd "geef geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

- met een mes meerdere malen in de richting van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,

- meerdere malen op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] in heeft gestoken en/of gesneden,

- in de vingers van die [slachtoffer] heeft gebeten,

- meerdere malen die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt en/of knietjes heeft gegeven tegen diens geslachtsdeel en/of het lichaam,

- meerdere malen tegen het gezicht, hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt,

- steekverwondingen in/aan het hoofd en/of het lichaam,

- een afgebeten wijsvinger, welke moest worden geamputeerd,

- een afgebeten nagel van een duim,

- een gebroken neus,

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bij pleidooi verzocht om aanhouding van de zaak voor de aanvraag van een NIFP-rapportage, zoals door de reclassering is geadviseerd, alsmede voor de opmaak van een medische rapportage, waarin de gezondheidssituatie van verdachte wordt gedocumenteerd. Beide rapportages zijn van zwaarwegend belang voor de afdoening van de zaak.

Het oordeel van de rechtbank.

Verzoek tot aanhouding.

De rechtbank acht de aanvraag van een Pro Justitia-rapportage teneinde verdachte gedragskundig te laten onderzoeken, niet noodzakelijk. Gelet op het feit dat verdachte verklaart zich niets te kunnen herinneren van het delict en van de aanloop daar naartoe, meent de rechtbank dat een dergelijke rapportage niet zal bijdragen aan het kunnen vaststellen van de mate van toerekenbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvraag van een rapportage dan ook niet van belang voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Ook de opmaak van een medische rapportage, waarin de huidige medische situatie en het uitzicht op herstel in kaart wordt gebracht, acht de rechtbank niet van toevoegde waarde.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht voor wat betreft de fysieke en mentale conditie van verdachte. De rechtbank heeft op basis van het dossier en de zittingen kunnen vaststellen dat de gezondheidstoestand van verdachte op zijn zachtst gezegd broos is. Hij is rolstoelafhankelijk en zijn tenen zijn geamputeerd. In hoeverre zijn gezondheidstoestand in direct verband staat tot het letsel dat hij heeft opgelopen tijdens het incident, is niet duidelijk geworden en naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer relevant voor de straftoemeting.

De verzoeken worden afgewezen.

Algemeen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder het feit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst van het feit.

Verdachte heeft een hoogbejaarde man van 93 jaar oud overvallen in zijn woning en daarbij excessief geweld gebruikt. Het slachtoffer heeft gevochten voor zijn leven. Het slachtoffer heeft moeten verhuizen uit zijn vertrouwde omgeving en is tot op de dag van vandaag angstig dat hem opnieuw iets overkomt. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij welbewust een hoogbejaarde man heeft uitgekozen om deze geld afhandig te maken. Om zijn doel te bereiken, is hij onder meer het slachtoffer met een mes te lijf gegaan en heeft hij een vinger van het slachtoffer afgebeten. De vinger hing nog aan één spier en moest nadien operatief worden geamputeerd.

Persoonlijke omstandigheden.

Verdachte heeft geen inzicht gegeven in zijn beweegredenen. Het is de rechtbank dan ook niet duidelijk geworden hoe verdachte tot deze laffe daad heeft kunnen komen. Uit het dossier denkt de rechtbank af te kunnen leiden dat het water verdachte in financiële zin aan de lippen heeft gestaan, hetgeen mogelijk een rol heeft gespeeld. Verdachte oogt, mede door zijn zwakke gezondheid en beperkte intellectuele vermogens, kwetsbaar. De rechtbank gaat er voorts zonder meer vanuit dat de medische situatie van verdachte ernstig is.

Op te leggen straf.

Uit de oriëntatiepunten bij een overval op een woning volgt dat het uitgangspunt bij een bewezenverklaring van ander geweld dan licht geweld/bedreiging een gevangenisstraf van vijf jaar is.

Gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak is de rechtbank van oordeel dat enkel een langdurige gevangenisstraf passend is.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank zal daarmee een gevangenisstraf opleggen van kortere duur dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van vijf jaar, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en rekening houdt met de persoonlijke situatie van verdachte.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich, gelet op de professionele bijstand van de benadeelde partij, voor wat betreft de hoogte van de schadevordering, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding het causale verband betwist tussen het delict en de verhuiskosten en het persoonsalarm (Wuzzi alert). Omdat verdachte direct is aangehouden en sindsdien in detentie verblijft, hoefde de benadeelde partij niet meer voor verdachte te vrezen. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding, heeft de raadsman aangevoerd dat de levensverwachting van de benadeelde partij in ogenschouw moet worden genomen bij de hoogte van het toe te kennen smartengeld. De hoogte van de vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt betwist voor zover deze een bedrag van € 12.500,- te boven gaat.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:

Materiële schade.

- daggeldvergoeding ziekenhuis: € 418,-

- daggeldvergoeding revalidatie: € 722,-

- eigen risico: € 92,-

- verhuiskosten: € 5.000,-

- Wuzzi alert - persoonsalarm: € 299,- (totaal)

- kleding € 250,-

Wuzzi alert - persoonsalarm.

De rechtbank acht het causaal verband tussen de aanschaf van een op het lijf gedragen

24-uurspersoonsalarm en het delict aanwezig. De benadeelde partij heeft ten tijde van het delict doodsangsten uitgestaan en heeft langere tijd in de gang gelegen zonder dat iemand hem om hulp hoorde roepen. Als het delict hem niet was overkomen, was de aanschaf van het alarm voor het gevoel van veiligheid niet aan de orde geweest.

Verhuiskosten.

De rechtbank is van oordeel dat er een aantoonbaar causaal verband bestaat tussen de door de benadeelde partij te maken verhuiskosten en het delict, nu verhuizing niet aan de orde zou zijn geweest als het bewezen verklaarde niet zou zijn gebeurd. Ten aanzien van de opgevoerde verhuiskosten van € 7.673,- heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de forfaitaire verhuiskostenvergoeding uit artikel 7:220, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek voor het jaar 2025. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de opgevoerde kosten daarmee onvoldoende onderbouwd. De rechtbank maakt om die reden gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt het toe te wijzen bedrag op € 5.000,-.

Immateriële schade.

- € 15.000,- (totaal)

Smartengeld.

De rechtbank neemt voor de hoogte van het toe te wijzen schadebedrag in aanmerking dat verdachte meerdere snijverwondingen heeft opgelopen ten gevolge van het delict. Daarnaast moet hij een groot deel van zijn wijsvinger missen doordat deze ten gevolge van het feit moest worden geamputeerd. Ook heeft hij een nagel verloren en een neusfractuur en licht traumatisch schedel- en hersenletsel opgelopen door het incident. Bij het toe te kennen bedrag aan smartengeld, neemt de rechtbank in aanmerking de intensiteit van de overval waarbij er een mes als wapen is gebruikt en de aard en de ernst van de gevolgen, mede gelet op de hoge leeftijd en de kwetsbaarheid van de benadeelde partij. De rechtbank zoekt voor de hoogte van het toe te kennen schadebedrag aansluiting bij de Rotterdamse schaal. Gelet op alle feiten en omstandigheden, acht de rechtbank een bedrag van € 15.000,- redelijk en billijk.

Niet-ontvankelijkheid.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering

niet-ontvankelijk.

De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kostenveroordeling.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wettelijke rente.

De wettelijke rente over de schade die is ontstaan vanwege het feit wordt toegewezen vanaf 1 juli 2025, de datum van het feit, tot aan de dag van volledige betaling. De immateriële schade is die dag ontstaan en ook de materiële schade is direct op of omstreeks die dag ingetreden.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 30 maart 2026 afstand gedaan van de onder hem in beslag genomen goederen (tie-wraps, schaar en ondergoed) zodat de rechtbank daarop geen beslissing meer zal nemen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring.

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreek verdachte daarvan vrij;

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid.

- verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en het volgende misdrijf oplevert:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot afpersing, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

- legt aan verdachte op:

 een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij.

- legt aan verdachte op:

 de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 21.781,00 euro.

- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 130 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 6.781,00 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 21.781,00 euro, bestaande uit 6.781,00 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. M.M.J. Nuyten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 13 april 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. S.A.E.M. Rampaart
  • mr. M.M.J. Nuyten

Griffier

  • mr. N.J.S. Doornbosch

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?