RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.121664.25
Datum uitspraak: 14 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 januari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 13 april 2025 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk: Chrysler, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Verreheide, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
te rijden terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten 1.58 milligram per milliliter ethanol en/of onder invloed van drugs, te weten 26 microgram per liter cocaïne,
en/of met (een) veel te hoge snelheid voor een veilige verkeersafwikkeling ter plaatse, over die Verreheide te rijden en/of in een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, naar links verlopende bocht onvoldoende links te houden
en/of (daarbij) de controle over zijn motorrijtuig te verliezen,
waardoor zijn motorrijtuig in de (rechter)berm terecht is gekomen en/of over de kop is geslagen en/of (vervolgens) in de voortuin van de woning aan de [adres 2] terecht is gekomen, waarbij een inzittende uit het motorrijtuig is geslingerd,
waardoor een of meer anderen (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten bij die [slachtoffer 1] een fractuur van de nekwervel en/of een klaplong en/of een gescheurde milt en/of een breuk aan het schaambeen en/of aan bij die [slachtoffer 2] meerdere wervelfracturen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 13 april 2025 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel
een voertuig, te weten een personenauto (merk: Chrysler, kenteken [kenteken] ), heeft bestuurd of als bestuurder heeft
doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 1.58 milligram per milliliter ethanol en/of 26 microgram per liter cocaïne bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het ge oemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Daarbij kan volgens de officier van justitie niet de roekeloosheid van de gedragingen worden vastgesteld, maar is wel sprake van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Ook het onder feit 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
Feit 1
Feit 2
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
op 13 april 2025 te gemeente Gemert-Bakel,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(personenauto, merk: Chrysler, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de
weg, de Verreheide, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
zeer onvoorzichtig en onoplettend,
te rijden terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten 1.58 milligram per
milliliter ethanol en onder invloed van drugs, te weten 26 microgram per liter
cocaïne,
en in een, gezien zijn, verdachtes,
rijrichting, naar links verlopende bocht onvoldoende links te houden
en daarbij de controle over zijn motorrijtuig te verliezen,
waardoor zijn motorrijtuig in de (rechter)berm terecht is gekomen en over de
kop is geslagen en vervolgens in de voortuin van de woning aan de [adres 2]
terecht is gekomen, waarbij een inzittende uit het motorrijtuig is geslingerd,
waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zwaar
lichamelijk letsel, te weten bij die [slachtoffer 1] een fractuur van de nekwervel en een
klaplong en een gescheurde milt en een breuk aan het schaambeen en
bij die [slachtoffer 2] meerdere wervelfracturen, werd toegebracht,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
t.a.v. feit 2:
op 13 april 2025 te gemeente Gemert-Bakel
een voertuig, te weten een personenauto (merk: Chrysler, kenteken [kenteken] ),
heeft bestuurd,
na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en
geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste
lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en alcohol, terwijl ingevolge
een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn
bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol
milligram per milliliter ethanol, en
26 microgram per liter cocaïne bedroeg.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden en een rijontzegging van 4 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Verdachte is bereid om de consequenties van zijn gedrag te accepteren.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft als bestuurder van een voertuig een verkeersongeval veroorzaakt dat aan zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag te wijten is. Door zijn gedrag in het verkeer heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol en cocaïne, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Desondanks is hij na gebruik van die stoffen met zijn vrienden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de auto gestapt. Tijdens het rijden heeft verdachte in een naar links verlopende bocht onvoldoende links gehouden (hij is praktisch rechtdoor gereden), heeft daarbij de controle over zijn auto verloren, is over de kop geslagen en uiteindelijk in de voortuin van een woning terechtgekomen. Uit zijn verklaring volgt dat verdachte zich totaal niet bewust was van het feit dat hij een auto bestuurde. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben door het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De gebeurtenis is zeer ingrijpend geweest en heeft forse gevolgen voor hen gehad.
Samenloop van de feiten
De rechtbank neemt voor wat betreft de bewezenverklaarde feiten eendaadse samenloop aan als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezenverklaarde levert een zodanig samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen – bescherming van de verkeersveiligheid – niet wezenlijk uiteenloopt.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor rijden onder invloed. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden weer zwaar onder invloed een auto te besturen met alle gevolgen van dien. Dit is in strafverzwarende zin meegenomen bij het bepalen van de strafmaat en -soort.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte volledige verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en heeft oprecht berouw getoond.
Op te leggen straffen
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het met een zeer hoge mate van schuld veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij tevens sprake is van fors alcoholgebruik en waarbij het slachtoffer als gevolg van dat ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, nemen de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en een rijontzegging van 4 jaren tot uitgangspunt.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Een taakstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde.
De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de feiten, tevens een rijontzegging moet volgen. Hiermee wordt niet alleen beoogd verdachte duidelijk te maken dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was, maar ook om verkeersdeelnemers voor langere tijd te beschermen tegen mogelijke herhaling van dit rijgedrag. De rechtbank heeft zorgen over het rijgedrag van verdachte, nu sprake is van veelvuldige recidive wat betreft het rijden onder invloed. Dit maakt dat de rechtbank een rijontzegging van 4 jaren op zijn plaats acht en deze dan ook aan verdachte zal opleggen.
Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden en een rijontzegging van 4 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
55, 57 Wetboek van Strafrecht
6, 8, 175, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1, feit 2:
eendaadse samenloop van
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet, meermalen gepleegd
[1.58 milligram per milliliter ethanol en 26 microgram per liter cocaïne]
en
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
[1.58 milligram per milliliter ethanol en 26 microgram per liter cocaïne]
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:
t.a.v. feit 1, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.G. Vos, voorzitter,
mr. R.J. Heuft en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 14 april 2026.